Sociaal werkers zijn experten van het dagelijks leven

Koen Hermans over het sociaal werk in Vlaanderen

Koen Hermans is professor sociaal werk aan de KU Leuven, trekker van de masteropleiding sociaal werk en sociaal beleid aan dezelfde universiteit en onderzoeker bij LUCAS en het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Hij is een graag geziene spreker op studiedagen. Hermans durft zich uit te spreken. Meteen de reden voor dit interview over de experten van het dagelijks leven, een beroepsvereniging, vermaatschappelijking, wachtlijsten en sociaalwerkonderzoek.

Mensen in de straat
© Bas Bogers

Hoe staat het sociaal werk in Vlaanderen er voor?

Sinds 2000 is het klassieke welzijnswerk in Vlaanderen enorm gegroeid. Dat is een succesverhaal. De laatste vijftien jaar kwamen er voortdurend middelen bij. Het welzijnswerk was nog nooit zo groot als vandaag. Hier en daar zijn er besparingen, maar al bij al beperkt. Absoluut niet te vergelijken met de afbouw in Groot-Brittannië of Nederland.

“Ik voel dat sociale mobiliteit wordt afgeremd.”

De welvaartstaat staat wel onder druk.

Klopt, niet zozeer het welzijnswerk, wel de welvaartstaat staat onder druk. Er wordt langs alle kanten aan gemorreld. Ik kan het niet hard maken, maar ik voel dat sociale mobiliteit wordt afgeremd. De klok wordt tien, vijftien jaar terug gedraaid. De middenklasse verkleint. De werkende armen, failliete zelfstandigen, mensen in een echtscheiding of met schulden en gepensioneerden verdwijnen uit de middenklasse. Opwaartse sociale mobiliteit duurt al snel één tot twee generaties. We zien daar nu nog niet het effect van, maar ik vrees dat we deze periode achteraf gaan beschouwen als kantelmoment.

Het sociaal werk in Vlaanderen is geënt op de idee dat de welvaartstaat heel wat verantwoordelijkheid op zich neemt.

Ik las vorige week een tekst van Piet Messiaen op de Canon Sociaal Werk. Waarom is het welzijnswerk in de jaren zeventig beginnen groeien? Men ontdekte dat mensen ook immateriële problemen hadden. Op die ‘nieuwe’ vragen rond relaties, zingeving, seksualiteit wilde het welzijnswerk een antwoord bieden. Nu verschuift dit terug. De welvaartstaat vangt niet meer alle materiële noden op. Er vallen gaten. Steeds meer cliënten vallen door de mazen van het net.

Sociaal werkers zien dat elke dag gebeuren. Ligt in het behartigen van de welvaartstaat een nieuwe opdracht voor het sociaal werk?

Sociaal werk heeft nog niet het juiste antwoord op deze evolutie. Ik zie momenteel drie bewegingen. Er zijn er die gewoon voortdoen en vooral focussen op het immateriële, de psychosociale begeleiding. Daarnaast is er een groep die meer middelen probeert te vergaren bij de overheid, maar in essentie ook hetzelfde blijft doen. Een derde groep zoekt naar nieuwe antwoorden. Daarin zijn er twee strekkingen. De activisten die zich quasi in de semi-illegaliteit plaatsen. Denk aan wat er gebeurt rond housing first en mensen met een precair verblijfstatuut in Gent. Ook elders in Vlaanderen wordt kraken door welzijnsorganisaties onder de radar gefaciliteerd. Daarnaast zie je een meer actiegerichte tegenbeweging ontstaan als Hart boven Hard.

“Ik geloof ik in de kracht van de welvaartstaat.”

Is dat voldoende vernieuwend? De activisten worden weggezet als radicaal links. Hart boven Hard doet denken aan de vredesbeweging uit de jaren tachtig. Maar die beweging heeft de raketten niet tegengehouden.

Vergeet niet dat heel wat klassiek sociaal werk ontstaan is vanuit dat activisme. Bovendien is er op lokaal niveau veel sociale innovatie, kleinschalige initiatieven van burgers. Het is daar dat nu pioniers aan de slag zijn. Ofwel bloedt dat dood, ofwel wordt het overgenomen door de overheid. Die zal dat financieren, institutionaliseren en nadien vastzetten. De vrije ruimte valt dan weg, maar heel wat ‘klassieke’ hulpverlening is zo ontstaan. Zelf geloof ik in de kracht van de welvaartstaat. Ik ben ervan overtuigd dat je met een structureel beleid op niveau van de welvaartstaat meer bereikt. Dat toont internationaal-vergelijkend onderzoek ook aan.

Laat sociaal werkers dan focussen op die welvaartstaat.

Het denken over grondrechten moet centraal staan. Dat betekent dat sociaal werkers die rechten en wetgeving moeten kennen en kunnen inzetten. Ik verwijs altijd naar artikel 1 en artikel 60 van de OCMW-wetgeving. Artikel 1 zegt dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan, dat iedereen recht heeft op maatschappelijke dienstverlening. Artikel 60 zegt dat dit ook via structureel werken, via publieke instellingen kan gerealiseerd worden. Sociaal werk gaat over het benutten van wetgeving, zowel op individueel cliëntniveau als op niveau van de samenleving. Maar wat zie ik? De opleidingen hebben net die rechtsvakken afgebouwd.

“Sociaal werkers zijn experten van het dagelijks leven.”

Sociaal werk klinkt dan als een zeer administratief beroep.

Dat is een negatieve lezing van wat het beroep echt is. Sociaal werkers zijn experten van het dagelijks leven. Ze functioneren dicht bij de leefwereld van mensen. Sociaal werkers moeten inspelen op wat mensen belangrijk vinden. En vaak zijn dat praktische dingen zoals papieren, administratie of ziekteverzekering. Papieren die in orde zijn, betekent rust in je hoofd. Nogal wat werkers hebben dat nooit het echte sociaal werk genoemd. Altijd kwam er achter dat ze ook nog andere dingen doen. Wat dan precies, bleef vaag. Geef de cliënt een duidelijkere stem in het verhaal. Vertrek van wat zij nodig hebben. Als cliënten vinden dat administratie belangrijk is, wie zijn wij dan om te zeggen dat dit maar iets klein is? Iemands mutualiteit in orde brengen, is immens belangrijk.

Eén van je stokpaardjes is structureel werken. Het is één van de kernopdrachten van het sociaal werk. Maar hoe doe je dat?

Sociaal werkers hebben te weinig zicht op hoe beleid gemaakt wordt. Beleidsmakers overtuig je met cijfers. En ik voel nog steeds veel terughoudendheid om dat spoor te kiezen. Ik blijf me verbazen over hoe weinig onderzoeksresultaten worden gebruikt om de signaalfunctie waar te maken, om te wegen op beleid. Maar het is een gedeelde verantwoordelijkheid. Onderzoekers moeten hun resultaten niet alleen in een onderzoeksrapport schrijven maar met het werkveld ook in dialoog gaan. Ik doe dat nu met de nulmeting rond dak- en thuisloosheid. Ik ga dit onderzoek in elke provincie aan het werkveld voorstellen. En dan zie je dat dit onderzoek onderbenut wordt. We stellen vast dat 80% van de thuislozen in de residentiële centra, dat zeggen hulpverleners zelf, daar niet op hun plaats zitten. Dat is hallucinant. In een andere sector zou de boel plat liggen. Die ‘sense of urgency’ lijkt te ontbreken in de thuislozenzorg, hoewel er hier en daar nieuwe, door housing first geïnspireerde initiatieven ontstaan.

“Beleidsmakers overtuig je met cijfers.”

In je rapport schuif je onder meer housing first als oplossing naar voor. Geef dak- en thuislozen eerst en vooral een (t)huis. Housing first werkt. Denemarken kiest ervoor om 2.000 daklozen onmiddellijk een woning te geven. Wat maakt dat dit in Vlaanderen moeilijk van de grond komt?

In Canada waren de steden met de meest uitgebreide residentiële sector het meest terughoudend om met housing first te starten. Dat zegt al iets. Nu, ook in Nederland is housing first een relatief marginaal verschijnsel. Het is dus niet zo dat wij het veel slechter doen dan andere landen. Maar het gaat over keuzes maken. Sociaal werk is niet per definitie goed en is bij momenten te weinig kritisch voor zichzelf. Ik sta daarvan te kijken. Ik zie dat terugkomen bij een aantal opiniestukken op Sociaal.Net. Die teneur van ‘Geef ons werkers voldoende vrijheid, dan komt het goed’ maakt me zenuwachtig. Vaak wordt naar de anderen gekeken. Het beleid begrijpt ons niet. De directie begrijpt ons niet. Als je dan de vraag terugwerpt, wordt het snel vaag. Dan komt men al snel uit bij het procesmatige van de job. Dan worden het buikgevoel en de intuïtie naar voor geschoven.

Van waar komt dat?

Ik denk dat dit te maken heeft met de valkuil van de therapeutisering van het beroep. Dat is iets wat we nog altijd niet aan de kant hebben kunnen schuiven. Je ziet dat in de opleiding. Het semi-therapeutisch denken, is sterk verankerd in een aantal van de strekkingen waarin jonge sociaal werkers worden opgeleid. Je kan een lijn trekken van systeemtheorie over contextuele hulpverlening naar empowerment. De drie grote dominante paradigma’s die we de afgelopen dertig jaar hebben gekend in het sociaal werk. Die worden in de praktijk – onterecht – herleid tot een één-op-één-verhaal tussen hulpverlener en cliënt.

Koen Hermans
Koen Hermans

Terug naar onderzoek. Het debat over evidence-based-werken lijkt stilgevallen.

Het debat over evidence-based-werken is een kans om onderzoek en praktijk dichter bij elkaar te brengen. Ik heb altijd gezegd dat het geen beweging mag worden waarbij onderzoekers per definitie het laatste woord hebben. Het moet interactieve kennisproductie zijn waar onderzoek en praktijk elkaar vinden. Housing first is een mooi voorbeeld. Dat is gegroeid vanuit de praktijk, opgestart door pioniers. Na een tijd hebben zij zelf de vraag naar onderzoek gesteld. Dat gebeurt in Vlaanderen te weinig. Evidence-based-werken is onmiddellijk herleid tot een stellingenstrijd. Wij tegen zij. Het is nog niet uitgegroeid tot het debat over de sterktes van het sociaal werk.

“Vermaatschappelijking is een januskop.”

Die polarisering zie je ook in het debat over vermaatschappelijking van zorg.

Vermaatschappelijking is een januskop. Vermaatschappelijking mag geen excuus worden om te besparen. Daar ben ik het volkomen mee eens. Vermaatschappelijking zal geld kosten, het is niet evident en niet gemakkelijk. Maar ik zie bij sociaal werkers toch veel vraagverlegenheid om het sociaal netwerk van cliënten te betrekken. We moeten de startvraag van vermaatschappelijking blijven zien. Kwetsbare mensen hebben het recht om deel te nemen aan de samenleving. Sociaal isolement is een groot probleem dat moeilijk doorbroken geraakt. De hulpverlening is nog teveel cliëntgericht en werkt te weinig contextgericht. Je kan dit niet opzij schuiven. In de gehandicaptensector zijn er nog steeds cliënten die enkel hun ouders hebben, misschien een broer of zus en een hulpverlener of instelling. Maar dat is het dan. Wat vinden mensen met een beperking belangrijk? Dat ze sociale steun vinden, een sociaal netwerk hebben. Laten we daarop inzetten.

De Nederlandse onderzoeker Gideon De Jong brak op een gastcollege aan de KU Leuven een lans voor Eigen Kracht-conferenties. Een methodiek om dat sociaal netwerk van cliënten te activeren.

Wat mij bij Eigen Kracht-conferenties opvalt is dat werkers vinden dat zo’n conferentie de privacy van een cliënt doorbreekt. Ze vinden dat een ethische brug te ver. Sociaal werkers kregen vroeger de kritiek dat ze zich bemoeiden. ‘Ze komen binnen en nemen de kinderen af’, dat was de teneur. Als reactie op dit paternalisme uit de jaren zestig, ontstond nadien de tendens naar meer afstand. Privacy werd belangrijker. Cliënten kwamen naar de spreekkamer. Ik denk dat heel wat van de kritiek op Eigen Kracht-conferenties daarmee te maken heeft.

Die terughoudendheid van het sociaal werk maakt dat sommige steden het sociaal werk voorbijsteken. Zij organiseren zelf hulpverlening. Zij gaan voorbij de voordeur.

Die zijn erop af gegaan. Zonder schroom. Al in 1993 schreef Jos van der Lans het boek ‘Naar een modern paternalisme’. Daarin schreef hij de methodiek van bemoeizorg neer. Hij duidde toen al dat als mensen geen hulpvraag stellen, dat niet wil zeggen dat ze geen hulp nodig hebben. Sociaal werk moet dat zorg-ethisch aanpakken, niet opdringen, wel aandringen. Het is een heel schoon boekje dat in Vlaanderen met Reach Out, twintig jaar later, navolging kreeg.

“Ik ben een groot pleitbezorger van een beroepsvereniging.”

Voor de positionering van het sociaal werk en het bewaken van de professionaliteit wordt soms gesproken over een beroepsvereniging.

Ik ben een groot pleitbezorger. Zo’n beroepsvereniging is een vorm van structureel werken. In Vlaanderen wordt welzijn- en gezondheidsbeleid gemaakt aan 1001 verschillende overlegtafels. Om te wegen moet je aan die tafels zitten. Wie zitten daar nu? Werkgevers, werknemers, overheid, politiek. We missen daar de stem van de sociale professional. Nee, de vakbonden nemen die rol nu niet op, dat is ook hun taak niet. Er is een groot verschil tussen de werknemer en de sociale professional. Hun belangen lopen niet altijd gelijk.

Kan je een voorbeeld geven waar een beroepsgroep het verschil maakt?

Het Federaal Kenniscentrum Gezondheidszorg (KCE) schreef drie jaar geleden een nota over het belang van casemanagement voor chronisch zieken. Het KCE suggereerde dat verpleegkundigen of maatschappelijk werkers het meest aangewezen waren om die rol op zich te nemen. In het debat daarna zie je dat de beroepsgroep van verpleegkundigen veel sterker staat. Zij zetten zich schrap en eisen dat casemanagement op. Zij manoeuvreren zich rond de tafel. Het sociaal werk blijft afwezig. Nog een voorbeeld. Er zijn nu banaba’sBachelor-na-bachelor.eerstelijnszorg waar het sociaal werk zijn plaats heeft moeten opeisen. Oorspronkelijk was het enkel bedoeld voor verpleegkundigen. Ik stel mij dan de vraag hoe dit komt. En dan moet ik terugdenken aan de voorbereiding van de eerstelijnsgezondheidsconferentie die Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen in 2010 organiseerde. Er waren een pak werkgroepen actief maar ook daar was het sociaal werk afwezig.Anita Cautaers schreef in Alert hierover een interessant opiniestuk.Zelfs de mutualiteiten en thuiszorg bleven lange tijd uit beeld. Wel werd het casemanagement al opgeëist door de beroepsgroep van verpleegkundigen. Kortom. In de manier waarop België beleid maakt, is een beroepsvereniging noodzakelijk.

“Een beroepsgroep mag geen defensief verhaal worden.”

Dan ga je ervan uit dat alle sociaal werkers hetzelfde denken?

Nee. Je moet als beroepsvereniging niet groot zijn om macht te hebben. Je moet geen 100% lidmaatschap hebben. Je moet er gewoon zijn. Internationaal blijkt dat slechts 20 tot 30% van de potentiële leden effectief lid zijn. Die vraag naar representativiteit is typisch voor het sociaal werk. We hebben schrik dat de afstand te groot wordt. Die bezorgdheid siert sociaal werkers maar het betekent dat je een achterstand hebt. In het machtsdenken verlies je terrein. Een beroepsgroep mag wel geen defensief verhaal worden want dan is het gedoemd om te mislukken. Je moet de deur openzetten, liefst in samenwerking met gebruikersorganisaties.

Bij het begin van het gesprek zei je dat welzijn veel extra middelen kreeg. Toch zijn er nog altijd wachtlijsten in de jeugdhulp, ouderenzorg, voor personen met een beperking. Hebben we de middelen verkeerd ingezet?

We weten weinig over de wachtlijsten. Ze zijn er en we weten plus minus hoe groot ze zijn. Maar de reële zorgnood van mensen op de wachtlijst kennen we niet. We moeten dus opletten met al te snelle conclusies. Ik weet ook niet of het geld verkeerd werd geïnvesteerd, misschien moet er gewoon nog meer geld komen. Kijk maar eens naar de wanverhouding qua budget tussen welzijn en gezondheid. Binnen de gezondheidszorg is er bovendien een compleet ongelijke verdeling tussen lichamelijke en geestelijke gezondheid. Ik denk dat daar al twee knopen zitten. Ik ben kritisch voor wat er in de gezondheidszorg gebeurt. En ik sta daarin niet alleen. Het rapport van het KCE over de ziekenhuisfinanciering is duidelijk. Het stelt ernstige vragen bij de hoge erelonen van specialisten, terwijl het om gemeenschapsmiddelen gaat. Men zegt dat we de topspecialisten kwijt zijn als we aan hun loon komen. Dat lijkt erg op het CEO-verhaal met de exuberante lonen. Er zullen dokters vertrekken, maar anderen komen dan wel boven water. Het maatschappelijk debat over die erelonen blijft heel erg moeilijk. Ook Maggy De Block gaat die discussie uit de weg.Luister naar het Radio1-debat over de ziekenhuisfinanciering.

“Ik ben kritisch voor wat er in de gezondheidszorg gebeurt.”

Toch sijpelt binnen de gezondheidszorg het kosteneffectiviteitsdebat door. Binnen welzijn is dat helemaal afwezig.

Het debat over kosteneffectiviteit gaan we teveel uit de weg. Evelien Demaerschalk heeft knap aangetoond wat een dakloze elk jaar kost aan de samenleving. Zij zet dit tegenover de kost van housing first die veel lager is. Dat is een mooie maar zeldzame studie. Dit debat wordt in de welzijnssector quasi niet gevoerd. In 2010, op de eerste European Social Work Conference, had een Britse professor het had over kosteneffectiviteit. Ik vond toen dat een economische benadering niet bij sociaal werk past. Hij antwoordde dat in tijden van schaarste kosteneffectiviteit een belangrijk issue is. Het sociaal werk moet aantonen dat wat het doet, werkt en ook goedkoper is. En goedkoper betekent dat je soms op korte termijn meer moet investeren voor een betere return op lange termijn. Maar we tonen dat niet aan. We zeggen zelfs dat sociaal werk niet in economische termen te vatten is, dat je van sociaal werk de opbrengst niet kan berekenen. Ik ben ervan overtuigd dat er meer mogelijk is.

Welke maatstaven hanteer je bij sociaal werk? Wanneer is een interventie geslaagd?

Dat is moeilijk. Binnen welzijn is er minder overeenstemming om het werken met één maat. Gezondheid heeft de QALY’s. Dat zegt iets over het aantal jaren dat je extra leeft bij een bepaalde behandeling. Op zich is dat ook eng, precies of het enige dat telt is een langer leven. De kosteneffectiviteit komt dan in beeld wanneer er geen extra return meer is, dat er bij een extra investering geen levenstijd meer bij komt. Dan heeft het geen zin meer om te investeren. Met het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin hebben we pogingen gedaan om dat gezondheidseconomisch denken te introduceren binnen welzijn. Maar ik geef toe. Het is een moeilijke oefening.

“Onderzoekers moeten meer oplossingsgericht zijn.”

Zo zijn we terug aanbeland bij het sociaalwerkonderzoek.

We zijn nog onvoldoende gevorderd in de onderzoeksagenda sociaal werk. We moeten daar echt stappen vooruit zetten. Er is in Vlaanderen teveel verbrokkeling. Er is veel onderzoek maar te weinig netwerkvorming. Bovendien is er veel onderliggende concurrentie. Dat speelt. Er zijn vormen van samenwerking maar we zijn ook concullega’s. Dat is soms zeer scherp. Vlaanderen is ook klein. Iedereen vist in dezelfde vijver. Bovendien zijn de middelen voor onderzoek in bijvoorbeeld Nederland veel groter, zelfs na de immense besparingen daar. Bij onze noorderburen financiert het werkveld een pak academische werkplaatsen. Hier is dat niet. Waarom kan een CAW niet één of twee stafmedewerkers laten doctoreren? Maar onderzoekers moeten ook meer oplossingsgericht zijn. Ik zie onderzoekers vaak afremmen, ze stellen dingen in vraag maar durven zich niet uitspreken. Vandaar mijn oproep. Spreek je uit over verschillende pistes, breng voor -en nadelen in beeld. Help die werkvloer beslissingen te schragen. Dan zal onderzoek daar wel landen.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen