Ik was dertien en zat opgesloten in Beernem

Instellingskind wordt hulpverlener

Sarah werd al jong een straat- en instellingskind. Op haar dertiende belandde ze in de gesloten meisjesinstelling van Beernem. Vandaag is ze trotse mama en werkt ze met chronische daklozen met ernstige verslavingsproblemen. “Ik? Een straffe madam? Zo had ik het nog niet bekeken.”

jeugdhulp
“Er zit een systeemfout in de jeugdhulp.” © Sociaal.Net / Lisa Develtere

Sarah, jij was al jong een straat- en instellingskind.

Ik groeide op in een gezin met verslaafde ouders. Toen ik zeven jaar was, konden ze niet meer voor mij zorgen. Ik kwam terecht in verschillende jeugdhulpvoorzieningen. Dat was een heel hobbelig parcours: van dagcentra weer naar huis en vervolgens naar verschillende residentiële voorzieningen. Mijn ouders hadden nog weinig zicht op mijn doen en laten. Soms was ik tijdens de weekends thuis, maar daar was geen toezicht of controle. Toen ik elf jaar was, stierf mijn vader aan een overdosis. Ik leefde lang met het gevoel dat hij gestorven was omdat hij drugs belangrijker vond dan mij. Ook ik experimenteerde als jonge tiener met drugs. Ik had thuis nooit iets anders gezien. Op school haakte ik heel snel af. Ik vertrok ’s ochtends wel vanuit de instelling naar school, maar ik kwam er zelden aan.

“Op school haakte ik heel snel af.”

Wat deed je dan?

Ik hing dag en nacht rond in de Antwerpse buurt ‘den Dam’. Ik was de piepjonge en grofgebekte meeloper in een groep van oudere vrienden, veelal twintigers. Omdat ik geen thuis meer had, ontwikkelde ik mijn identiteit op straat. Mijn vrienden waren levensbelangrijk. Als twaalfjarige lapte ik alle regels aan mijn laars. Ik denk dat mijn extreem gedrag niet alleen voortvloeide uit verwaarlozing, maar ook uit boosheid.

Vanwaar die boosheid?

Ik was het slachtoffer van de problemen van mijn ouders. Van jeugdhulpverleners kreeg ik geregeld te horen dat ik wel naar huis kon, maar dat mijn ouders niet in staat waren om voor mij te zorgen. Ik kon me redden, maar zat toch in de jeugdhulp. Mijn ouders worstelden met verslaving en depressie, maar waren thuis. Alle aandacht had moeten gaan naar een intensieve en aanklampende behandeling van hun problemen. Daar werd amper werk van gemaakt. Als geen enkele hulpverlener zich inzette om iets te veranderen aan mijn moeilijke thuissituatie, waarom moest ik dan moeite doen om binnen de lijntjes te kleuren?

“Ik was de piepjonge meeloper.”

Er was geen aandacht voor de problemen van jouw ouders. Dat bepaalde jouw leven?

Zolang ik ’s morgens naar school vertrok, was alles in orde. Ik werd nooit gewekt met een knuffel. Thuis moest ik zelf opstaan, in instellingen werd ik koel en afstandelijk gewekt. Ik kan me niet herinneren dat er in al die jaren één hulpverlener naast me kwam zitten om te achterhalen waarom ik me zo gedroeg. Niemand was geïnteresseerd in mijn interesses en gevoelens. Ik werd alleen maar gestraft voor mijn fout gedrag. Met mijn grote mond leek ik kil en harteloos, maar ik hunkerde naar warmte. Blijkbaar kon niemand dat doorprikken. Dat maakte me wel heel vroeg volwassen en zelfstandig. Veel te vroeg, wellicht. Ik ben nu zelf moeder van een zevenjarig kind. Ik kan me niet voorstellen dat hij moet opgroeien zonder warm nestje, omringd met zorg en aandacht.

“Ik werd nooit gewekt met een knuffel.”

Had je misschien pech met je begeleiders?

Ik vrees van niet. Als ik met leeftijds- en lotgenoten terugblik op die periode, dan delen we dezelfde ervaring. Hoe goed de bedoelingen van sommige jeugdhulpverleners ook zijn, er zit een systeemfout in de jeugdhulp. Er is te veel afstand en te weinig betrokkenheid. Zodra je de stempel van ‘onhandelbaar kind’ krijgt, verhuis je van begeleider naar begeleider en van voorziening naar voorziening. Ook deze kinderen snakken naar een vertrouwensband, maar ze krijgen niet de kans om die op te bouwen.

Is dat vandaag anders?

Het is goed dat jongeren met ervaring in de jeugdhulp getuigen. Ze tonen waar er echt dingen moeten veranderen. En ja, er verandert wat. Ik heb een kleiner broertje dat momenteel ook in een voorziening zit. Het doet me pijn dat hij niet in een warm ouderlijk nest opgroeit. Maar toch zie ik dat hij er goed ondersteund en begeleid wordt. Wij worden daar ook als familie meer actief bij betrokken.

“Goed dat jongeren met ervaring in de jeugdhulp getuigen.”

Hoe kwam je in de gesloten meisjesinstelling van Beernem terecht?

Doorheen mijn passages langs verschillende jeugdhulpvoorzieningen kreeg ik het etiket ‘onhandelbaar’. Ik raakte betrokken bij verschillende diefstallen van brommers en mijn dossier verhuisde naar de jeugdrechtbank. Mijn moeder was op de eerste zitting van de jeugdrechtbank aanwezig. Zij zei meteen tegen de jeugdrechter dat ze voor mij geen oplossing meer zag. Dat kwam heel hard aan. Ik was net dertien jaar geworden en kon niet meer terecht bij mijn moeder. Ik voelde me helemaal alleen op de wereld. Mijn moeder wou er wel zijn voor mij, maar ze kon het gewoonweg niet omdat ze verstrikt zat in haar eigen problemen. Dus botste ik als kind weeral op het feit dat niemand mijn moeders problemen aanpakte. Deze keer waren de gevolgen groot. De jeugdrechter besliste om mij drie maanden naar Beernem te sturen.

Dat was een traumatiserende ervaring.

Vandaag worstel ik nog altijd met de onrechtvaardigheid en de gevolgen van die beslissing. Ik was onhandelbaar door de onbehandelde problemen van mijn moeder. In Beernem kwam ik terecht tussen oudere meisjes die zware misdrijven op hun kerfstok hadden. Zelf had ik nog nooit gevochten. De eerste twee weken zette ik als benjamin nog een grote mond op. Maar die werd snel gesnoerd. We hadden allemaal hetzelfde uniform aan en de begeleiding was er heel streng. Ik was dertien jaar en zat opgesloten in een gevangenis. Ik was vooral heel bang. Onze kamers gingen ’s nachts op slot. Ik kreeg paniekaanvallen, krijste en klopte onophoudelijk op de deur. Maar er was niemand die kwam kijken. Ik kon dat wel plaatsen want ik zag oudere en extreem agressieve meisjes afgevoerd worden naar isoleercellen. Mijn gedrag viel dus nog best mee. We werden er allemaal benaderd als zware en gevaarlijke jeugddelinquenten. Die zaten er zeker, maar ik heb me zelf nooit zo gevoeld. Dat was heel verwarrend. Ik had hulp nodig. Ik zat daar echt niet op mijn plaats. Het was een kille omgeving terwijl we allemaal hunkerden naar warmte.

“Ik was vooral heel bang.”

Waren er ook lichtpuntjes?

In mijn leefgroep zat een meisje dat uit de pleegzorg kwam. We steunden elkaar. Ik heb ook goede herinneringen aan de psycholoog van Beernem. De meeste begeleiders hadden een West-Vlaams accent. Ik verstond hen niet. Door mijn Antwerps dialect werd ik vaak als onbeleefd en arrogant bestempeld, ook al was dat niet zo bedoeld. De psycholoog kwam ook uit het Antwerpse. Eindelijk had ik iemand die letterlijk en figuurlijk mijn taal sprak. Ik ontmoette voor het eerst in mijn leven een hulpverlener die me begreep en aan wie ik mijn verhaal kon toevertrouwen.

Hoe maakte hij het verschil?

Hij luisterde en maakte tijd voor mij. Hij ging mee op zoek naar de achterliggende oorzaken van mijn moeilijk gedrag. Hij gaf ook tips en adviezen om dat te veranderen. Hij liet me nadenken over de toekomst. Ik had nog nooit stilgestaan bij waar ik mezelf het volgende jaar terecht zag komen of wat ik met mijn leven wilde aanvangen. Ondanks de vele negatieve ervaringen, was Beernem toch een kantelperiode. Daar dacht ik voor het eerst na over mijn verleden en vooral over mijn toekomst.

“Beernem was een kantelperiode.”

Wat na Beernem?

Op de zitting bij de jeugdrechter om te bekijken hoe het nu verder moest, kwam mijn moeder niet opdagen. Ik kon nergens heen. Toen trad mijn oma op de voorgrond. Ze had het niet makkelijk. Toch bood zij aan om zich over mij te ontfermen. Ik woonde een tijdje bij haar. Daar voelde ik voor het eerst warmte, liefde en geborgenheid. Maar we botsten op een ander probleem. Mijn tien jaar jongere broertje kon niet meer thuis blijven wonen. Ik wou dat mijn oma meer ruimte kon maken om voor mijn broertje te zorgen en zocht een oplossing voor mezelf.

“Jonge kinderen horen niet thuis in een instelling.” © Sociaal.Net / Lisa Develtere

Waar ging je naartoe?

Ik trok als vijftienjarige in bij mijn vriendje, die toen eenentwintig was. Ook daar ben ik nog boos over. Officiële instanties gaven groen licht voor die vorm van samenwonen. Ze regelden dat binnen het statuut van pleegzorg. Ze waren blij dat er een oplossing was. Niemand vroeg zich af of dit wel de beste oplossing was voor mij. Mijn partner was alcoholverslaafd. Agressie en geweld waren de dagelijkse ingrediënten van onze relatie. Twee jaar later raakte ik zwanger en stond ik er opnieuw alleen voor.

“Ik trok als vijftienjarige in bij mijn vriendje.”

Maakte die baby de problemen nog groter?

De dag dat ik mama werd, besliste ik om mijn leven over een andere boeg te gooien. Hoe weinig bagage en hoeveel littekens ik ook had. Ik ben alleen gaan wonen, ging deeltijds werken in de horeca en ging weer naar school. De motivatie om mijn leven op orde te krijgen, kwam uit mezelf. Het was de enige weg om mijn kind een betere toekomst te geven.

Hoe had het helemaal anders kunnen lopen?

Mocht ik op jonge leeftijd terechtgekomen zijn in een pleeggezin in plaats van in een instelling, dan had mijn leven er waarschijnlijk heel anders uit gezien. Ik ben ervan overtuigd dat jonge kinderen niet thuishoren in een instelling. Ze voelen er niet de huiselijke warmte die op dat moment zo bepalend is. Pleegzorg is een veel betere oplossing. Toen ik binnen het pleegzorgstatuut bij mijn vriendje woonde, kreeg ik een hulpverlener van de pleegzorgdienst toegewezen. Van haar heb ik veel geleerd. Ze hielp me bij mijn administratie, leerde me voor mezelf opkomen en bekommerde zich ook over mijn broertje. Ik droom ervan om ooit pleegmama te worden.

“Ik droom ervan om ooit pleegmama te worden.”

Je ouders konden niet voor je zorgen. Was je er niet beter sneller weggehaald?

Sommige kinderen zijn het slachtoffer van een te groot vertrouwen in het ouderlijk gezag. Mijn situatie ontspoorde omdat er geen toezicht en opvoeding was. Dat gebeurde allemaal onder de ogen van hulpverleners die bij ons over de vloer kwamen. Ik begrijp dat men voorzichtig is om kinderen weg te halen bij hun ouders. Dat is een ingrijpende beslissing. Maar ik betaalde een zware prijs voor het feit dat er niks gebeurde. Iedereen gleed verder weg, waardoor op den duur niemand nog een oplossing zag. Was het dan zo moeilijk om me op jonge leeftijd op te vangen in een pleeggezin? Dan konden mijn ouders, eventueel met de nodige dwang, behandelprogramma’s volgen om intensief te werken aan hun problemen. Stap voor stap konden ze dan hun ouderlijke rol opnieuw opnemen. Er waren dus oplossingen en alternatieven.

Jij vindt in al die moeilijke ervaringen de kracht om het anders en beter te doen, terwijl iemand anders verder wegglijdt in die negatieve spiraal.

Ik werk nu in het Zorghostel, een woonvorm voor chronische daklozen met verslavingsproblemen. Tussen de cliënten zitten inderdaad jeugdvrienden. Ik zette mijn leven weer op de rails dankzij mijn zoontje. Ik werd jong mama en dat is mijn redding geweest. Door boos te blijven op mijn moeder, bij de pakken te blijven zitten en me te wentelen in zelfbeklag, bracht ik ook de toekomst van mijn kind in gevaar. Dat wilde ik niet. Ik moest me herpakken.

“Ik zette mijn leven weer op de rails dankzij mijn zoontje.”

Je moet het allemaal ook zelf kunnen overwinnen, met of zonder kind.

De kracht en het vertrouwen om die problemen de baas te kunnen, heb ik te danken aan mijn oma. Zij koos in moeilijke omstandigheden om zich toch over mij te ontfermen. Voor het eerst voelde ik een grenzeloos respect voor iemand. Ze had het niet breed. Toch offerde ze alles op om haar hopeloze kleindochter uit het slop te trekken. Dat lukte ook omdat ze me alleen maar liefde gaf. En geeft. Het is dus niet voor niks dat ik ook mijn oma ‘mama’ noem. Ook het gevoel dat iemand om me gaf, heeft mijn leven op een nieuw spoor gezet.

Welk spoor volg je nu?

Ik werd in het Zorghostel aangeworven als ervaringsdeskundige. Intussen volg ik vanuit het volwassenenonderwijs een driejarige opleiding in de verslavingszorg. Niet simpel, want ik heb door mijn chronisch spijbelen zo goed als geen schoolbanken gezien. Bovendien ben ik een alleenstaande mama die voltijds werkt. Ik gun mezelf dus de tijd en ruimte om die opleiding te spreiden over meerdere jaren. En natuurlijk slaat de twijfel en onzekerheid soms toe. Maar traag gaat ook. Ooit zal ik die studie afronden.

Kortom: je bent een straffe madam.

Zo had ik het nog niet bekeken. Ik zie heel wat mensen in mijn familie- en vriendenkring die de negatieve spiraal niet kunnen doorbreken. Ze blijven verstrikt in problemen zoals armoede, verslaving of tienerzwangerschappen. Maar ik besliste dat ik een diploma wilde halen en mijn zoon een beter leven zou geven. Waarom lukt mij dat wel? Misschien door mijn eigen kracht en positivisme. Ik ben fier op mijn zevenjarig zoontje. Hij doet het fantastisch op school en is een gelukkig kind dat zich thuis geborgen voelt.

“Positieve ervaringen geven me nog meer kracht.”

Kon je de breuk met je moeder herstellen?

Dankzij wederzijds begrip en uren praten, is mijn moeder mijn beste vriendin geworden. Zij drukte haar spijt uit over het feit dat ze niet de moeder kon zijn die ze wou zijn. Ik heb dat een plaats kunnen geven. Ik begrijp nu dat verslaving een ziekte is en geen keuze. Als ik ’s avonds moet werken, is mijn moeder bij me thuis en zorgt ze voor mijn zoontje. En ik bied haar de zorg die ze nog steeds nodig heeft. Intussen laat ze professionele hulp toe en heeft ze daar goede ervaringen mee. Al die positieve ervaringen geven me nog meer kracht. En het bevestigt dat ik meer ben dan de littekens van mijn verleden.

Jammer dat hulpverleners er niet in slaagden om die kwetsuren te voorkomen of te helpen helen?

Op dat vlak is mijn jonge leven vooral een aaneenschakeling van gemiste kansen. Daardoor heb ik tot op vandaag geen antwoord op de vraag waarom ik destijds zo’n onhandelbaar gedrag stelde, waarom ik hulpverleners op afstand hield of waarom ik koos voor die foute vriendengroep. In de hulpverlening ontmoette ik weinig mensen die mee op zoek gingen naar antwoorden. Die onbeantwoorde vragen draag ik met me mee. Ik had de stempel van onhandelbaar kind en daarmee was de kous af. Maar wil je vooruit geraken, dan mag je niet blijven hangen in dat gevoel. Je mag niet te lang stilstaan bij de gemiste kansen. Elke nieuwe kans grijpen, is de boodschap.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen