We hebben een hoopvol verhaal

Peter Adriaenssens over misbruik in de hulpverlening

De hulpverlening is niet vrij van misbruik of seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dertien jaar geleden, ten tijde van Dutroux, publiceerde het Vlaams Welzijnsverbond hierover een ethisch advies. Kinderpsychiater Peter Adriaenssens was een van de betrokken experts. Sociaal.Net zocht hem op voor een stand van zaken.

© ID/ Fred Debrock

Als je terugblikt op dat advies, wat valt je dan op?

We hebben dat advies kunnen opmaken in een grote ruimdenkendheid. Er was natuurlijk de gevoeligheid rond het thema na de zaak Dutroux. Toch kon je toen zo’n advies publiceren zonder het voor te leggen aan justitie. Of zonder dat het langs alle kanten kritisch bekeken werd. De sfeer op dat ogenblik was: als men dat intern kan oplossen, dan heeft dat de voorkeur.

Zette dat de deur niet open voor doofpotoperaties?

Er is veel wantrouwen. Dat is wat het meest veranderd is. Door de veelheid aan dossiers die ondertussen naar boven kwamen in allerlei organisaties en maatschappelijke sectoren, ontstaat een zekere paranoia. Er is een publiek wantrouwen gegroeid naar leidinggevenden en organisaties. Zij moeten nu bijna eerst bewijzen dat de initiatieven die ze nemen niet dienen om onkiese zaakjes toe te dekken.

“Misbruik gebeurt in een context van geheimhouding.”

Het vertrouwen is zoek.

Dat is de prijs die we betalen voor de geheimhoudingsproblematiek. Seksueel misbruik gebeurt altijd in een context van geheimhouding. Als zo’n geheim openbreekt, dan vragen mensen zich af hoeveel onthullingen er nog zullen volgen. De tijd van blind vertrouwen in organisaties die het beste voorhebben met mensen, is voorbij. Het slaat nu over naar een automatisch wantrouwen. Dat merk je nog het best op sociale media. Daar wordt continu opgeworpen dat een minister, een beleidspersoon of organisatie gegarandeerd niet te vertrouwen is. En dat alles in een hele grove taal.

Daar kan je weinig weerwerk tegen bieden.

Absoluut. Ik vind dat moeilijk. Wij hebben als hulpverleners toch tientallen jaren geïnvesteerd in een zorgverlenende aanpak. Wat kunnen we doen voor slachtoffers? En wat kunnen we eventueel doen voor de daders? We slagen er op dit ogenblik niet in om dat over te brengen. De roep naar strenge straffen is veel groter geworden dan de roep om een goed zorgantwoord.

“De eerste reactie is telkens ontkenning.”

Misbruik komt in de hele samenleving voor.

Je hebt misbruik in de kerk, in de sport en aan de universiteit. Overigens, misbruik in gezinnen is ook een groot probleem. Maar het is dramatisch dat de eerste reactie er telkens een is van ontkenning. Het blijft een moeizaam proces om de ogen te openen voor dit onrecht. Toen we ons advies in 2004 formuleerden, vertrokken we van de erkenning dat seksueel grensoverschrijdend gedrag in de voorzieningen een realiteit is. We bepleitten toen al dat organisaties de moed moeten hebben om dit te onderkennen. Niemand is zonder dit probleem. We kuisen dus beter tijdig voor eigen deur. Laat ons de problemen oplossen en met een nieuwe lei beginnen.

Maar zo simpel is het wellicht niet?

Die lei wordt voortdurend opnieuw besmeurd. Organisaties ontwikkelen wel allerlei instrumenten, regels en protocollen, maar botsen opnieuw tegen situaties van grensoverschrijdend gedrag. Vaak oude toestanden die alsnog naar boven komen. Af en toe nog een actuele situatie. Hierdoor klaart die sfeer maar heel moeizaam op. Terwijl er zeker een daling is van het aantal situaties van seksueel misbruik.

“Het aantal nieuwe situaties van misbruik daalt.”

Er is dus wel degelijk iets veranderd?

Op 30 jaar tijd merken we in veel westerse landen een grote terugval in het aantal situaties van incest. De vaders van nu en mannen in het algemeen hebben veel beter dan de vorige generaties de les begrepen dat je zoiets niet doet. Daaraan merk je dat sensibilisering toch iets opbrengt. Ook bij organisaties die in ons land met jongeren of kwetsbare volwassenen werken, zie je dat. Daar worstelen we vandaag vooral met dossiers uit het verleden. Er zijn nog wel nieuwe situaties, maar het aantal is spectaculair gedaald.

Spelen veranderende ideeën over macht hierin mee?

De macht van de vader in een gezin was vroeger veel groter dan nu. De macht van de kerk, van instituties, van voorzieningen, de macht van de jeugdrechter… Het is helemaal anders dan zoveel jaar geleden. Het goede is dat er geen blind vertrouwen meer is, de nieuwe moeilijkheid is een goede invulling te vinden voor gezag.

Dat is toch een goede zaak?

Ja, maar daar vloeien weer nieuwe problemen uit voort. Denk maar aan de agent of de treinbegeleider die niet meer gerespecteerd wordt. Mensen die beginnen schelden in een restaurant als het eten hun niet aanstaat. We komen blijkbaar heel gemakkelijk in uitersten terecht. Veel mensen hebben zich generaties lang de kleine man gevoeld. Ze hebben zich slaafs gedragen ten opzichte van wie de macht heeft. Nu slaat die pendel naar de andere kant. Met als gevaar dat er helemaal geen hiërarchie meer aanvaard wordt. Kijk naar de moeilijkheden die leerkrachten op dit ogenblik hebben. Het is belangrijk dat we jongeren aanleren om de gulden middenweg te vinden. Het accepteren van gezag is moeilijk, maar hoort bij het leven.

“Het accepteren van gezag hoort bij het leven.”

Het oude verschil tussen gezag en macht?

Er is te lang alleen op macht gesteund. En waar macht heerst, ligt het risico van misbruik op de loer. Het verschil tussen macht en gezag werd vroeger te weinig beklemtoond. In het onderwijs of bij het samenleven in leefgroepen moeten we met gezag leren omgaan. Vanuit onze deskundigheid, niet vanuit macht. We moeten ondersteunen en tegelijk op een vriendelijke manier begrenzen. Maar dat laatste wordt snel verdacht gemaakt als een verglijden naar macht. Gezag is nodig om mensen goed te laten samenwerken en goede hulp te kunnen bieden aan wie het nodig heeft.

Maar de relatie tussen hulpverlener en hulpvrager blijft toch altijd ongelijk?

Die relatie is ongelijk, dat klopt. We mogen dat niet romantiseren maar in die ongelijke relatie moeten wij als hulpverlener de gevende zijn. Wij zijn verplicht om hierop door te denken. We moeten ons ervan bewust zijn dat er altijd iets mis kan lopen. Daar hebben we zo op gedrukt in ons ethisch advies. We adviseerden bijvoorbeeld om met je team te gaan samen zitten om één van de meest ernstige dingen waarmee je geconfronteerd kan worden als casus uit te werken in een rollenspel. Zo’n casus kan misbruik zijn door een opvoeder of tussen jongeren. Wat doe je in zo’n situatie? Je kan niet op alles voorbereid zijn, maar het valt me op dat er hulporganisaties zijn die alles nog moeten beginnen uitvinden op het ogenblik dat ze geconfronteerd worden met misbruik of grensoverschrijdend gedrag. Op dat vlak blijft het advies tot op vandaag gelden. Er zijn voorzieningen die de oefening gemaakt hebben, maar er zijn er die de kop nog steeds in het zand steken.

“Er kan altijd iets mislopen.”

Indertijd klonk ons pleidooi voor samenwerking tussen hulpverlening en justitie eerder utopisch. Hoe loopt dit nu?

Er is veel veranderd. In de eerste plaats zijn de mensen bij justitie beter opgeleid om met seksueel grensoverschrijdend gedrag om te gaan. Ze zijn zich ook bewuster van de problematiek. De kwaliteit van het verhoor is verbeterd. De benadering van slachtoffers is beter en gebeurt op een vriendelijker manier. Bovendien realiseerde men zich dat de hulpverlening ook een waardevolle bijdrage kan leveren inzake omgaan met grensoverschrijdend gedrag. Vooral sinds 2010 merken we een toename van het aantal convenanten waarbij justitie en hulpverlening samen in een project zitten. Eigenlijk heeft men aan beide kanten zijn wonden gelikt. Het was schokkend voor de zorgsector, dat men bepaalde zaken toch niet gezien heeft. Het was schokkend voor justitie wanneer zij en de hulpverlening tekort schoten. Beide partijen hebben zich ondertussen gerealiseerd dat ze niks winnen door zich tegenover elkaar te zetten.

Maar daar zijn toch wel heel wat jaren over gegaan.

We merken vandaag dat hulpverlening en justitie meer samen zoeken naar oplossingen, in het belang van elke betrokkene en elk vanuit een besef van de eigen plaats. De samenwerking loopt vlotter. In verhouding tot tien jaar geleden gaan dossiers sneller naar justitie. Tegelijk is justitie ook vragende partij naar de hulpverlening. Een mooie illustratie zijn de projecten van de centra voor intrafamiliaal geweld (Family Justice Centers) die in Vlaanderen opgang maken. Daar zit men samen in een ketenzorg om voor complexe dossiers het beste traject te ontwikkelen. Als we vandaag iets zouden veranderen aan de tekst van het advies van toen, dan zou het zeker hierover gaan.

“De samenwerking met justitie loopt vlotter.”

Ook op wetgevend vlak beweegt er veel.

Een belangrijke verandering is de verlenging van de verjaringstermijn. Ook de invulling van het beroepsgeheim is in beweging. Er wordt uitdrukkelijk verwacht dat hulpverleners hun beroepsgeheim als instrument in de relatie met hun cliënten kunnen hanteren. Maar tegelijk hebben ze een morele meldingsplicht indien ze niet voor de veiligheid van hun cliënten kunnen instaan of indien de betrokkene nog voor problemen zou kunnen zorgen. Dat is een belangrijke verandering, waar na lange discussie zelfs de orde der geneesheren zich bij aangesloten heeft. Nog maar eens een bewijs dat we in een zoekende samenleving zitten.

Hulpverleners zoeken naar goede manieren om met slachtoffers om te gaan. We merken dat jongeren, ondanks alles wat ze meegemaakt hebben, vaak toch heel veel veerkracht ontwikkelen. Is dat de sleutel?

We hebben steeds meer kennis over de impact van trauma’s. De kennis is de laatste tien jaar geëxplodeerd vanuit een kant die ik nooit verwacht had, het hersenonderzoek. Daarnaast wordt Ieder van ons geboren met een zekere aanleg tot veerkracht. Alleen is die aanleg bij een deel van de mensen meer uitgesproken dan bij andere. Drie kinderen uit hetzelfde gezin kunnen heel anders reageren op dezelfde ernstige toestanden die ze meemaken. Bij twee van hen is er op termijn alleen sprake van verdrietige herinneringen. Bij hen is er geen blijvende schadelijke impact op hun ontwikkeling. Bij één van de drie is die er wel. Die ondervond heel zware gevolgen, ondanks alles wat men geprobeerd heeft. Die kwam bijvoorbeeld al op jonge leeftijd in de jeugdpsychiatrie terecht waar men toch niet kon voorkomen dat het slecht afliep. Het roept heel wat bescheidenheid op van hulpverleningskant.

“Ieder wordt geboren met aanleg tot veerkracht.”

Dit klinkt nogal fatalistisch. Als het aan de hersenen ligt, dan kunnen we er als hulpverleners niets aan doen?

Dat is niet de juiste conclusie. We zien immers dat veel mensen met een traumatische achtergrond toch succesvol door het leven geraken. Veel meer dan men zou denken op basis van de theorie. Dat is hoopvol. We kunnen wel degelijk mensen helpen. Al zullen we dat soms moeten doen door hen te leren leven met een litteken. Als je hersenen genetisch minder kwetsbaar zijn, dan is dat mooi meegenomen. Maar tegelijk moeten we onderkennen dat niemand onkwetsbaar is.

Wat kunnen we nog doen?

We weten dat iedere volgehouden opvoedingsinspanning de netwerken in de hersenen versterkt, en de vaardigheden om te herstellen vergroot. Het leren kennen van voldoende veilige volwassenen die goed voor je zorgen, zorgt voor compensatie van de trauma’s en destructieve relaties. Quasi iedereen heeft in zijn jeugd iemand gekend die voor hem het verschil heeft gemaakt, een leraar, een leider van de jeugdbeweging… Als ik dat tijdens een lezing aan ouders vraag, gaan alle handen de lucht in. Maar hoeveel van die leraren of leiders zouden dat weten? Quasi niemand. Je moet dus niet altijd 25 therapiesessies gevolgd hebben. Soms maken mensen met drie zinnen het verschil in je leven. Iedere jongere is afhankelijk van de manier waarop anderen naar hem kijken. Het volstaat soms als een volwassene iets zegt in de trant van: “Je kan toch wel heel grappig uit de hoek komen. Je kan echt goed schrijven. Je zingt zo mooi. Wetenschappen is helemaal jouw ding.” Dit kan het begin zijn voor de jongere om zijn eigen weerbaarheidsdomein te ontdekken.

“Soms maken mensen met drie zinnen het verschil.”

Moeten hulpverleners hiermee niet systematischer aan de slag?

We weten dat veel mensen die in de zorg werken van binnenuit weten wat kinderverdriet is, wat het betekent om in je leven een heel pijnlijke of frustrerende ervaring mee te maken. Zij zitten in de weerbare groep. Wat ze daaruit geleerd hebben, kunnen ze meenemen in hun beroep. Wij hebben als hulpverlener daarin een hoopvol verhaal te vertellen.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen