Opinie

OCMW-maatschappelijk werker: ‘Te vaak is er stilstand in plaats van vooruitgang’

Sushmitha Hansen

De werkdruk in OCMW’s is hoog. Met de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, zal die druk vanaf januari nog toenemen. Sushmitha Hansen is maatschappelijk werker bij OCMW Vilvoorde en stelt voor om de beperkt inzetbare middelen beter in te zetten: “Onze ambitie om iedereen op dezelfde manier quasi onvoorwaardelijk intensief te begeleiden klinkt fantastisch. Maar die hooggegrepen wens leidt tot sociaal werk dat te weinig impact heeft.”

OCMW

© Unsplash / Ryoji Iwata

Realiteit op de werkvloer

OCMW’s vervullen een belangrijke maatschappelijke opdracht: mensen begeleiden die kwetsbaar, ontwricht of geblokkeerd zijn. Als maatschappelijk werker bots ik vaak op de grenzen van die opdracht. Ik wil mensen activeren en versterken, maar de praktijk is weerbarstig.

‘Ik wil mensen activeren en versterken, maar de praktijk is weerbarstig.’

Die spanning heeft veel te maken met een fundamenteel verschil in verwachtingen. Cliënten leggen hun verhaal van tegenslag en kwetsbaarheid op tafel. Vaak kijken ze vervolgens naar ons om dat op te lossen. Wij, maatschappelijk werkers, zijn daarentegen opgeleid om mensen te responsabiliseren en te versterken. Omdat we niet meteen oplossingen aanreiken, ervaren sommige cliënten ons als afstandelijk en weinig betrokken. Dat wringt en tast het vertrouwen tussen cliënt en hulpverlener aan.

Zand in de machine

Deze gespannen relatie kan leiden tot stilstand in plaats van vooruitgang. Natuurlijk spelen ook werkdruk, personeelstekort en bureaucratie hier een rol. Ze gooien zand in de machine. Maar wat ik vooral mis, is een duidelijk afsprakenkader met aandacht voor ondersteuning én sanctionering. Sommige cliënten blijven namelijk afspraken negeren of weigeren mee te werken. En dat heeft geen gevolgen: deze mensen behouden hun intensieve begeleiding én leefloon.

Onze ambitie om niemand uit te sluiten en iedereen op dezelfde manier quasi onvoorwaardelijk intensief te begeleiden klinkt fantastisch. Maar die hooggegrepen wens leidt tot sociaal werk dat te weinig impact heeft. Het automatisme en de voorspelbaarheid van dit systeem maken onze hulp- en dienstverlening kwetsbaar.

Dat is geen louter persoonlijke overtuiging. In gesprekken met collega’s hoor ik dezelfde bezorgdheden.

Recht met voorwaarden

Ben ik dan een hardvochtige hulpverlener die het leefloon wil afnemen van kwetsbare mensen die niet willen meewerken of afspraken voortdurend negeren? Wil ik die ‘lastige’ groep liever niet begeleiden? Helemaal niet. Terecht is het leefloon een recht, een minimum om een menswaardig leven te kunnen leiden. Dat wil ik graag mee mogelijk maken.

‘Het vastleggen en opvolgen van voorwaarden gebeurt vandaag te vaag en vrijblijvend.’

Maar of je dat nu wil of niet: dat recht is gekoppeld aan voorwaarden, bijvoorbeeld je bereidheid om een opleiding te volgen of te werken. Het vastleggen en opvolgen van die voorwaarden gebeurt vandaag te vaag en vrijblijvend. Wat ontbreekt zijn sterke instrumenten om aan cliënten duidelijk te maken welke stappen we verwachten en wat de gevolgen zijn als die stappen toch niet gezet worden.

GPMI

Wie het OCMW een beetje kent, zal opwerpen: ‘Er is toch zo’n instrument: het geïntegreerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI)’? Dat klopt, maar in de praktijk is dat begeleidinginstrument moeilijk werkbaar. Het is omslachtig, tijdrovend en lastig te integreren in de dagelijkse werking.  Bovendien ervaren cliënten het eerder als een vorm van controle en druk, terwijl het in eerste instantie vooral duidelijkheid zou moeten bieden.

‘Ik stel voor om de organisatie van onze begeleiding breder te herdenken.’

Een instrument dat noch voor hulpverlener, noch voor cliënt werkt, moet je durven herzien. We kunnen proberen om dat GPMI meer wend- en werkbaar te maken. Maar de groeimarge blijft klein: het GPMI is een one-size-fits-all instrument dat moeilijk te combineren valt met de vele andere opdrachten van de maatschappelijk werker. Daarom stel ik voor om de organisatie van onze dienstverlening en begeleiding breder te herdenken.

Stimuleren én begrenzen

Het OCMW moet evolueren naar een beleid dat mensen stimuleert, verantwoordelijkheid vraagt en – indien nodig – ook begrenst. Niet om te straffen, maar om mensen ernstig te nemen. Wat we nodig hebben, is een helder en consequent beleid dat inzet op vooruitgang in het leven.

Het is niet wenselijk dat mensen die herhaaldelijk afspraken niet nakomen, blijven terechtkomen in een systeem dat hen bevestigt in hun situatie, zonder voldoende aan te zetten tot verandering of groei. Als begeleiding vooral opvang wordt, zonder duidelijke verwachtingen, dreigt activering hol en ineffectief te blijven. Dat willen we niet.

Ter plaatse trappelen

We kunnen met veel begrip en mededogen bepalen wat die vooruitgang dan precies is. Voor de ene is dat gedurende langere tijd geëngageerd meewerken binnen een project, bij de andere tijdig verschijnen bij een afspraak op het OCMW. Op die manier wordt zichtbaar wie bereid is stappen vooruit te zetten en wie (nog) niet.

Maar niemand heeft er baat bij zonder enige prikkel ter plaatse te blijven trappelen of stappen achteruit zetten. Toch is dat wat vandaag te vaak gebeurt: er beweegt niets, maar het leefloon en de begeleiding lopen door.

De urgentie om dat te veranderen is groot: door de beleidskeuzes van de regering om de werkloosheidsvergoedingen in te korten, verwachten we een toename van het aantal mensen dat een beroep doet op het OCMW. Die realiteit dwingt ons om de beperkte middelen meer efficiënt en doordacht in te zetten.

Iedereen mee

Wie een leefloon ontvangt, moet betrokken worden bij activering. Dat moet gebeuren op maat van de cliënt, maar elk doel moet voldoende ambitie uitstralen.

Mensen met een langdurige ziekte vallen meestal onder de sociale zekerheid. Enkel wie daarbuiten valt, komt bij het OCMW terecht. In principe is wie niet ziek is, inzetbaar. Vanzelfsprekend kan dat niet altijd meteen.

‘De lat vooraf leggen op een hoogte waarvan je weet dat mensen ze niet kunnen halen, heeft geen zin. Maar de lat moet wel gelegd worden.’

Zo moet rekening gehouden worden met de individuele situatie van elke cliënt. Sommige mensen zitten vast in een complex kluwen van psychische kwetsbaarheid, relationele en financiële problemen. Verantwoordelijkheid en vooruitgang vragen hier een zorgzame en realistische invulling. De lat vooraf leggen op een hoogte waarvan je weet dat mensen ze niet kunnen halen, heeft geen zin. Maar de lat moet wel gelegd worden.

In onze samenleving blijft de focus op de weg naar werk belangrijk. Die weg is soms hobbelig, maar dat mag geen excuus zijn om mensen niet te stimuleren. Ook voor wie al lange tijd niet werkte, blijft werk het doel. Vrijwilligerswerk kan een opstap zijn, maar mag geen eindpunt worden.

Stressvolle procedure

Hoe zie ik die verandering meer concreet, binnen de OCMW-werkpraktijk?

Vandaag start een nieuwe vraag naar leefloon vaak met het verzamelen van documenten en een uitgebreid gesprek met een maatschappelijk werker. Binnen dertig dagen moet het dossier worden voorbereid voor het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst. Dat beslist vervolgens over het leefloon.

Die aanpak moet bijgestuurd worden. De leefloonbeslissing is immers grotendeels administratief: zodra aan de voorwaarden is voldaan (nationaliteit, inkomen, verblijf, toets laatste vangnet), is er in principe recht op ondersteuning. Alleen de arbeidsbereidheid is bij aanvang vaak minder duidelijk.

Toch is de huidige werkwijze intensief, log en belastend voor maatschappelijk werkers. In amper dertig dagen moeten ze én het dossier administratief afronden, én een werkrelatie opbouwen, én zicht krijgen op de activeringskansen van de cliënt. Die tijdsdruk veroorzaakt stress, niet alleen voor de hulpverlener, maar ook voor de cliënt. Dat maakt het contact moeilijker.

Nieuwe collega: de welvaartswerker

Daarom pleit ik voor een meer gespreide aanpak. Maak van de intake een formeel, administratief moment dat gericht is op documenten en feiten. Als alle vakjes afgevinkt kunnen worden, volgt de toekenning van het leefloon.

‘Deze nieuwe hulpverlener bekijkt met de cliënt welke doelstellingen realistisch zijn en hoe activering vorm kan krijgen.’

Vervolgens wordt er een gesprek opgestart over waarom iemand (nog) niet werkt, en wat er nodig is om daarin stappen te zetten. Dat gesprek over motivatie, obstakels en mogelijkheden hoort thuis bij een hulpverlener die daar tijd en ruimte voor krijgt. Die opdracht zou ik reserveren voor een nieuwe collega: de welvaartswerker. Hij of zij is het eerste aanspreekpunt voor cliënten na de toekenning van het leefloon. De begeleiding richt zich vooral op activering richting werk. Zo kan de cliënt snel stappen zetten, met een duidelijk doel voor ogen.

Deze nieuwe hulpverlener bekijkt met de cliënt welke doelstellingen realistisch zijn en hoe activering vorm kan krijgen. De welvaartswerker wijst ook transparant op de gevolgen indien die engagementen niet gerealiseerd worden. Het is een hulpverlener die ondersteunt én begrenst, een hulpverlener die samen met cliënten actief en gericht werkt aan vooruitgang.

Samen sterk

En wat dan met de maatschappelijk werker? Die komt pas in beeld wanneer verschillende problemen op elkaar ingrijpen zoals psychische kwetsbaarheid, gezinsproblemen of schulden. De maatschappelijk werker zorgt voor een brede ondersteuning op meerdere levensdomeinen, eventueel in samenwerking met partners uit andere organisaties.

De welvaartswerker en maatschappelijk werker vullen elkaar aan met verschillende taken en verantwoordelijkheden. De maatschappelijk werker kan zich focussen op meer complexe situaties, terwijl de welvaartswerker zorgt voor een meer specifieke en consequente opvolging van activering en motivatie. Door deze duidelijke taakverdeling ontstaat er meer ruimte en tijd voor gerichte begeleiding. Dit vraagt niet noodzakelijk om meer personeel, wel om een slimmere inzet van krachten.

Tijd voor een koerswijziging

Vandaag voeren we binnen het OCMW een ondersteuningsbeleid dat aan elke cliënt een beetje wil bieden. Dat klinkt sympathiek, maar in de context van beperkte middelen en energie houdt het geen stand. Want als je iedereen een beetje helpt, trek je uiteindelijk niemand écht vooruit. Wie écht verandering wil, moet durven kiezen.

De welvaartswerker is een kans om sociaal werk te versterken. Solidariteit zonder verantwoordelijkheid is leeg en verantwoordelijkheid zonder solidariteit is hard. Het sociaal werk moet beide durven verbinden.

Vooruitgang betekent meer dan noden en problemen oplossen. Het gaat om mensen kansen geven om opnieuw zelfstandig in het leven te staan via werk, opleiding, participatie of andere vormen van zingeving.

‘Kleine, haalbare stappen leiden tot meer autonomie en stabiliteit.’

Een meer rechtvaardig en activerend beleid, met de welvaartswerker centraal, biedt mensen niet alleen hulp, maar ook perspectief. Niet om te oordelen wie ‘het waard is’, maar om iedereen eerlijke ondersteuning te geven mét de verwachting om zelf ook stappen te zetten. Want kleine, haalbare stappen leiden tot meer autonomie en stabiliteit.

Sociaal werk verdient meer slagkracht. Niet door harder en repressiever te worden, maar door meer transparant, doelgericht en doortastend te werken. De welvaartswerker kan helpen om sociaal werk de toekomst te geven die het verdient.

Reacties [11]

  • maddy claes

    Met veel genoegen heb ik de basistekst en de reacties gelezen. Het lijkt me niet nodig om drie sociale werkers te mobiliseren met, naar ik vermoed, maar één de gediplomeerde maatschappelijk assistent is. Goede hulpverlening draait rond wederzijds vertrouwen dat langzaam wordt opgebouwd. Het administratieve luik is daarbij een gemakkelijke en neutrale eerste stap, de wetgeving kan worden geduid, maatschappelijk werd kan worden uitgelegd. Wat wel noodzakelijk is, is TIJD om dit proces van (h)erkenning te ontwikkelen. Na de eerste maand en na de toekenning van het leefloon, kan dan overgegaan worden naar de expressieve hulpverlening. Wordt er geen leefloon toegekend, dan blijft de cliënt ook bij de initiële maatschappelijk assistent voor zijn eventuele andere problematieken. Dus ik pleit voor een zeer ruim generalisme. Geen taakverdeling maar REGIOVERDELING met een maximale werklast van 5O tot 6O complexe begeleidingsdossiers .

  • Els

    Mijn ervaring is dat een groep kwetsbare mensen psychisch heel kwetsbaar zijn. Ze bezitten nog weinig veerkracht en kennis over hoe ze met hun psychische kwetsbaarheid om kunnen. Hun hoofd zit vol met stress zodat ze nog weinig opnemen. Schaarste theorie. Ze hebben nog weinig vertrouwen en trekken zich terug uit de maatschappij. Ze voelen zich veroordeeld door de publieke opinie. Een andere groep mensen hebben medische klachten waardoor ze niet meer kunnen voldoen aan de prestatieverwachtingen van de meeste bedrijven. Voor de maatwerkbedrijven zijn ze dan weer te goed. Maar de regering creëert geen aangepast werk. Bedrijven staan niet open voor aangepast werk. Mensen zonder loon zetten drijft hun naar wanhoop. Criminaliteit zal toenemen als polarisatie. De solidariteit zal nog meer verdwijnen als de sociale cohesie. Mensen zullen naar betere oorden willen trekken.

  • Sarah

    Inderdaad, een extra hulpverlener is niet nodig. Er bestaan trouwens al wel ‘arbeidsbegeleiders’ (althans in Antwerpen in de tijd dat ik voor OCMW werkte) die apart afspreken met mensen die klaar zouden zijn voor stappen richting (sociale) tewerkstelling.
    Ik blijf heemhard geloven in het op maat werken. Sommige mensen zijn slechter af als ze gepusht worden richting participatie dan dat ze hun nood aan op zichzelf zijn uit zelfbescherming mogen laten gelden. Er zal altijd een groepje mensen zijn die je niet in de wettelijke ‘hokjes’ kan steken en daar moet creatief en vooral menselijk mee omgegaan worden.

    • Sushmitha hansen

      Dank voor je reactie. Ik wil benadrukken dat het idee van de welvaartswerker geen extra personeelskosten betekent, maar een interne verschuiving van visie en aanpak. Het gaat om iemand die vanaf het eerste contact kan focussen op doelgerichte begeleiding richting werk, terwijl maatschappelijk werkers zich richten op complexere situaties.

      Het is uiteraard goed dat er al arbeidsbegeleiders bestaan, maar in het huidige systeem komen zij vaak te laat in beeld. Mijn voorstel zorgt ervoor dat begeleiding eerder en duidelijker wordt opgestart, zodat cliënt en hulpverlener samen écht stappen vooruit kunnen zetten.

  • SV

    Prachtig. Mijn reacties worden verwijderd alleen omdat ik de waarheid zei. Het is makkelijk om te klagen over mensen die niet werken, maar niemand spreekt over degenen die documenten vervalsen, rechten blokkeren of dossiers manipuleren binnen bepaalde OCMW-diensten. Op de dag dat alles naar buiten komt en deze praktijken eindelijk worden blootgelegd, zullen we zien of mijn reacties nog altijd verdwijnen.Ter informatie: van elke reactie die ik geplaatst heb, heb ik een screenshot gemaakt. Zo is het duidelijk wat men probeert te laten verdwijnen en wat men wil verbergen.

    • Lisa Develtere

      Beste SV, Jouw vorige reactie was onterecht door onze spamfilter als ‘spam’ gemarkeerd. Daarom kwam hij niet tevoorschijn. Groet, Lisa Develtere (redactie Sociaal.Net)

  • sv

    We controleren, we volgen en we veroordelen burgers die het moeilijk hebben. Maar niemand controleert hoe sommige openbare diensten écht functioneren. Niemand onderzoekt of documenten wel kloppen, waarom beslissingen willekeurig genomen worden, of waarom fouten en manipulaties blijven gebeuren. In lokale netwerken beschermt iedereen elkaar, en ondertussen worden gezinnen kapotgemaakt.
    Misschien wordt het tijd om te beseffen hoeveel mensen vandaag niets meer hebben en hun kinderen nauwelijks nog kunnen eten geven, enkel omdat hun rechten zonder geldige reden geblokkeerd zijn. Je kan klachten indienen, administraties waarschuwen, hooggeplaatste personen informeren… en toch doet niemand iets. Iedereen leest, iedereen ziet het, maar niemand komt in actie. Men wacht gewoon tot je opgeeft, zodat de waarheid niet naar boven komt !

  • Tim Verschraegen

    Dag Sushmita, wat een pittig standpunt dat misschien meer zegt over de middelen die OCMW’s krijgen om gescjikte begeleiding te voorzien. Ik wil ingaan op het algemen idee dat sanctioneren helpt -ik denk mensen in armoede geld ontzeggen er niet meteen voor zorgt dat hun situatie verbetert, hun geloof in uit een dal te kruipen vergroot of hun nog aanwezige krachten versterkt.
    Ik werk zelf met een doelgroep van clienten met een EPA, waaronder chronische ernstige verslaving en dakloosheid.
    Voor deze groep zijn er wel wat tegenargumenten qua strengere aanpak te bedenken:
    Bij ernstige verslaving is het brein fysiologisch veranderd. Dreigen met inkomensverlies (sanctionering) verhoogt de stress en de overlevingsdrang, wat de kans op gebruik en roekeloos gedrag juist vergroot. Het leidt tot verlies van contact met de hulpverlener, de meest waardevolle troef voor toekomstig herstel.
    Door het leefloon te behouden, verzekert het OCMW een minimale menselijke waardigheid.

    • Sushmitha Hansen

      Dag Tim. Dank je wel voor je reactie en het delen van je ervaring.

      Tijdens een eerste contact is luisteren belangrijk, maar eigen verantwoordelijkheid moet ook meteen duidelijk zijn. Als vanaf dag één niet nadrukkelijk gesproken wordt over wederkerigheid, rechten, plichten en arbeidsbereidheid, start de begeleiding met een misverstand.

      Voor mensen met ernstige verslaving of andere zware kwetsbaarheden is werk op korte termijn niet haalbaar; contact en stabiliteit blijven essentieel, en een medisch attest kan dit bevestigen. Voor de groep tussen 18 en 55 jaar die wél kan deelnemen aan de arbeidsmarkt, moeten duidelijke verwachtingen worden geformuleerd — niet als straf, maar om richting en kansen te bieden.

  • Michelle Ginee

    Ben het ook niet eens met de aanname dat in principe mensen die bij het OCMW aankloppen klaar voor werk zijn.
    Vluchtelingen die nog geen Nederlands kunnen bijvoorbeeld al niet en zij krijgen ook geen kansen op de arbeidsmarkt.
    Toch ook heel wat mensen met een psychiatrische problematiek en/of verslaving.
    Daar ligt het probleem toch bij het feit dat de toegang tot bijvoorbeeld een fod uitkering heel stroef verloopt.
    Misschien is pleiten voor ruimte om op maat van de cliënt te mogen hulpverlenen. Dwingend als het nodig is, met zachte hand als het helpt, mogelijkheden om je discretionaire ruimte volledig te benutten. En meer gericht op mensen in hun kracht zetten zoals je zelf ook benoemt

    Maar ik wil hier wel zeggen dat ik blij ben dat iemand de pijnpunten binnen een OCMW in kaart brengt en super goed dat er voorstellen komen om te verbeteren :) mijn mening is ook maar mijn mening. Maar word blij dat er geluid komt vanuit het OCMW

  • Michelle Ginee

    Ben akkoord dat we de kracht van strenger zijn onderschatten. Denk oprecht dat ook onder de leefloongerechtigden mensen zitten die eigenlijk vooral gebaat zijn bij een strenge, maar rechtvaardige hand.
    Ik mis in dit stuk wel hoe je iemand dan terug kan opvissen? Want in mijn ervaring zijn er mensen die telkens opnieuw de kantjes ervanaf kunnen lopen, maar plots ineens toch wendbaar zijn. Hoe zorgen we dan dat we die mensen niet loslaten? Ik merk dat mensen die in het verleden een sanctie kregen zich nu vaak al dubbel en dik moeten bewijzen als ze opnieuw hulp vragen. Soms niet eens gebaseerd op feiten. We moeten toch voorkomen dat die mensen uit ons systeem vallen.

    Ik weet ook niet of ik het zinvol vind om een extra hulpverlener toe te voegen aan het traject. Ik heb de indruk dat in OCMW’s waar de sociaal werker meer generalist is en heel het traject volgt, betere resultaten geboekt worden.

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.