Op het kruispunt van kunst en inclusie
Wanneer moedigde je voor het laatst iemand met een beperking aan om acteur, kunstenaar of theatermaker te worden? Het antwoord zegt veel over hoe we naar talent, ambitie en participatie kijken.
Ik ben Kwinten Van Heden, professioneel acteur, theatermaker en podcastmaker met een fysieke beperking. Al jaren beweeg ik me op het kruispunt van kunst en inclusie. Ik weet hoe belangrijk het is om jezelf weerspiegeld te zien op een podium of scherm. Maar ik ken ook de drempels die kunstenaars met een beperking vandaag nog ervaren.
‘Ik weet hoe belangrijk het is om jezelf weerspiegeld te zien op een podium of scherm.’
Vanuit die persoonlijke en professionele ervaring voerde ik voor GRIP vzw een onderzoek naar de positie van kunstenaars met een beperking in de Vlaamse podiumkunsten en audiovisuele sector. Via literatuurstudie en tientallen gesprekken met kunstenaars, acteurs, programmatoren, regisseurs, kunstopleidingen en belangenorganisaties onderzocht ik hoe zij vandaag hun weg zoeken in een sector die inclusiever wil worden, maar daar nog lang niet altijd in slaagt.
Het probleem is niet de beperking, maar de norm
Wat mij tijdens die gesprekken het meest trof, was dat niemand het probleem nog ontkent. Integendeel. Over de grenzen van organisaties heen klinkt dezelfde analyse. Er is goede wil. Er zijn pioniers. Er zijn inspirerende voorbeelden. Maar de stap van goede intenties naar duurzame verandering blijft moeilijk.
‘Mensen met een beperking zijn niet onzichtbaar in de cultuursector omdat er te weinig talent is, maar omdat de sector hen nog steeds als uitzondering behandelt.’
Het is iets dat ik zelf ook herken. Als theatermaker merk ik hoe snel gesprekken over artistieke kwaliteiten verschuiven naar praktische bezorgdheden over mijn beperking. Tijdens mijn onderzoek hoorde ik gelijkaardige verhalen van kunstenaars, studenten en professionals uit het veld.
Daaruit groeide één duidelijke conclusie: mensen met een beperking zijn niet onzichtbaar in de cultuursector omdat er te weinig talent is, ze zijn onzichtbaar omdat de sector hen nog steeds als uitzondering behandelt.
Wie mag artistieke verhalen vertellen?
De cultuursector heeft de voorbije jaren grote stappen gezet op vlak van publiekswerking. Je ziet steeds vaker audiodescriptie, toegankelijke infrastructuur, prikkelarme initiatieven en begeleide bezoeken. Die evolutie verdient erkenning.
Maar die beweging naar meer inclusie vindt vaak enkel plaats vóór de schermen, niet erop of erachter. Veel van mijn gesprekspartners stipten dit aan. We investeren terecht in toegankelijkheid voor mensen met een beperking als publiek, maar veel minder in hun actieve deelname als maker, acteur, regisseur, scenarist, programmator of medewerker.
Daarachter schuilt de vraag: wie krijgt de kans om artistieke verhalen te vertellen? Toen ik sprak met actrice Mira Bryssinck wees ze erop dat kunstenaars met een beperking nog te vaak worden herleid tot hun beperking. Hun aanwezigheid wordt als bijzonder voorgesteld, terwijl hun artistieke praktijk net vraagt om als vanzelfsprekend onderdeel van het kunstenlandschap gezien te worden.
Hoopgevende voorbeelden blijven uitzonderingen
Die spanning zien we ook in de Vlaamse media. De voorbije jaren verschenen hoopgevende voorbeelden. Karl Meesters groeide uit tot een geliefde televisiepersoonlijkheid dankzij ‘Niks te zien’ op VRT1 en zijn deelname aan ‘Dancing with the Stars’ op VTM. Ook Jaimie Van Kerschaver, de acteur met het syndroom van Down uit ‘Nonkels’ kreeg zichtbaarheid in programma’s als ‘De Slimste Mens ter Wereld’ en ‘Kamp Jeroom’. Het is mooi om te zien dat hun beperking niet voortdurend het narratief bepaalt. Ze zijn in de eerste plaats presentator, deelnemer of acteur.
Een ander voorbeeld is de Netflix-serie ‘Blind Sherlock’, waarin de hoofdrol vertolkt wordt door Bart Kelchtermans, een acteur met een visuele beperking. De reeks toont hoe krachtig representatie kan zijn: niet de beperking staat centraal, maar het verhaal.
‘Niet de beperking staat centraal, maar het verhaal.’
Maar de aandacht die deze casting in Vlaanderen genereerde, zegt veel over de huidige stand van zaken. Dat het als opmerkelijk nieuws wordt beschouwd, toont hoe ongewoon inclusieve representatie vandaag nog steeds aanvoelt.
Dat deze voorbeelden zo vaak aangehaald worden als good practices, illustreert hoe uitzonderlijk dergelijke carrières zijn. En hoe beperkt de structurele vertegenwoordiging van mensen met een beperking in ons medialandschap is.
Sociale professionals als brugfiguren
Voor sociale professionals ligt hier een belangrijke opdracht. Als hulpverleners van mensen met een beperking, vangen ze al vroeg artistieke ambities op. Het is een bevoorrechte positie. Toch worden die ambities nog te weinig ernstig genomen.
Verschillende kunstopleidingen vertelden mij dat potentiële studenten met een beperking vaak al ontmoedigd zijn nog voor ze zich aanmelden. Niet omdat ze geen talent hebben, maar omdat ze jarenlang leerden dat bepaalde deuren voor hen gesloten blijven. Sommigen kregen expliciet te horen dat een artistieke opleiding “waarschijnlijk niets voor hen zou zijn”. Anderen geloofden het zelf al niet meer.
‘Relativeer artistieke dromen niet.’
Dat is problematisch. Want wie nooit de kans krijgt om zich artistiek te ontwikkelen, zal later ook minder zichtbaar zijn op podia, schermen en in culturele organisaties.
Sociale professionals kunnen dat patroon helpen doorbreken. Door artistieke dromen niet weg te relativeren. Door cultuur niet uitsluitend als vrijetijdsbesteding te beschouwen, maar ook als mogelijke opleiding, beroep of maatschappelijke bijdrage. Door mensen toe te leiden naar ateliers, kunstonderwijs, amateurkunsten, auditiekansen en professionele netwerken.
Dat vraagt een reflex om niet te vertrekken van beperkingen, maar van mogelijkheden, ook artistiek.
Het probleem is niet het lichaam, maar de norm
Veel organisaties die ik sprak, wezen op hetzelfde mechanisme: kunstenaars met een beperking botsen niet alleen op fysieke drempels, ze botsen vooral op onzichtbare normen. Een acteur die meer repetitietijd nodig heeft. Een kunstenaar die nood heeft aan rustmomenten. Een maker die anders communiceert. Een student die een niet-lineair traject aflegt.
‘Beperkingen zitten niet uitsluitend in het individu, maar ontstaan in de wisselwerking met de omgeving.’
Vaak wordt dat gezien als een afwijking van de norm. Maar wat als die norm zelf het probleem is? Grassroots initiatieven zoals ‘Cripping the space’ durven die norm in vraag stellen. Niet: hoe kunnen mensen met een beperking zich aanpassen aan bestaande structuren? Maar: hoe kunnen structuren veranderen zodat verschillende manieren van werken, bewegen en creëren mogelijk worden?
Beperkingen zitten niet uitsluitend in het individu, maar ontstaan in de wisselwerking met de omgeving. Dat perspectief heeft belangrijke gevolgen. Het verschuift de aandacht van individuele tekorten naar collectieve verantwoordelijkheid.
Niets over ons zonder ons
Eén uitspraak keerde tijdens mijn onderzoek voortdurend terug: “Niets over ons zonder ons.” Regisseurs, acteurs, programmatoren, opleidingshoofden en belangenorganisaties benadrukten dat inclusie onmogelijk wordt wanneer mensen met een beperking enkel onderwerp van gesprek blijven. Ze moeten mee aan tafel zitten. Niet alleen voor de camera of op het podium, maar ook in opleidingen, jury’s, adviesraden, redacties, beleidsgroepen en productieprocessen.
Mediarte, het sociaal fonds van de audiovisuele sector, formuleerde tijdens ons gesprek een duidelijke oproep. Wie inclusieve beeldvorming ernstig neemt, moet mensen met een beperking betrekken in alle fases van het creatieve proces. Niet alleen als acteur of eindgebruiker, maar ook als schrijver, adviseur, medewerker, coach of producent.
Die oproep hoorde ik ook bij cultuurhuizen zoals NTGent, De Singel en andere organisaties. Inclusie wordt pas duurzaam wanneer mensen met een beperking niet enkel uitgenodigd worden om achteraf feedback te geven, maar vanaf het begin mee vormgeven aan wat er gemaakt wordt.
Van individuele inspanningen naar structurele verandering
De grootste valkuil is denken dat inclusie gerealiseerd wordt door enkele uitzonderlijke succesverhalen. Ja, er zijn meer zichtbare rolmodellen dan tien jaar geleden. Ja, sommige cultuurhuizen, opleidingen en mediabedrijven zetten moedige stappen. Ja, het gesprek over validisme en representatie wordt vandaag veel explicieter gevoerd dan vroeger.
‘Het gaat over wie zichtbaar mag zijn in onze samenleving.’
Maar individuele voorbeelden veranderen het systeem niet. Daarom moeten sociale professionals verder kijken dan individuele ondersteuning. Zij bevinden zich op een unieke positie tussen burger, organisatie en beleid. Ze kunnen signalen verzamelen, partnerschappen aangaan met cultuurhuizen, artistieke ambities versterken, drempels zichtbaar maken en beleidsmakers wijzen op structurele uitsluitingsmechanismen.
Bovenal kunnen zij mee helpen bouwen aan een samenleving waarin cultuurparticipatie niet alleen gaat over aanwezig mogen zijn, maar ook over mee vorm mogen geven. Uiteindelijk gaat dit debat niet alleen over cultuur. Het gaat over wie zichtbaar mag zijn in onze samenleving. Over wie verhalen mag vertellen. Over wie als volwaardige burger wordt gezien. Over wie mag schitteren op een podium of voor de camera.
Een oproep om mee te dromen
Daarom wil ik eindigen met dezelfde vraag waarmee ik begon: wanneer moedigde u voor het laatst iemand met een beperking aan om acteur, kunstenaar of theatermaker te worden?
Misschien kwam het antwoord niet meteen. Misschien voelt die vraag zelfs een beetje ongemakkelijk. Maar in dat kleine moment van aarzeling schuilt een belangrijke oefening. Want hoe vaak zien we een persoon met een beperking spontaan als toekomstig kunstenaar, acteur, maker of verhalenverteller? En hoe vaak zien we eerst iemand die ondersteuning nodig heeft?
De kansen van kunstenaars met een beperking worden niet alleen bepaald op auditievloeren, in repetitiezalen of in theateropleidingen. Ze ontstaan veel eerder. In de verwachtingen die we van elkaar hebben. En in de dromen die we wel of niet durven aanmoedigen. Droom dus mee.



Reacties