Frank Cuyt neemt afscheid van welzijnssector

Een loopbaan van veranderen, onderhandelen en verbinden

Het kwaliteitsbeleid in je organisatie, je verlofregeling of loon? Overheid, werkgevers- en werknemersorganisaties doen daarover hun zegje. Frank Cuyt was sinds mensenheugenis het trouwe boegbeeld van zo’n werkgeversorganisatie, het Vlaams Welzijnsverbond. Hij zag in die periode zowat alles en iedereen passeren. Zopas trok hij in de Guimardstraat de deur achter zich dicht. Sociaal.Net vorderde hem nog even op voor een gesprek waarin deze bevlogen werkgeversbons terugkijkt én vooruitblikt.

VlaamsWelzijnsverbond19052015

Flits ons eens terug naar het prille begin van jouw loopbaan.

Als jonge snaak koos ik begin jaren zeventig om in Gent orthopedagogie te studeren. Via die studie wou ik zo dicht mogelijk bij mensen en onze samenleving komen. Daar lag mijn hart. Met mijn diploma op zak, kon ik meteen als orthopedagoog aan de slag in de gehandicaptensector. Daar heb ik zowat alle watertjes doorzwommen. Ik coachte opvoeders en begeleidde de ombouw van residentieel naar ambulant werken. Wij waren toen de baanbrekers van begeleidingsvormen die vandaag evident zijn. In die tijd was een residentieel verblijf in de instelling de regel en thuisbegeleiding of zelfstandig wonen de uitzondering. Het was de tijd van de ‘total instititutions’. Welzijnswerk gebeurde vooral in een gesloten en beschermende context. Enkel op zondag was bezoek welkom. Geïnspireerd door de kritische jaren zestig voelden we aan dat kwetsbare mensen op die manier niet de beste kansen kregen. We experimenteerden met inclusief werken en eisten binnen de samenleving zelf een plaats op voor mensen met een handicap. Dat ging niet zonder slag of stoot, want zeker in de gehandicaptenzorg was er een beschermende en caritatieve cultuur.

Vermaatschappelijking van zorg bestaat dus al langer dan vandaag?

Natuurlijk. Ik herinner me Edith. Ze was dertig jaar en verbleef door haar matig mentaal handicap al van kindsbeen af in de zorg. Maar het was een gezonde, kloeke dame die graag haar mouwen opstroopte. Ze ging naar het atelier bij de ergotherapeuten en deed daar een aantal activiteiten. Maar ze botste op muren. Die braken we samen af. We lieten Edith drie dagen naar de witloofboer gaan. En als er geen witloof was, dan ging ze mee aardbeien plukken, een paar kilometers verderop. Edith bloeide helemaal open. Hetzelfde verhaal bij Erik, een matig mentaal gehandicapte man die over heel wat sociale vaardigheden beschikte. Een melkboer nam hem mee op ronde. Om de veertien dagen ging hij samen met vrijwilligers naar huidig voetbalkampioen ‘de Gantoise’ kijken. Hij voelde zich niet gelukkig op beschermde werkplaatsen, maar bloeide open in het gewone leven van de melkronde.

“Goede zorg kan niet zonder de inzet van de gemeenschap.”

Goed dus dat we ook vandaag blijven inzetten op die vermaatschappelijking?

Goede zorg kan niet zonder mantelzorgers, vrijwilligers en de inzet van de gemeenschap. Het zoeken naar dat evenwicht tussen professionele en niet-professionele zorg is een enorme uitdaging. Dat debat moeten we genuanceerd voeren en niet reduceren tot een louter besparingsoffensief. Edith en Erik bloeiden open door hen los te weken van de professionele zorg en hen sterker te omringen met vrijwilligers en mantelzorgers. Maar daar ligt niet altijd en voor iedereen dé oplossing. Zo ontmoet ik ook veel ouders van zwaar gehandicapte en zorgbehoevende kinderen. Ze maken zich zorgen over het feit dat hun kinderen het slachtoffer zullen worden van een afbouw van professionele zorg. Zelf komen ze handen te kort om die complexe zorg op te nemen. Die groep moeten we geruststellen met de boodschap dat professionele zorg voor hen onverkort overeind zal blijven.

Bij vermaatschappelijking toont de overheid zich niet alleen als een koele crisismanager. Heeft die genuanceerde kijk te maken met het feit dat je die overheid tijdens je loopbaan van binnenuit leerde kennen?

Eind jaren tachtig vroeg toenmalig welzijnsminister Jan Lenssens me om als raadgever deel uit te maken van zijn kabinet. Die ervaring kwam me later goed van pas. Ik maakte vanuit die overheidspositie de eerste witte woede mee, een heftige periode. Een sector die tot dan toe braaf in het spoor had gelopen, ging zwaar tekeer tegen het gevoerde beleid. Voor de Vlaamse overheid was dat even schrikken. Vooruitgang zou niet alleen komen vanuit technologische vernieuwing maar ook door een versterking van de zorg. Het is de verdienste van die eerste witte woede om dat politiek aan te kaarten en te verzilveren. Want daar ligt de basis van opeenvolgende sociale akkoorden die zorgden voor betere arbeidsvoorwaarden en meer professionalisering.

De lokroep van het middenveld was blijkbaar sterk. Na vier jaar kabinetswerk werd je begin jaren negentig directeur van het Vlaams Welzijnsverbond, de christelijke werkgeversorganisatie.

Een deel van het werk liep gewoon door want de sociale akkoorden volgden elkaar op. Die onderhandelde ik nu vanuit een werkgeversorganisatie. Samen met de vakbonden en de overheid hebben we mooie akkoorden uit de brand gesleept, al kostte ons dat soms vele nachtelijke uren. Veel is te danken aan de deskundigheid en het wederzijds vertrouwen rond de onderhandelingstafel. Het uitbreidingsbeleid werd realiteit, kwaliteit van zorg ging erop vooruit en ook de loon- en arbeidsvoorwaarden werden telkens gunstiger. Dat is tot op vandaag bepalend voor de competentie en slagkracht van de hele welzijnssector.

Maar dat comfortabel personeelsstatuut met tijdskrediet en rimpeldagen slaat vandaag gaten op de werkvloer.

Ik zie dat anders. Het is goed dat de welzijnssector loopbanen flexibel kan invullen. Wie bijvoorbeeld richting pensioen gaat, kan beslissen om dat op eigen tempo te doen via landingsbanen of rimpeldagen. Daardoor blijven mensen langer en met volle goesting aan de slag. In een sector waar veel handen nodig zijn, is dat geen overbodige luxe. Wij zien vooral dat dergelijke systemen in voorzieningen ingepast geraken, zonder grote organisatorische schade. Is dat een neverending story? Nee, het zou goed zijn om dat te evalueren. Ik roep de vakbond op om met open blik naar de verworvenheden van de sociale akkoorden te kijken. Ze moeten mensen ervan overtuigen dat, zonder aan hun fundamentele rechten te raken, er ook andere toepassingen van rimpeldagen mogelijk zijn. Toepassingen die de wend- en werkbaarheid van organisaties en haar werknemers ten goede komen.

“Ik roep de vakbond op om met open blik naar verworvenheden te kijken.”

Wat heeft al dat onderhandelen jou geleerd?

Het belang van verbindend werken. Sociaal overleg is slechts succesvol indien de verschillende partners bereid zijn het eigen belang te overstijgen. Ook al hebben werkgevers en werknemers uiteenlopende belangen, ze moeten vooral op zoek gaan naar wat hen verbindt. Zo worden ze een sterkere gesprekspartner ten aanzien van de overheid. Dat ‘water bij de wijn’-principe is de enige weg naar succes. Die ervaring nam ik ook mee bij de opstart van het Vlaams Welzijnsverbond. Daar bracht ik samen met mijn team en alle leden puzzelstukjes bij mekaar, door de krachten te bundelen over sectoren en disciplines heen. Dat is niet evident, want elk puzzelstuk vindt zichzelf belangrijk. Toch heb je iemand nodig die de hele puzzel legt door aan te duiden hoezeer die verschillende stukjes elkaar nodig hebben. Zo verbonden we vrijwilligerswerk, kinderopvang, de ondersteuning van personen met een handicap, jeugdhulp, gezinsondersteuning en preventie met elkaar.

Integrale jeugdhulp toont aan hoe moeilijk verbindend werken soms is.

En toch is er geen andere weg naar een kwaliteitsvolle zorg. Daarom zijn wij tot op vandaag een believer gebleven van integrale jeugdhulp. Het is onze verdomde plicht om samen verantwoordelijkheid op te nemen voor kwetsbare cliënten. Daar ligt een gedeelde taak voor werkveld en overheid. Naast instellingen en voorzieningen, roep ik dus ook alle administrateurs-generaal in welzijn en gezondheid op om de belangen van de eigen agentschappen te overstijgen. Doen ze dat niet, dan sterven beloftevolle processen die een integrale beweging versterken, een stille dood.

“We moeten samen verantwoordelijkheid opnemen voor kwetsbare cliënten.”

Voorspel je daarmee een verdere integratie tussen welzijn en gezondheid?

Ongetwijfeld, zeker nu de zesde staatshervorming het Vlaamse takenpakket rond gezondheid aandikt. Het is vooral vanuit cliëntniveau nuttig om die verbinding te leggen. Ik denk dan aan het op mekaar afstemmen van registratiesystemen voor huisartsen, verpleegkundigen, thuiszorgers en sociaal werkers. Minister Vandeurzen stelt momenteel alles in het werk om dat te faciliteren. Met verbazing kijk ik naar de superspecialisten in de ziekenhuizen. Veel van hen kunnen het zich permitteren om in een afgesloten operatiekwartier mensenlevens te redden. Dat is fantastisch, maar hoogtechnologische interventies volstaan niet om mensen gelukkig te maken. Het brede verband zien en dieperliggende oorzaken kunnen onderkennen, is niet zo evident bij die super gespecialiseerde geneeskunde. De eerstelijnsgezondheidszorg heeft dat veel meer in de vingers. Huisartsen bijvoorbeeld staan met beide voeten in de realiteit van hun patiënten. Samenwerking en verbinding met de welzijnssector is daar volop aan de gang. Kijk naar de wijkgezondheidscentra en groepspraktijken waar artsen samenwerken met sociaal werkers, verpleegkundigen en psychologen.

“Hoogtechnologische interventies volstaan niet om mensen gelukkig te maken.”

De vrees bestaat dat welzijn altijd het onderspit zal delven tegenover de dominante gezondheidszorg.

De vrees dat welzijnsactoren in het hoekje gedrumd worden door de gezagsvolle expertise van artsen is onterecht. Welzijnswerkers moeten assertief de meerwaarde van hun stiel tonen. Met vallen en opstaan zullen ze duidelijk maken dat ze complementair en dus onmisbaar zijn voor de ontwikkeling van een gezond en gelukkig leven.

Gaf je omwille van je geloof in dat verbindend werken ook Sociaal.Net een duw in de rug?

Tijden veranderen. Vroeger hadden we de twee vaktijdschriften ‘ALERT voor sociaal werk en politiek’ en het ‘Tijdschrift voor Welzijnswerk’, met elk een eigen ideologische inbedding. Destijds was dat te verantwoorden, maar vandaag moeten we die verzuiling achter ons laten. We moeten naar een tijdperk van ontzuiling en integratie. En we moeten niet flauw doen, het heeft ook een economische dimensie. Door de karige middelen samen te leggen, kunnen we een sterker product maken. In die context leek het me evident om mee te stappen in de vraag om de expertise van beide redacties in een modern online jasje te steken. Sociaal.Net werkt ontzuilend: een exponent van zijn tijd. Ik ben ervan overtuigd dat wij mekaar in het brede welzijns- en gezondheidslandschap de komende tien jaar verder zullen vinden. Ik moedig al mijn collega’s aan om daar verder over na te denken.

Ook in het landschap van werkgeversorganisaties?

Werkgeverschap is een specifieke materie. Ik durf me daarom niet wagen aan de voorspelling dat de verschillende organisaties binnen de social profit zullen opgaan in de intersectorale werkgeversorganisatie Verso. Bovendien zijn al die werkgeversfederaties een bontgekleurd en breed gezelschap. Maar als alle ontwikkelingen wijzen in de richting van verdere integratie en verbinding, waarom zouden enkele tenoren in het middenveld er dan niet over nadenken hoe ze tot meer synergie kunnen komen? Het Vlaams Welzijnsverbond haalt op sommige terreinen al de banden aan met SOM en Zorgnet Vlaanderen. Het is best mogelijk dat dit slechts de prille start is van een meer vergaande ontwikkeling.

Een andere ontwikkeling die vandaag in de lift zit, is het gebruikersperspectief. Cliënten en patiënten zitten mee aan de onderhandelingstafel, ze krijgen meer inspraak in hun begeleidingstraject.

Op dat vlak evolueert er inderdaad heel wat. Kijk naar kinderen en jongeren die lange tijd niet betrokken werden bij de beslissing en uitvoering van maatregelen die hen moesten beschermen. Het Decreet op de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp heeft daar terecht een fundamentele ommezwaai gerealiseerd. In de gehandicaptenzorg was die beweging al langer bezig. Ik vertelde al hoe ik begin jaren tachtig meewerkte aan de ontmanteling van het residentiële paradigma. Die ommekeer kwam niet uit de lucht gevallen. Ze vertrekt vanuit een perspectief op de persoon met een beperking als een evenwaardig medemens. Iemand die zelf beslissingen kan nemen om het eigen leven zo kwaliteitsvol mogelijk in te richten. Van op de eerste lijn stelde ik vast dat voorzieningen tijd en ruimte nodig om zich te organiseren volgens die nieuwe krijtlijnen. Instellingen zijn wendbaar, maar niet van de ene dag op de andere.

“Instellingen zijn wendbaar, maar niet van de ene dag op de andere.”

De overtuiging dat hulpverleners weten wat goed is voor hun cliënten, blijft dus hardnekkig overeind?

Dat geldt niet alleen voor de werkvloer. Ook de overheid rekent met vallen en opstaan af met dat idee. In de jaren tachtig klopten personen met een handicap op mijn deur van kabinetsmedewerker. Via projecten zelfstandig wonen wilden ze hun leven zelf organiseren. De onderhandelingen die daarop volgden, waren niet gemakkelijk. De overheid had het moeilijk om mensen met een handicap aan het roer te zetten van hun eigen project. Toch gaf de overheid groen licht, onder andere omdat die gebruikersgroep zich ondertussen beter georganiseerd had. Dat proces van organisatie en belangenvertegenwoordiging is alleen maar versterkt. Niet alleen in de gehandicaptenzorg, maar ook in de jeugdzorg, slachtofferhulp, gezondheidszorg en armoedebestrijding. We komen die gebruikers vandaag ook tegen in allerhande adviesraden en raadgevende comités. Hun invloed op beleidsplanning mag niet onderschat worden. Vaak hebben zij een doorslaggevende stem.

Dus, hoera voor persoonsvolgende financiering?

Net zoals bij vermaatschappelijking moeten we ook hier de nodige nuancering aan de dag leggen. Ik zie bijvoorbeeld mondige en gewiekste ouders van kinderen met een handicap die de krachten bundelen. Met een eigen budget zetten ze als volleerde ondernemers zelf initiatieven op touw. Ze onderhandelen om voor een goede prijs de meest passende zorg uit de brand te slepen. Die ontwikkeling zal zich doorzetten. We moeten daar als werkgeversorganisatie ook niet bang voor zijn. Maar wat met ouders en gebruikers die niet in dat plaatje passen? Ik ontmoet ouders met een zorgbehoevend kind die vooral ongerust zijn over die persoonsvolgende financiering: “Gaan wij nog voldoende middelen krijgen voor de zorg voor onze zwaar meervoudig gehandicapte dochter?” Ik heb er geen probleem mee om een warm pleidooi te houden voor persoonsvolgende financiering, maar het mag sommige mensen niet in de kou zetten of minder zorg geven dan ze vandaag krijgen.

Wat met de klachten van frontliniewerkers die versmacht worden door administratieve last en voortdurende beleidsvernieuwing? Zij zeggen geen tijd meer te hebben voor hun cliënten.

“Ik maak me zorgen over de kloof tussen basiswerkers en middenkader.”

We moeten die signalen ernstig nemen. Ik hoorde ze de laatste tien jaar vaak opborrelen. Medewerkers willen graag werken in innovatieve organisaties die up-to-date zijn. Toch zijn de noodkreten duidelijk. Ik maak me zorgen over de toenemende kloof tussen basiswerkers en middenkader. In Nederland waarschuwde Jos van der Lans al voor die verzakelijking. Ze leidt de aandacht af van de kerntaak van sociaal werk: het verschil maken voor de cliënt. Ook in Vlaanderen moeten we daar attent voor zijn. Heel wat directies zijn drie dagen per week op de baan om de belangen van hun voorziening te verdedigen of mee te zijn met de nieuwste beleidsontwikkelingen. Maar de terugkoppeling naar het uitvoerend niveau van de eigen organisatie blijft vaak achterwege. Mensen voelen zich niet meer betrokken en haken af. Wij hebben lang geloofd dat coaching en begeleiding ons zouden helpen om die kloof te dichten, maar dat klopt niet.

Wat is het alternatief?

Ondanks schaalvergroting en fusies kiezen sommige organisaties ervoor om het middenkader te saneren en begeleiders op de werkvloer meer verantwoordelijkheid te geven. Ik merk dat verantwoordelijken hun organisatie op een nieuw spoor zetten door zelfsturende teams op de rails te zetten. Denk maar aan teams in de jeugdhulp waar men residentieel én contextueel werk moet combineren in één team. Dat is niet evident want we verwachten van medewerkers dan bijzonder veel competenties en een veelzijdige inzetbaarheid. Daarom moeten ook opleidingen die ontwikkeling van nabij volgen.

“We hebben onvoldoende geïnvesteerd in de interculturalisering van onze sector.”

De zorgsector is nog steeds een witte sector.

Dat de witte sector ook letterlijk witte sector is gebleven, betreur ik. We hebben onvoldoende geïnvesteerd in de interculturalisering van onze sector. Wij doen jaarlijks een studie naar de personeelskengetallen en we stellen vast dat amper twee procent van de medewerkers een migratieachtergrond heeft. In de kinderopvang liggen de cijfers iets beter, zeker in de grootsteden, maar ook daar zijn ze niet schitterend. Ook in een Brusselse crèche is een verzorgende met een hoofddoek nog altijd een grote uitzondering. Telkens ik de kans kreeg, heb ik instellingen en voorzieningen hierop gewezen. Maar er verandert weinig. Eén van de redenen is dat wij een diplomagedreven personeelsbeleid voeren en dat de mensen met een migratieachtergrond niet steeds over de geschikte diploma’s beschikken. Maar we mogen die zwarte piet niet steeds naar de opleidingen schuiven. We moeten zelf kijken hoe we dat in eigen kring grondig kunnen aanpakken. We zullen dan vaststellen dat structuren en culturen in onze sector sterk geworteld zijn in een wit middenklasse-denken. We moeten daar dringend op ingrijpen.

Hoe doe je dat?

Bij het aanwerven van competente werkkrachten mogen kleur of achtergrond niet doorslaggevend zijn. We moeten andere criteria voorop durven stellen. Hebben we het over kwaliteit, dan zullen we op zoek moeten naar een nieuwe taal. Verbinden, bewogenheid en bevlogenheid zullen meer dan ooit bepalen welke sociaal werker het verschil maakt. Sommigen spreken over de gepassioneerde professional. Misschien is passie wel de juiste drijfveer om voor dit werk te kiezen. Ik denk dat zelfsturende teams kunnen helpen om die passie te behouden. Ook in de bedrijfssector zie je dat. Ook daar maakt passie het verschil.

Sommige doemdenkers voorspellen de afbraak van de verzorgingsstaat.

Ik stel inderdaad vast dat pleidooien in de richting van activering en responsabilisering aan kracht winnen. Om ze samen te vatten in twee trendy boutades: ‘Voor wat, hoort wat’ en ‘Eigen schuld, dikke bult.’ De solidariteit en generositeit die onze sector schragen, lijken af te brokkelen. Ik vind dat een eenzijdige lezing van de realiteit. Kijk naar het budget dat voor zorg vrijgemaakt wordt. Ook vandaag vecht minister Jo Vandeurzen voor onze sector door harde besparingen af te houden. Al wordt er gesnoeid, toch is er geen kaalslag zoals bijvoorbeeld in Nederland. Daar zijn in de zorg voor personen met een handicap ongeveer 15.000 banen gesneuveld. Om nog maar te zwijgen over de ouderenzorg of de jeugdzorg. Dat dit in Vlaanderen niet gebeurt, stelt mij optimistisch over het maatschappelijk draagvlak dat hier overeind blijft.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen