Voorbij de jeugdhulp

Een frisse kijk op de toekomst

Twee insiders geven hun kijk op de jeugdhulp. Sabine Bourgeois is directeur van het Oranjehuis in Kortrijk, Luc Deneffe van De Wissel in Leuven. De twee organisaties zijn partners in het samenwerkingsverband CANO Vlaanderen. Sabine en Luc hebben een frisse, soms harde en bijwijlen utopische mening over hoe het anders moet. Maar ze geloven erin. En ze werken er elke dag hard aan.

jeugdhulp
Twee insiders met een frisse kijk op de toekomst van de jeugdhulp. © Unsplash / Oliver Cole

Integrale jeugdhulp

Sabine en Luc reageerden enthousiast op onze vraag voor een babbel over de toekomst van de jeugdhulp. En ook al past het stuk in een boek over integrale jeugdhulp, ze kregen de garantie dat wij niets zouden vragen over integrale jeugdhulp.

“Integrale jeugdhulp zijn processen en documenten.”

Luc: “Ik associeer integrale jeugdhulp vandaag vooral met processen en documenten. De basisprincipes in het decreet zijn nochtans supersterk. Het was een gedurfde keuze. Maar toen het systeem de bovenhand kreeg, haakte ik af. Dat is hypocriet van mij want er zijn natuurlijk andere mensen die het moeten opvolgen, ook binnen mijn organisatie.”

Sabine beaamt: “Het is wars van alle logica dat wij integrale jeugdhulp moesten uitvinden. Eigenlijk is dat de evidentie zelve: samen één gezin, één plan. De verhouding tussen praten over jongeren en met jongeren is onderweg compleet zoekgeraakt. Laten we het dus maar over de toekomst hebben. Dat is veel leuker.”

Wat is het eerste dat jullie te binnen schiet als het over ‘De toekomst van de jeugdhulp’ gaat?

Sabine: De jeugdhulp moet streven naar meer rechtvaardigheid. We moeten jongeren en hun context versterken en tegelijk strijd blijven voeren. Ik geef een voorbeeld. Als jongeren gaan samenwonen om de eenzaamheid te doorbreken, dan kan men hun leefloon inperken. Ik vind dat een heel moeilijke maatregel. Dat soort onrecht helpen keren, is een cruciale opdracht voor de jeugdhulp.

Dat vechten ontbreekt nu?

Sabine: De politieke en maatschappelijke bewogenheid ontbreekt nog. Nog te veel reduceren we in de jeugdhulp maatschappelijke problemen en onrecht tot gedragsproblemen van jongeren. Die gedragsproblemen ‘psychiatriseren’ we ook nog. Daar klopt iets niet.

“We moeten ambiëren dat de jeugdhulp wordt afgeschaft.”

Luc: Eigenlijk moeten we ambiëren dat de jeugdhulp wordt afgeschaft. Veel dingen noemen we nu hulp, terwijl het in feite gewoon over samenleven gaat. Door het te benoemen als hulp, zetten we het buiten de samenleving. We hebben dat zelf in de hand gewerkt met de term ‘bijzondere’ jeugdzorg. Hulp schept een hiërarchie, of je dat nu wil of niet. Je hebt mensen die helpen en mensen die hulp krijgen. Dat creëert afstand. Dat is zoals werkgevers en werknemers, twee clichébegrippen. Alsof iemand alleen neemt en de andere altijd geeft. Volgens mij is er altijd een geven en nemen. Als je hulp bekijkt als een recht dan plaats je het probleem niet bij de mens die hulp nodig heeft, maar bij de samenleving die onvoldoende zorg draagt voor zijn burgers.

Dat sluit aan bij het rechtenverhaal van het sociaal werk.

Luc: Als je jeugdhulp vertaalt naar rechten, spreek je niet meer over hulp, maar over elkaar helpen. Dat heb je een herbergzame samenleving. Veel situaties die we nu een probleem noemen, zouden zich dan niet voordoen.

Sabine: Binnen het Oranjehuis hebben we een aantal plekken die voor iedereen toegankelijk zijn, ook voor mensen die het moeilijk hebben of vastzitten. Wij zijn daar niet als hulpverleners, maar vooral als mens. En dan hoor je het verhaal van mensen en de vraag achter hun verhaal. We praten en luisteren hoe het in het leven gaat. We zijn nabij en kijken wat we met elkaar kunnen doen. Dat is voor mij echte rechtstreekse toegankelijkheid.

Jullie houden een sterk pleidooi voor een warme samenleving. Dat klinkt als een utopie. Gaat het niet net de andere kant op? Er is meer armoede, meer polarisering, meer individualisme.

Luc: Ik vind dat geen utopie. In Centrum Molenmoes, een van onze werkingen, komen veel verschillende mensen op bezoek. Bedrijfsleiders, leraars, vrijwilligers… Wat blijkt? Er zijn veel mensen die andere mensen willen helpen. Maar iedereen is zo hard bezig, dat er geen tijd is om te helpen. Stel dat al die mensen wat minder hard zouden werken en meer kunnen doen wat ze graag doen, dan zou er meer tijd zijn om andere mensen te helpen. De maatschappij zou een duurzame draai nemen. En de hulpverlening moet dan ook niet steeds om meer middelen vragen. Zijn onze ideeën zo utopisch? Mogen we gewoon even stilstaan bij de samenleving? Mensen steunen en helpen, geeft toch meer en een andere betekenis aan een mensenleven? Dit denken klinkt als een utopie omdat het gaat over een systeemverandering. Maar in het hart van veel mensen is dat denken al aanwezig.

“Ik geloof in de weg van de actie en de pragmatiek.”

Sabine: Ik zie dat niet zo groots hoor. Vorige week hebben we onze tanden bijna stukgebeten op een situatie van een jongen die van alles doet wat niet mag. Wij weten het niet meer, hij ook niet. Niemand kiest in alle vrijheid om zo destructief te zijn. Dan moet je het gesprek aangaan en aangeven dat je wil luisteren, van mens tot mens. Die jongen heeft expertise rond wat het is om gekwetst te zijn in de samenleving, in het gezin waar hij uitkomt. Hij kan mij dingen leren. Maar ik kan hem ook dingen leren. Dat bespreekbaar maken, de echte dialoog aangaan, opent deuren. Ook concrete acties brengen verandering. In onze regio zijn er een pak werkloze jongeren tussen 18 en 25 jaar. Er wordt dan een groot overleg georganiseerd, alle diensten zitten rond de tafel. Weet je wat? Als de stad vijf jonge gasten in dienst neemt, de scholen drie en wij ook, maakt dat voor een aantal jongeren al een verschil. En we zorgen voor opleiding en begeleiding op de werkvloer. Kan dat dan geen mooie start zijn voor die gasten?’ Ik geloof in de weg van de actie en de pragmatiek. Als je niets onderneemt, dan onderga je alles. Dus doe iets.

Hoe maken jullie deze ideeën concreet in de eigen organisatie?

Luc: Ik stel af en toe de vraag: ‘Stel dat jij een jongere bent en ze doen dat met jou? Of, stel dat het over je eigen kind gaat. Wat dan?’ Ik weet dat die redenering wordt afgedaan als onprofessioneel. Want een instelling is geen thuis, en als opvoeder ben je niet de ouder. Maar het is dit soort denken dat gezorgd heeft voor vervreemding. Wij houden een systeem in stand voor die ‘speciale’ jongeren, met als achterliggend idee dat ze anders zijn.

Sabine: Tijdens mijn opleiding heb ik lang gedacht dat mijn medestudenten ze allemaal op een rijtje hadden. Niemand was zoekende, blijkbaar hadden ze alle antwoorden. Ik niet. Pas later kwam ik erachter dat ook mijn medestudenten twijfelden. Toen ik mijn eerste stappen in de jeugdhulp zette, merkte ik dat die jongeren deels met dezelfde vragen worstelden als ik toen. Die waren niet anders. Dat was een belangrijke klik. Ik ontmoette jongeren die het niet wisten. Dat gaf me het gevoel dat ik iets van hen kon leren. Die verwondering heb ik vandaag nog. Ik hoop dat ik ze kan overbrengen op collega’s.

Sabine Bourgeois
Sabine Bourgeois

Waarop letten jullie bij nieuwe medewerkers?

Sabine: Aan sollicitanten vraag ik of er een steen in hun schoen zit. En dan kijken de meesten verbaasd. We hebben daar dan een gesprek over. Werken bij het Oranjehuis betekent dat je het gewoon moet zijn om te stappen met een steen in je schoen. Je moet naar je eigen uitdagingen durven kijken.

“Je moet de jongeren graag zien.”

Luc: Ik wil graag eens een vlieg zijn in de opvoederskamer. Dan kan ik horen hoe opvoeders over jongeren of hun ouders praten. En er mag best eens ‘geventileerd’ worden, dat kan. Maar als iemand zou praten over crapuul terwijl hij het over mensen heeft, dan is dat voor mij einde verhaal. Je moet de jongeren en ouders waarmee je werkt graag zien. Als je dat niet kan, moet je een andere job zoeken. Ik bewonder de mensen die we ontmoeten. Daar zitten veel schone mensen tussen.

Jullie pleiten allebei voor meer ervaringskennis. Ouders en jongeren betrekken bij het reilen en zeilen van de jeugdhulp.

Sabine: We moeten dringend een ander woord vinden voor ervaringsdeskundigen, want ervaringsdeskundig zijn we allemaal. Maar dit terzijde. Jeugdhulp zal pas goed zijn als ze mee gemaakt wordt door de mensen die hulp krijgen. We moeten kiezen voor meer participatie en het inzetten van ervaringsdeskundigen. Nog te vaak komen ervaringsdeskundigen niet verder dan een stage. Dan bedanken we hen voor hun inbreng, maar tewerkstelling komt er niet van. Dat moet radicaal anders. Neem ervaringswerkers in dienst en noem ze gewoon jeugdhulpwerkers zoals de anderen. Geef ze geen apart statuut. Laat hun inbreng van waarde zijn. Wij hebben een moeder die meewerkt. Zij zegt tegen mij: ‘Jij kent armoede niet.’ Ik kan dat alleen maar bevestigen. Maar ik kan daar niets aan doen. En zij kan er niets aan doen dat ze geen psycholoog geworden is. Laten we daarom intensief samenwerken.

“Onze werkingen zitten vol met ervaringskennis.”

Luc: Bij mij blijft dat wringen. Een ervaringsdeskundige in een team blijft altijd iemand die je erbij zet. Onze werkingen zitten vol met ervaringskennis. Al die gasten en hun ouders weten beter dan jij en ik wat jeugdhulp wel en niet kan zijn. Als ik zie waar die vandaan komen en wat die bereiken, dat is een spreidstand die ik of mijn kinderen nooit moesten overwinnen. Er zit zoveel wijsheid bij hen. Alleen luisteren we onvoldoende.

Is er dan zoveel afstand tussen jongeren en gezinnen aan de ene kant en professionals aan de andere kant?

Sabine: De mama waar ik het zonet over had, schakelen we in als gezinswerker. Tijdens de supervisie doet een begeleidster het verhaal van een kind dat van huis is weggelopen, in een kwaadheid op een zondagmiddag. Dat hoeft op zich geen drama te zijn. Mijn kinderen zijn in hun puberteit ook gaan lopen. Maar in de jeugdhulp problematiseren we dat bijna per definitie. Het zegt iets over onze kijk op professionaliteit. Ik vraag aan de ervaringswerker om haar reactie en zij antwoordt: ‘De mijne doet dat ook en dan roep ik, zijt ge weg, ok, om zes uur is ’t eten’. Ik vind dat een prima reactie, down to earth, die de zaak niet op de spits drijft.

Luc: Ik had onlangs een gesprek met een begeleidster, iemand die zeer gedreven is. Zij vertelt een heel intens zorgverhaal. Op een bepaald moment vertelt ze dat het kind om vier uur ’s middags een zak chips kreeg zodat het zou zwijgen. Ze zei dat ze daar mee zat, maar omdat er al zoveel andere dingen waren, had ze er niets over gezegd. Iemand anders reageerde: ‘In mijn vriendenkring krijgen er wel meer kinderen chips om vier uur. Maar omdat wij opvoeders zijn, moeten wij daar blijkbaar een mening over hebben. Bij onze vrienden zien we het gewoon niet.’

Sabine: Een gast uit een middenklasse-gezin duwt op school een andere jongen. Daar kwam een proces-verbaal van, gevolgd door een sociaal onderzoek. Die vrouw van de politie komt en excuseert zich onmiddellijk bij de moeder. Ze zegt: ‘Het is een formaliteit. Zoon niet thuis?’ Dat de mama zei dat hij gaan trainen was, vond ze een goed teken. ‘Hij is soms wel impulsief’, had de moeder nog gezegd. Maar dat ging ze niet opschrijven, gaf die politievrouw aan. Gebeurt hetzelfde in een gezin dat leeft in armoede, dan komt er een hele batterij hulpverlening op gang.

De onrechtvaardigheid zit dus in het systeem ingebakken. Jullie pleidooi voor meer politiserend werken is dan niet vreemd.

Sabine: Ik heb de indruk dat mensen met minder kansen, minder snel terecht komen in het aanbod van de jeugdhulp waar van mensen verwacht wordt dat ze zelf een vraag stellen. Onze ervaringswerker zei me ‘dat de middenklasse naar het rechtstreeks toegankelijk aanbod gaat’. De kwetsbare groepen passeren bij het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg. Maar sommige mensen zien het gewoon niet. Alle medewerkers van het Oranjehuis worden verantwoordelijk gehouden om dat onrecht bloot te leggen en daar iets mee te doen. Dat expliciteren moet altijd gebeuren.

Luc Deneffe

Luc: De onrechtvaardigheid komt bij ons binnenwaaien. We kunnen niet de andere kant opkijken. We moeten ons engageren bij Hart boven Hard of om het even wat. Ik begrijp niet dat hulpverleners op dit vlak wat achter blijven. De systeemfouten zijn ons bekend. We moeten meer doen dan signaleren, zelf ook ondernemen.

Kent de samenleving de verhalen niet?

Sabine: Na de lokale verkiezingen nodigen wij de nieuwe beleidsploeg uit. Ik vraag dan: ‘Jeugdhulp, wat is dat voor jullie?’ En dan antwoorden ze. Maar ik kan het niet laten om aan te vullen. Het gaat immers ook om jongeren of kinderen die in een auto wonen. En dan vallen ze compleet uit de lucht. Dat is heel vaak niet gekend.

“Meer geld is niet de oplossing voor de jeugdhulp.”

Luc: De jeugdhulp is een wereld apart, maar dat komt ook omdat we het apart hebben gezet. Misschien zijn er wel mensen gepasseerd aan het tentje van Jordy. Misschien dachten die dat ze niet moesten tussenkomen omdat daar toch diensten voor zijn. Maar als mens zou je evengoed kunnen gezegd hebben: ‘Dat is hier toch wel raar. Ik ga dat signaleren.’ Als ik iemand op straat zie liggen, ga ik altijd kijken hoe het gaat.

Wil dat zeggen dat meer geld voor de jeugdhulp niet de ultieme oplossing is?

Luc: Er is meer nodig in de bijzondere jeugdzorg en in de samenleving maar niet altijd in de vorm van meer geld of meer hulp. Meer van hetzelfde is niet de oplossing. Wel hebben we meer tijd nodig voor elkaar. Meer out-of-the-box denken. Mensen zijn goede wezens, daar ben ik rotsvast van overtuigd. In al die jaren dat ik directeur ben, heb ik mij maar twee keer afgevraagd of ouders hun kind wel graag zagen. En dan kan ik me nog vergist hebben. Bij alle anderen gaat het hoogstens over onmacht of niet kunnen, maar nooit over niet graag zien. Dat is een ongelooflijke kracht.

Sabine: Meer geld kan een alibi zijn om het tentje van Jordy voorbij te lopen. Dan moet je niet omkijken, want het is toch geregeld. Ik zeg al een tijd dat meer geld niet de oplossing is voor de jeugdhulp. Doe iets met de jongere die je weg kruist. Laat ons stoppen met jongeren naar elkaar te verwijzen. Met meer plaatsen wordt de carrousel groter. Dat is mijn vrees. Het aanbod creëert een vraag. 

Niet meer geld, wel meer buiten de lijntjes kleuren.

Luc: Goede begeleiders kleuren af en toe buiten de lijntjes. Jongeren onthouden dat. Voor hen maak je zo het verschil. Alleen moeten teams dat toelaten. Ik vind het super hoe we in de jeugdhulp als team verantwoordelijkheid delen. Dat was in de bankensector waar ik vandaan kom anders. Maar we zijn doorgeslagen in een teamtirannie: ‘Ik moet dat op het team voorleggen.’ Terwijl het soms echt over details gaat. Neem als begeleider je verantwoordelijkheid en durf beslissen. Over betekenisvolle zaken kan je later nog altijd een check doen bij collega’s.

“We moeten meer buiten de lijntjes kleuren.”

Sabine: Een jongen die de hele tijd kabaal maakte, mocht van een team niet meer mee aan tafel eten. Dat was de teambeslissing. Een begeleider laat hem op een bepaald moment toch aan tafel eten. In dat team zorgt dat uiteraard voor heel wat spanningen. Maar toch heeft de begeleider gelijk. We moeten absoluut meer buiten de lijntjes kleuren. Mensen gaan niet in de jeugdhulp werken om zich te laten kooien door regels. Je wordt ook geen leraar om jonge mensen van de school te gooien? Hetzelfde geldt voor jeugdrechters. Zij hopen iets te betekenen. Maar om iets te betekenen, moet je soms buiten de lijnen kleuren. Niets is onmogelijk. Midden de onmogelijkheid is er misschien wel een oplossing die we nog niet zien. Dat mag naïef klinken, maar ik geloof er wel in.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen