Hoe vroeger je tussenkomt, hoe beter

Centrum Integrale Gezinszorg begeleidt jonge gezinnen

Sociale professionals kijken soms verbaasd naar de lange geschiedenis van onbeantwoorde problemen van cliënten. Waarom werd niet veel vroeger ingegrepen? Centra voor Integrale Gezinszorg trekken aan die kar van vroegtijdige interventies in jonge gezinnen. Isabelle De Keyser is bevlogen coördinator van zo’n centrum. “Ook voor ongeboren kinderen maken wij het verschil.”

Centrum Integrale Gezinszorg
© ID / Filip Meutermans

Centra voor Integrale Gezinszorg zijn niet meteen de meest bekende diensten binnen jeugdhulp.

Vlaanderen kent zeven Centra voor Integrale Gezinszorg (CIG). De historische wortels van die centra liggen bij de huizen voor ongehuwde moeders. In het West-Vlaamse Klemskerke richtte een katholieke congregatie CIG Ten Anker op. Er werd gewerkt met jonge moeders die ongewenst zwanger waren. Abortus was geen optie. Na de begeleiding van de zwangerschap kwamen de baby’s vaak terecht in opvanggezinnen.

“Vlaanderen kent zeven Centra voor Integrale Gezinszorg.”

Intussen is er veel veranderd?

We evolueerden naar een pluralistische werking en vestigden ons ook in Oostende. Begin jaren negentig werd de meerderjarigheid verlaagd van 21 naar 18 jaar. Onze doelgroep werd nog jonger. De focus verschoof naar vroegtijdige hulpverlening bij problematische opvoedingssituaties, met bijzondere aandacht voor de moeder-kindrelatie. Het is onze opdracht om die kwetsbare jonge gezinnen opnieuw op de rails te krijgen. Vaak slepen die jonge mama’s een heel kluwen van problemen met zich mee. Maar de alarmbellen gaan pas rinkelen als ze zwanger zijn. Wij adviseren verwijzende instanties, bijvoorbeeld de jeugdrechtbankof het jonge en kwetsbare gezin klaar is om op eigen benen verder te kunnen.

Zo’n vragen beantwoord je niet lichtzinnig.

Zo’n ingrijpend advies formuleer je niet vanuit je buikgevoel. Je moet het krachtig en in samenspraak onderbouwen. Toen ik hier in 2009 als coördinator aan de slag ging, zag ik daar een grote uitdaging. In onze studio’s en leefgroepen gebeurde fantastische dingen. Maar het zicht op de gezinsdynamiek bleef troebel en we hielden te weinig rekening met het perspectief van het kind. Daarom moesten we dichterbij het gezin gaan staan. Vandaag komen ouders hier wonen en vertoeven ze dagelijks in de leefgroep. Dat is voor iedereen ingrijpend. Plots worden gezinnen geconfronteerd met ons, met andere gezinnen en met veel regels en structuren.

Wat doen jullie dan concreet?

We zetten ons midden in de leefwereld van zo’n gezin. We observeren en begeleiden bij het spelen, het koken, het eten… We kunnen uren mee op een speelmat of naast een wiegje zitten. We kijken naar de interactie tussen ouder en kind. Stimuleert de ouder het kind? Wie is er als de baby getroost moet worden? Soms ga ik ’s avonds naar huis en stel ik vast dat ik een belangrijk deel van de dag achter het fornuis, aan de keukentafel en op de speelmat vertoefde. Op die natuurlijke opvoedingsplaatsen voeren we onze kerntaak uit. Kinderen hebben ook huidhonger. Gaan ouders in op die natuurlijke behoefte? Dragen ze hun kind? Zoeken ze bij borst- of flesvoeding oogcontact?

“We werken rond identiteit en weerbaarheid.”

Maakt dat zo’n groot verschil voor de verdere ontwikkeling van het kind?

We werken rond identiteit en weerbaarheid. Als de blauwdruk van het kind goed zit, kan het zich redden in heel moeilijke omstandigheden. Dat nam ik mee uit een vroegere job. Ik werkte in oorlogsgebied in het Midden-Oosten. Plots verloren kinderen hun vader aan het oorlogsfront. Toch konden ze verder en bleven de lichtjes in hun ogen branden omdat ze een bijzondere vorm van weerbaarheid ontwikkeld hadden. Hier in Oostende groeien kinderen op waarvan mama of papa plots voor langere tijd moet opgenomen worden. Ook die kinderen moeten zich redden, vaak met schrale netwerken rond zich. Goed ouderschap legt de basis van zo’n weerbare kinderen.

Jullie werken vanuit een wetenschappelijk onderbouwd kader: Infant Mental Health.

Persoonlijke overtuiging en ervaring zijn onvoldoende als werkbasis. Je hebt ook een visie nodig die heldere taal, een werkbare leidraad en herkenbare doelstellingen aanreikt. Eerder toevallig belandden we in Leuven op een vorming rond Infant Mental Health. We voelden ons meteen aangetrokken. Deze visie focust op de relatie tussen ouder en kind. Dat sloot aan bij onze overtuiging dat daar onze kerntaak ligt. En bij moeilijke beslissingen wordt steeds de kaart getrokken van de ontwikkelingskansen van het kind. Intussen werken we zes jaar vanuit dat kader. Jongerenwelzijn schuift de Centra voor Integrale Gezinszorg naar voor als de pioniers van deze benadering.

“We vertrekken vanuit de goede intenties van ouders.”

Hier staat het kind centraal?

De meeste ouders zijn psychische zwaar belast, hebben een traumatisch verleden of overleven in armoede. Die problemen kunnen wij hier niet oplossen. Voor de behandeling van de ouderproblematiek werken we samen met de geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg of gehandicaptenzorg. Kinderen kunnen hier overdag verblijven, terwijl hun ouders buitenshuis aan hun problemen werken. Uit die begeleidingen halen we de elementen die wij nodig hebben. Als ouders de last van misbruik of verwaarlozing met zich meedragen, dan moeten ze dat hier kunnen uitdrukken. Want die beleving kleurt ook het eigen ouderschap in.

Centrum Integrale Gezinszorg
Isabelle De Keyser © ID /Filip Meutermans

Wat is goed ouderschap?

Goed ouderschap is een normatief begrip dat vertrekt vanuit een culturele invulling. Daar struikelen we vaak nog over, ook sociale professionals. We projecteren onze invulling van goed ouderschap op andere gezinnen. We storen ons aan oorbellen, tattoos, een gek kapsel en verbale uitschieters. Maar is dat ontoereikend ouderschap? Misschien is de hechting tussen dat kind en zijn ouders veel beter dan in het meest modale gezin. Het is niet onze opdracht om voorbeeldige keukenprinsen en -prinsesjes te fabriceren. We vertrekken van de goede intenties van ouders en zorgen voor ondersteuning om ze waar te maken.

Dat lijkt makkelijker gezegd dan gedaan.

We zijn ook allemaal ouder, met onze eigen kijk op ouderschap. Deze job drijft op emotionaliteit en betrokkenheid. Wij zitten dagelijks met onze neus op verbale agressie van ouders. We moeten dat laten gebeuren om in gesprek te kunnen gaan. Als we voortdurend corrigerend optreden, kunnen we niets opbouwen. Als we gedrag meteen bestempelen als slecht ouderschap, vertrekt samenwerking vanuit een veroordeling. Goede samenwerking vertrekt vanuit respect en empathie.

“Deze job drijft op emotionaliteit en betrokkenheid.”

Het is toch logisch dat de ene begeleider wel struikelt over verbaal geweld, terwijl de andere het op dat moment kan laten passeren?

Niet iedereen hoeft hier op dezelfde manier te reageren. Maar we moeten allemaal bekwaam zijn om samen in deze moeilijke situaties te gaan staan. Als team coachen we niet alleen de ouders maar ook elkaar. Door samen die zorg te delen, dragen we ook de verantwoordelijkheid over het traject van het gezin. Die verantwoordelijkheid is niet gering. Hier neemt de hulpverlener deel aan het hulpverleningsprogramma. Hij heeft een bepalende rol bij het slagen of mislukken ervan. Ik aanvaard niet dat ouder en kind uit elkaar gehaald worden door een gebrek aan professionaliteit.

Met de focus op goed ouderschap proberen jullie gezinnen bij elkaar te houden?

Bij gezinnen die opgenomen worden, schatten we in dat er op dat moment onvoldoende mogelijkheden zijn om goed ouderschap te ontwikkelen. Daarom zijn ze hier. We sleutelen mee aan goed ouderschap omdat het voorkomt dat kinderen in hun verder ontwikkelingsproces allerlei problemen ontwikkelen. Dat helpt ons om te beoordelen of het gezin samen verder kan. Dat is een existentieel vraagstuk, vandaar onze ingrijpende en aanklampende aanpak.

“De motiverende kracht van ouderschap is enorm.”

Aanvaarden ouders meteen dat jullie met hen aan de slag gaan?

Hoe moeilijk de situatie ook is, de motiverende kracht van ouderschap is enorm. Al is er vaak weerstand om externe begeleiding toe te laten, toch is er altijd die kracht van de relatie tussen ouder en kind. Ouders kunnen die intrinsieke motivatie niet altijd verwoorden. Maar ze is er wel. Met die krachtige band tussen ouder en kind gaan wij aan de slag. Ondanks alle twijfels en weerstand, zien wij hier jonge ouders vechten als leeuwen voor hun welpen.

Kan je de enorme angst van ouders voor plaatsing van hun kinderen begrijpen?

Dat is inderdaad de andere kant van dezelfde medaille. De intrinsieke motivatie geeft heel veel kracht, maar ook veel verdriet en wrok indien ouders hun rol niet volwaardig kunnen opnemen. Het is de kunst om die unieke ouder-kindrelatie als een positieve kracht te zien.

“We trekken altijd de kaart van het kind.”

Toch kunnen ouders en kinderen niet steeds bij elkaar blijven.

Als risico’s te groot zijn, trekken we altijd de kaart van het kind. Ouders weten dat van bij de start. We willen niet dat kinderen in onveilige leefomstandigheden moeten wachten tot hun ouders het leven weer op orde hebben. Vanzelfsprekend praten we daar doordacht en respectvol over. Ouders waarderen dat we niet het materiële, maar wel het geestelijke welzijn van hun kind centraal stellen. We hebben hier de ruimte om dat vertrouwen op te bouwen doorheen een lang en intensief traject van soms wel anderhalf jaar. Die vertrouwensband is nodig om te aanvaarden dat het in sommige situaties beter is dat het kind minstens tijdelijk elders opgroeit. We moeten onder ogen zien dat in uitzonderlijke gevallen de aanwezigheid van de ouders nefast is voor het kind. Dan is het de opdracht van hulpverlening om ervoor te zorgen dat die kinderen zich veilig kunnen hechten aan andere opvoedingsverantwoordelijken.

Als gezinnen hier vertrekken, zijn heel verschillende vervolgtrajecten mogelijk.

Voor de gezinnen die wij residentieel begeleiden, zal altijd vervolghulp nodig zijn. We kunnen samen op zoek gaan naar een woning en informele en formele netwerken opzetten rond het gezin, waardoor ze verder kunnen. Maar je kan ook werken in de richting van gedeelde zorg. Dan werken we bijvoorbeeld samen met tijdelijke opvang in een pleeggezin of bereiden we een definitieve plaatsing voor. In beide gevallen is onze begeleiding geslaagd. Sommige kleuters voer ik zelf naar een pleeggezin of een instelling, met het gevoel dat het in orde is zo. Die kindjes zijn klaar om zich door het leven te slagen. Ook dan is ons traject geslaagd.

“Elke geboorte creëert nieuwe kansen.”

Botsen jullie niet op een uitzichtloos generatieprobleem waarbij een problematische opvoedingscontext doorgegeven worden van ouder op kind?

Hier verblijven zwangere mama’s waarvan al drie kinderen geplaatst werden. Toch geloven wij dat elke geboorte nieuwe kansen creëert. Wij werken met ouders met ernstige verslavings- en psychische problemen, in de hoop dat de geboorte een kans is om opnieuw na te denken over de toekomst. We hebben dus niet graag dat een pasgeboren baby al meteen belast wordt met een gerechtelijk dossier. Het probleem ligt bij de ouders, niet bij het kind. Daar ligt ook de reden waarom we niet volledig geabsorbeerd willen worden door de persoonlijke en complexe problemen van ouders. Die krijgen wij hier niet opgelost en dus zal het kind altijd in de schaduw staan. En dan blijven nieuwe kansen onderbelicht.

Centrum Integrale Gezinszorg
© ID / Filip Meutermans

Toch is er weinig begrip voor zo’n mama die kiest voor een vierde kind.

Soms twijfel ik ook. Leidt onze manier van werken naar de beste oplossing? Bij zo’n geboorte hoort een intensieve begeleiding die de samenleving handenvol geld kost. Sommige mensen zouden liever onze deuren sluiten. Waarom mensen de kans geven om een vierde kind op de wereld te zetten waarvoor de samenleving vervolgens moet opdraaien? Toch moeten we onder ogen zien dat voor deze ouders elke nieuwe geboorte een nieuwe hoop is op een beter leven. We kunnen niet verwachten dat zij zichzelf beroven van die hoop. Hier ligt een belangrijke verantwoordelijkheid van de hulpverlening om hen op een positieve manier te begeleiden in dat proces. Dat mag ook confronterend zijn. Als we inschatten dat een kwetsbare mama misschien wel één kind zelfstandig kan opvoeden, maar geen twee, dan kaarten we dit bij haar aan. Het is onze taak om dat op een humane manier bespreekbaar te stellen, vanuit het nodige realisme, begrip en empathie. We slagen erin om binnen deze muren die sfeer te creëren. Verwijt of veroordeel niet, maar probeer te begrijpen.

“Probeer te begrijpen.”

Soms gaan jullie al aan de slag voordat het kind geboren is?

Sommige ongeboren kinderen zijn al zwaar belast. De mama is slachtoffer van familiaal geweld, is verslaafd of leeft onder chronische stress. Dat heeft impact op de baby in de buik. Hoe vroeger we aan de slag kunnen gaan, hoe beter. We zien hier liever een zwangere mama binnenkomen, dan een kleuter. We zorgen dat mama’s hier de ruimte krijgen om zich in alle rust voor te bereiden op het ouderschap. Velen zien we dan openbloeien. Die rust en veiligheid maakt dat baby’s zich beter ontwikkelen.

Vertrekt zo’n vroegtijdig ingrijpen niet vanuit overdreven wantrouwen? Ouders krijgen niet meer de kans om zelf in te staan voor opvoeding.

De ouders die hier komen, zitten verstrikt in een kluwen van problemen. Een zorgzame samenleving probeert daar zo snel mogelijk op in te grijpen. Zo’n vroegtijdige ingreep is verantwoord omdat we het ouderschap niet overnemen vanuit de overtuiging dat we het beter weten en kunnen. We gaan naast de ouders staan en maximaliseren hun ouderrol. Elk kind verblijft hier onder het ouderlijk gezag. Alles wat we doen, vertrekt vanuit het mandaat van de ouder. We vragen aan hen het mandaat om samen te werken, maar ook het mandaat om het even over te nemen als het hen niet meer lukt. Slechts in uitzonderlijke situaties waarin de integriteit van het kind bedreigd wordt, nemen wij het op eigen initiatief over.

“De jeugdhulp moet meer vertrekken vanuit de ouder-kindrelatie.”

Als die ouder-kindrelatie zo cruciaal is, waarom groeien in de jeugdhulp dan zo veel kinderen op in een instelling, ver weg van hun ouders?

Die vraag stellen we ons ook. De jeugdhulp moet veel meer vertrekken vanuit die ouder-kindrelatie. Kinderen worden geplaatst omwille van een probleem bij de ouders. Dat is een vorm van onrechtvaardigheid. Wij doen het anders. Bij ons zijn ouders en kinderen nog niet uit elkaar gehaald. Wij kunnen nog voluit werken vanuit de intrinsieke kracht van een gezinssituatie waar ouder en kind nog dicht bij elkaar staan. Eens kinderen geplaatst worden, knip je die band weg.

Toch hebben de zeven Centra voor Integrale Gezinszorg uiteindelijk maar een kleine plek binnen de jeugdhulp?

Het terrein beweegt in de richting van meer contextgericht werken. Verschillende voorzieningen vragen ons hoe zij meer en beter kunnen samenwerken met ouders. Maar er blijft schroom om in de vroege kinderjaren de focus te zetten op die ouder-kindrelatie. Te veel mensen, ook sociale professionals, zijn ervan overtuigd dat je in de eerste levensjaren niet het verschil kan maken. Onze praktijk maar ook wetenschappelijk onderzoek spreken dat tegen. Wat je investeert in kinderen tot drie jaar, verdien je verderop dik terug omdat je minder moet investeren in de meer complexe aanpak van problemen van tieners en jongvolwassenen.

Zit die neiging om problemen van ouders naar kinderen te schuiven, ingebakken in ons zorgsysteem?

Dat gaat veel breder dan de residentiële zorg. Neem voedingsproblemen, vlak na de geboorte. Borstvoeding lukt niet, dus adviseren eerstelijnszorgers om over te schakelen naar flesvoeding. Al snel heeft de baby last van reflux, dus wordt andere flesvoeding geprobeerd. Maar vaak ligt het probleem niet bij de baby, wel bij de ouders. De mama is gestresseerd, voelt zich niet goed in haar vel. De relatie loopt moeilijk, de schulden stapelen zich op… Toch stellen zorgverleners nieuwe flesvoeding voor. Want het is de baby dat niet wil eten, het is de peuter die niet wil slapen, het is de kleuter die niet op het potje wil, het is het zesjarig jongetje dat ADHD heeft. Soms kloppen kleuterscholen hier aan de deur voor informeel advies over het functioneren van een leerling. We gaan daar nooit op in omdat we geen zicht hebben op de ouder-kindrelatie. Dat is een rode draad doorheen Infant Mental Health: schuif het probleem niet naar het kind, maar kijk consequent naar de ouder-kindrelatie.

“Ons zorgsysteem moet sneller in actie komen.”

Ons zorgsysteem is kortzichtig?

Ons zorgsysteem moet sneller in actie komen. Niet om dwingend tussen te komen en ouders of kinderen te wijzen op hun fouten. Wel om de focus te zetten op de ouder-kindrelatie. Via hulp aan huis kan je die ondersteunen, zonder te veroordelen of te betuttelen. Verpleegkundigen van Kind en Gezin stellen vast dat sommige ouders een duwtje in de rug nodig hebben om hun goed ouderschap verder te versterken. Maar er staan vervolgens te weinig sociale professionals klaar om dan de handen uit de mouwen te steken, bijvoorbeeld door netwerken rond het gezin te mobiliseren.

Sociale professionals zijn toch niet de enigen die zo’n problematiek kunnen aanpakken?

Deze gezinnen zijn kwetsbaar omdat ze geen familie en vrienden hebben die in moeilijke situaties gaten dichten en crisissituaties opvangen. Een postnatale depressie is voor mij een heel ander verhaal dan voor een jonge, kwetsbare mama. Hier botst vermaatschappelijking van zorg op haar grenzen. Toch moet ook een Centrum voor Integrale Gezinszorg touwen blijven gooien naar de brede samenleving. Het werken vanuit gespecialiseerde jeugdhulp mag geen keurslijf worden.

“We spelen een bepalende rol in deze gezinnen.”

Wat doen jullie om die samenleving dichterbij te brengen?

In onze leefgroepen werken we bijvoorbeeld rond kindermassage en stressreductie. Het zou fantastisch zijn als we dat kunnen aanbieden voor alle jonge gezinnen uit de buurt. Ouders ondersteunen dan elkaar. Zo doorbreek je het stigma van de groep waarmee wij werken. Dat is de juiste strategie om dingen in beweging te brengen. Wij zijn slechts tijdelijke passanten. Uiteindelijk moeten deze gezinnen zich warm en veilig omringd voelen in de samenleving. Dat is een verre droom die je via kleine stappen in de microkosmos van gezin en buurt kan waarmaken.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen