Onbevangen het verschil maken

Vrijwilligers ondersteunen ex-gedetineerden

Mensen die de gevangenis verlaten, staan er vaak alleen voor. In Antwerpen steken vrijwilligers een handje toe om het leven opnieuw op gang te trekken. Een projectleider en vrijwilliger vertellen hoe ze ex-gedetineerden versterken.

ex-gedetineerden
©Simon Brass @flickr

Hoe kwamen jullie in dit project terecht?

Ilse Ielegems, projectleider: Na twintig jaar dak- en thuislozenwerk, was ik toe aan een nieuwe uitdaging. Die vond ik in ‘Brug Binnen Buiten’, een project van Centrum Algemeen Welzijnswerk Antwerpen. Samen met onderzoekers ontwikkelen we een praktijk waarin vrijwilligers aan de slag gaan met ex-gedetineerden.Van Dam, S. en Raeymaeckers, P. (2017), Brug Binnen Buiten. Inzetten op de ondersteuningsnoden van ex-gedetineerden door vrijwilligers, Antwerpen, Universiteit Antwerpen.Dat is echt pionierswerk.

“Ik wil snel voeling krijgen met de praktijk.”

Céline Van Tittelboom, vrijwilliger: Ik studeerde eerst toegepaste jeugdcriminologie op de hogeschool en vervolgens criminologische wetenschappen aan de universiteit. Binnenkort start ik een postgraduaat forensisch onderzoek. Ik zit dus veel in boeken. Ik miste het actief bezig zijn met mensen in moeilijke situaties. Als student wil ik graag snel voeling krijgen met de praktijk. Toen ik zag dat dit project op zoek was naar vrijwilligers, meldde ik me meteen aan. In september vorig jaar ben ik mee van start gegaan met de eerste vrijwilligersgroep. Voor mij was het een valse start: mijn eerste cliënten kwamen niet opdagen. Maar vanaf januari tot vandaag ben ik, met vallen en opstaan, aan de slag met dezelfde cliënt.

Wat doe je als vrijwilliger?

Céline: Als een 27-jarige gedetineerde ontslagen wordt uit de gevangenis, klaart de hemel niet meteen op. Ik luister naar zijn vragen en zorgen. We zoeken samen naar oplossingen. Hij is een gescheiden vader van drie kinderen. Met hen mag hij geen contact meer hebben. Zijn belangrijkste vraag is om dat contact te herstellen. Maar dat loopt heel moeilijk. Hij is ook werkloos en logeert wisselend bij familie en vrienden.

“We zoeken samen naar oplossingen.”

Waar ligt jouw ondersteunende rol?

Céline: Het is de bedoeling dat ik er in de eerste maanden na zijn ontslag ben voor hem. Onderzoek wijst uit dat een grote groep ex-gedetineerden hervalt omdat ze op dat moment niemand hebben die hun leven mee op de rails zet.Brosens, D., De Donder, L. en Verté, D. (2013), Hulp en dienstverlening gevangenis Antwerpen. Een onderzoek naar de behoeften van gedetineerden, Brussel, Vrije Universiteit Brussel.Die taak probeer ik als vrijwilliger op te nemen. Wat we aanpakken, hangt af van zijn initiatief. Als hij op zoek wil gaan naar werk, dan help ik hem bij het opmaken van een plan van aanpak en het leggen van de juiste contacten.

Waar spreken jullie af?

Céline: Dat hangt ervan. Bij goed weer in het park. Wil hij op zoek naar werk, dan hebben we een computer nodig. Dan stappen we naar een bibliotheek of de VDAB. Soms vinden we elkaar ook in een koffiehuis om samen zijn papieren door te nemen. Ik vind het niet goed om op een vaste plek af te spreken. Het is belangrijk dat hij verschillende plaatsen leert kennen: buurthuizen, culturele centra, bibliotheek… Daar liggen vaak ontmoetingskansen.

Hoe vaak zien jullie elkaar?

Céline: Er wordt verwacht dat we minstens vier uur per week beschikbaar zijn voor onze cliënt. Maar in de praktijk is dat soms meer. Dat hangt af van mijn agenda. In minder drukke studiemomenten zien we elkaar soms meerdere keren per week. We blijven ook in contact via de telefoon. We plannen samen afspraken waar hij vervolgens alleen naartoe gaat. Soms ga ik ook mee, afhankelijk van hoeveel tijd ik vrij kan maken. Als vrijwilliger ben ik niet permanent beschikbaar maar hij weet dat ik reageer zodra ik kan. Dat engagement is belangrijk om vertrouwen op te bouwen.

“Op de arbeidsmarkt botsen we tegen muren.”

Je gaat samen met je cliënt op zoek naar werk en huisvesting. Krijg je niet vaak het deksel op de neus?

Céline: Vooral op de arbeidsmarkt botsen we tegen muren. Hij is bijzonder gemotiveerd om aan de slag te gaan. We verstuurden tientallen sollicitatiebrieven. De respons was bedroevend. Dat frustreert mij. Ik heb het ook heel moeilijk met de wijze waarop de jeugdconsulent omgaat met zijn vraag om zijn kinderen te zien. Zij lijkt eerder mee te gaan in het verhaal van de moeder. Ik vind het aangrijpend dat hij zo weinig erkend wordt als vader.

Geeft dat vrijwilligerswerk jou iets terug?

Céline: Ik kom in contact met andere mensen, diensten en organisaties die ik van haar noch pluim kende. Ik stel vast dat je niet alleen aanklampend moet werken ten aanzien van je cliënt maar ook ten aanzien van diensten. Sommige organisaties moet je meerdere keren contacteren voor ze in beweging komen. Zonder mij zou het voor mijn cliënt niet in orde komen. Soms maak ik dus het verschil. Dat geeft me een goed gevoel. Ik leer ook beter omgaan met succes en mislukking. Want vaak volgen na een stap vooruit, weer twee stappen achteruit. Toch blijven we samen moed en energie vinden, vooral omdat mijn cliënt een doorbijter is. Dat geeft energie, ook in moeilijke situaties. Toch worstel ik op dit moment met machteloosheid. Mijn cliënt zit in een dip en mijdt contact. Nochtans zie ik welke stappen hij nog zou kunnen ondernemen. Maar het is zijn leven, dus moet ik even afwachten.

“Soms maak ik het verschil.”

Biedt dit vrijwilligerswerk voor alle ex-gedetineerden een meerwaarde?

Ilse: Mensen met een rijk netwerk en veel vaardigheden hebben deze ondersteuning niet nodig. Zij trekken hun plan. We zijn vooral een meerwaarde voor mensen die bij het verlaten van de gevangenis niet weten hoe ze hun leven opnieuw op gang kunnen trekken. Vaak is dat bij gebrek aan familie en vrienden die deze taak opnemen.

Om lijn in je leven te brengen, is het netwerk van familie en vrienden heel belangrijk?

Ilse: Vaak is een goede vriend of betrokken familielid belangrijker dan de juiste hulpverlener. In de mate van het mogelijke zetten we in op de netwerken van cliënten. Zij geven dikwijls zelf aan dat ze nieuwe mensen willen leren kennen en willen wegblijven van foute vrienden. Daarom gaan vrijwilligers mee op zoek naar hobbyclubs, sportclubs, vrijwilligerswerk… Dit is ook de reden waarom we vrijwilligers stimuleren om hun cliënt daar te ontmoeten.

Herstellen jullie ook contacten met bijvoorbeeld familie?

Ilse: Werken rond informele netwerken is moeilijk en intensief. Dit project mikt op een ondersteuning van maximum zes maanden. Dat is geen eeuwigheid. Het herstellen van informele sociale netwerken is vaak een werk van lange adem. Contacten die jarenlang verzuurd zijn, bouw je niet in één dag opnieuw op. Het gaat dikwijls over ernstige kwetsuren tussen mensen. Dit vraagt soms professionele expertise die onze vrijwilligers niet bezitten. Als cliënten hierrond meer intensief aan de slag willen gaan, dan verwijzen we hen door.

“Werken rond informele netwerken is moeilijk.”

Wat is de meerwaarde van het werken met vrijwilligers?

Ilse: Het geeft cliënten een heel ander gevoel te weten dat een medeburger je belangeloos ondersteunt. Zeker voor ex-gedetineerden die een stempel dragen, is dat een verrassende vaststelling. Bovendien hebben sommige cliënten al heel wat hulpverleners achter de kiezen. Die contacten verliepen niet altijd vlekkeloos. Hun vertrouwen in de hulpverlening staat soms op een laag pitje. Vrijwilligerswerk is een ongedwongen manier van samenwerken die nieuwe perspectieven opent.

Céline: Een vrijwilliger is geen specialist die sluitende antwoorden geeft. Die onwetendheid is een kracht van het vrijwilligerswerk. Onbevangenheid houdt vele deuren open. Dat kan maar werken omdat we ondersteund worden door flexibele sociale professionals. Naast deze ondersteuning geven ze ons de nodige vrijheid om dingen uit te proberen,  ook al zouden ze het misschien zelf anders doen.

De expertrol van de sociale professional kan een nadeel zijn?

Ilse: Vrijwilliger en cliënt delen vaak een gebrek aan gespecialiseerde kennis. Daardoor hebben ze een meer gelijkwaardige positie. Een sociale professional wordt vaak ervaren als een expert die alles weet. Hij geeft aan wat verder moet gebeuren. Dat werkt niet meteen drempelverlagend. Bovendien gaat die hulpverlener gebukt onder een hoge werkdruk die hij onder controle probeert te houden met een strak afsprakenmodel. Cliënten tonen daar vaak begrip voor, maar stellen zich toch de vraag of die professionals wel echt in hen geïnteresseerd zijn. Daarom confronteren vrijwilligers sociale professionals met rake vragen. Zijn we voldoende bereikbaar? Luisteren we nog onbevangen naar cliënten?

“Vrijwilligers confronteren professionals met rake vragen.”

Céline: Je zou mogen verwachten dat de arbeidsmarkt niet discrimineert, dat een hulpverlener in staat is om een situatie onbevooroordeeld te bekijken, dat iemand die de gevangenis verlaat geïnformeerd werd over het beschikbare hulpverleningsaanbod… Maar zo feilloos loopt het nu eenmaal niet in onze samenleving. Vrijwilligers zijn dan de uitgelezen bemiddelaars om daar corrigerend op te treden.

ex-gedetineerden
Projectleider Ilse (l.) en vrijwilliger Céline (r.)

Vrijwilliger en sociale professional vullen elkaar aan?

Céline: Ze hebben andere expertises en competenties. Als ik vaststel dat mijn cliënt kampt met ernstige psychische problemen, dan beschik ik als vrijwilliger niet over de competenties om hem goed te begeleiden. Op dat moment moet ik zorgen dat een professional ingeschakeld wordt. Daar kan je heel complementair met elkaar werken. Dat veronderstelt dat je als vrijwilliger je grenzen kent.

“Een vrijwilliger moet zijn grenzen kennen.”

Ilse: Dat element bespreek ik bij de opstart. Het voorbeeld dat ik dan geef is de vrijwilliger die bij een eerste bezoek aan zijn cliënt meteen botst op een berg van brieven en papieren. Je kan die samen rustig doornemen. Maar stel je vast dat er sprake is van een berg schulden of ingewikkelde juridische conflicten, dan moet je je daarin niet verder verdiepen. Doorverwijzen naar een schuldbemiddelaar is dan de boodschap.

Wat is de toverformule voor een succesvolle ploeg vrijwilligers?

Ilse: Je moet bij de selectie van je vrijwilligers goed weten wie en wat je wil. Onze vrijwilligers moeten zich kwetsbaar durven opstellen, mensen onbevooroordeeld benaderen, openstaan voor feedback… Daar leg je al de basis. Mensen die zich vastklampen aan een eigenzinnige visie, halen de selectierondes niet. Vrijwilligers die zeggen dat ze dit doen om zelf verder te groeien, hebben een streepje voor. Ik geloof niet in mensen die alleen maar willen geven. Ik vind het ook belangrijk om vrijwilligers duidelijk te maken dat perfectie niet bestaat. Ook vrijwilligers mogen fouten maken. Werken met ex-gedetineerden is voor iedereen een proces van vallen en opstaan, ook voor sociale professionals die de stiel onder de knie hebben. Voor sommige vrijwilligers is dat een geruststellende gedachte die ruimte geeft. Het creëert een openheid om twijfels en vragen met elkaar te bespreken.

“Ik word boos als vrijwilligers enkel ingezet worden om te bezuinigen.”

Ook vrijwilligers moeten ondersteund worden?

Ilse: Je schakelt vrijwilligers pas in als je een goede ondersteuning kan garanderen. Het is onverantwoord Céline en haar cliënt zonder enige steun het veld in te sturen. Zo doe ik als professional de eerste gesprekken in de gevangenis om een duidelijk beeld te krijgen van de situatie en de verwachtingen van de cliënt. Ook de koppeling aan een vrijwilliger gebeurt best door een professional. De ondersteuning van de vrijwilligersgroep is heel belangrijk. Dit doe ik onder andere door individuele coaching. Ik help hen bij gespreksvoering, het vinden van de juiste organisatie. Als het contact tussen vrijwilliger en begeleider moeilijk loopt, zal ik nieuwe ideeën aanreiken, de vrijwilliger een spiegel voorhouden of sturend tussenkomen. Bijkomend organiseer ik maandelijks supervisie in groep zodat we ervaringen kunnen delen en we van mekaar kunnen leren.

Vrijwilligers zijn veel meer dan goedkope werkkrachten?

Ilse: Ik word boos als vrijwilligers enkel ingezet worden om te bezuinigen. Op zich is er niks mis om spaarzaam om te springen met gemeenschapsmiddelen. Maar je werk moet doordacht en kwaliteitsvol blijven. Of het werk met vrijwilligers dan zoveel goedkoper is, moet nog blijken. Wij hebben een ploeg van veertien vrijwilligers. De meeste vrijwilligers kiezen ervoor om één cliënt op te volgen, uitzonderlijk twee.  Misschien zou ik als sociale professional wel meer dan veertien cliënten kunnen opvolgen. Het gaat hier dus niet over besparing, maar wel over het feit dat vrijwilligers een meerwaarde hebben.

Veertien ex-gedetineerden helpen, is dat geen druppel op een hete plaat?

Ilse: Elke persoon die beter geholpen wordt, is een meerwaarde. We zijn een pilootproject dat geflankeerd wordt door wetenschappelijk onderzoek. Alle wijzers staan in positieve richting. Dit project bewijst haar meerwaarde. We verwachten dat onze ervaringen ruimer verspreid raken. We hopen dus dat het een kans krijgt in heel Vlaanderen. Ik sta jaloers te kijken naar Schotland. Daar is deze manier van werken ingebouwd in het detentiebeleid. Bovendien zijn de vrijwilligers daar ex-gedetineerden. Dat blijkt heel goed te werken. Fantastisch toch?

Céline: Vooraleer je denkt aan inkapseling van een project in regulier beleid, moet je toch antwoorden vinden op die effectiviteitsvragen. Dat is niet eenvoudig. Succes mag je niet uitsluitend afmeten op recidive. Ook al belandt iemand opnieuw in de gevangenis, toch zijn er misschien processen op gang getrokken die later heel betekenisvol blijken.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen