Ik zie Dikke Freddy graag

25 jaar brieven aan hogerop

Dikke Freddy schrijft al 25 jaar brieven aan al wie hogerop staat. Soms is dat een minister, een andere keer de baas van zijn voedselbank. Zo’n zilveren jubileum vraagt niet alleen om een best of maar ook om een gesprek met auteur Erik Vlaminck: “Het verzet borrelt bij sociale professionals.”

Erik Vlaminck
Erik Vlaminck © Sociaal.Net / Lisa Develtere

Je bent voltijds schrijver van boeken en theaterstukken. Een jongensdroom?

Absoluut. Ik ben opgegroeid in Kapellen, toen nog een dorp ten noorden van Antwerpen. In het vierde leerjaar moesten wij van de meester opschrijven wat we later wilden worden. Bij mij stond op het briefje: schrijver of coureur. En al rijd ik nog altijd met een koersfiets, wielrenner als beroep heeft er nooit in gezeten.

“Mijn vader en grootvaders waren echte vertellers.”

Wat trok je als kleine jongen aan in dat schrijverschap?

Mijn vader en twee grootvaders waren echte vertellers. Ik zag als kind hoe zij daarmee bij mensen indruk maakten. Dat is blijven hangen. Na mijn middelbare school startte ik een lerarenopleiding. Ik ben regent Nederlands en geschiedenis, met als derde vak economie. Ik koos economie omdat ik anders godsdienst moest nemen. Al heb ik snel ontdekt dat ook economie een godsdienst is.

Als leraar heb je nooit gewerkt. Wel begon je te werken in een psychiatrisch centrum.

Mijn lief studeerde voor verpleegster. Zij deed stage in een psychiatrisch centrum van de Broeders van Liefde. Ze kwam met straffe verhalen naar huis. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid. Ik solliciteerde op mijn 21ste bij broeder-directeur. Omdat ik regent was, kon ik onmiddellijk beginnen. Een leraar stond gelijk aan een opvoeder. Ik vroeg hem wat hij precies verwachtte: “Zorg dat ik nooit nog iets van je hoor.” Dat was zijn antwoord. Ik vrees dat het anders is uitgedraaid. De jaren zeventig waren in de psychiatrie de Middeleeuwen. De broeders wisten dat ook. Ik was een jonge man die graag nieuwe dingen opzette en kreeg daar, tot mijn eigen verbazing, de kans voor. We begonnen met een dienst vrije tijd. Wij maakten theater met patiënten.

“De jaren zeventig waren in de psychiatrie de Middeleeuwen.”

Hoe lang heb je gewerkt bij de Broeders van Liefde?

Van 1975 tot 1984. Toen heb ik een project beschut wonen opgericht, heel bewust niet onder de vleugels van de psychiatrie. Mensen die leven binnen de muren van de psychiatrie blijven het stigma van psychiatrisch patiënt met zich meedragen. Ik wilde ook onder de koepel van de broeders uit.

Verzette je je toen tegen de psychiatrie?

In die tijd verbleven in psychiatrische centra heel wat patiënten die niet op hun plek zaten. Velen konden perfect in een eigen huis wonen. Voor die groep kwamen wij op. Binnen ons beschut wonen kwamen er nadien steeds meer thuislozen bij. Op zich waren die twee groepen vrij gelijklopend. Uiteindelijk gaat het over mensen die af en toe steun nodig hebben om overeind te blijven. De stempel die je daarop plakt, is bijzaak.

“Dikke Freddy is geboren toen ik straathoekwerker was.”

Je was een pionier.

Ik vind dat een groot woord. Ik deed wat ik goed kon: projecten opstarten en organiseren. Ik had nood aan collega’s die beter dan ik mensen konden begeleiden.

Je was ook nog straathoekwerker.

In 1990 zijn we in Antwerpen gestart met een project straathoekwerk. We waren één van de eerste in Vlaanderen. Dat straathoekwerk heb ik vier jaar lang gedaan. Mijn doelgroep waren oudere mannen met een drankprobleem. Eigenlijk is Dikke Freddy daar geboren. Die mannen waren een bron van inspiratie.

Is Dikke Freddy gebaseerd op één persoon?

Dikke Freddy is een samenraapsel van karaktertrekken van velen. Ik kende een dakloze die regelmatig brieven schreef aan de koning. Je moest daarop geen postzegel kleven en je kreeg altijd antwoord. Eén van mijn werkplekken als straathoekwerker was toen ook café ‘Het Nachtlicht’ op het Sint-Jansplein. Het was mijn inspiratie voor café ‘De Nachtegael’, later ‘De Nieuwe Nachtegael’, het stamcafé van Dikke Freddy.

“Café ‘Het Nachtlicht’ was een nachtopvang avant la lettre.”

Bestaat het café nog?

Het gebouw staat er nog maar het is geen café meer. In die tijd werden daklozen om 1 uur ’s nachts uit de metro gegooid. Ze kwamen dan richting ‘Het Nachtlicht’. Voor de prijs van een pint konden ze naar het toilet, hun hoofd op tafel leggen en slapen. Het café was een nachtopvang avant la lettre. Tegen 5 uur ’s morgens ging de metro terug open. De mannen vertrokken en in de plaats kwamen de prostituees die in de buurt tippelden. Hun shift zat er dan op. Dat was de bijzondere biotoop van Dikke Freddy.

Dikke Freddy
© Sociaal.Net / Lisa Develtere

Hoe zou jij Dikke Freddy omschrijven?

Dikke Freddy is een egoïst. Hij klaagt dingen aan, maar vaak om er zijn eigen profijt uit te halen. Ik zie hem graag maar hij kan soms ambetant zijn. Ik zou niet graag zijn begeleider zijn. Voor Dikke Freddy kan je nooit goed doen, hij zal altijd dwarsliggen. Ik heb zelf zo’n gasten gekend, en ik verwijt hen dat niet, maar je zal maar hun begeleider zijn.

Niet alle lezers hebben door dat Dikke Freddy een typetje is.

Door het succes van Sociaal.Net en het feit dat de brieven in De Standaard staan, bereikt Dikke Freddy nieuwe lezers. Ze hebben inderdaad niet allemaal door dat Dikke Freddy een karakter is, letterlijk en figuurlijk. Die herkennen het typetje niet. Met soms scherpe reacties tot gevolg.

“Dikke Freddy schopt tegen machthebbers.”

Veel van die nieuwe lezers vinden Dikke Freddy links. 

Ze vinden hem links omdat hij ageert tegen de huidige regering. Maar Dikke Freddy schopt tegen iedereen die macht heeft. Hij doet niet specifiek aan N-VA bashing wat soms verkondigd wordt. Dikke Freddy pakte ook al socialisten, groenen of katholieken aan. Alleen kreeg ik toen nooit verwijten.

Heb jij als schrijver zo’n typetje nodig om je mening te kunnen uiten?

Ik heb daar op voorhand nooit over nagedacht. Een gast die brieven schrijft naar hogerop, vond ik gewoon een leuk idee. Maar Dikke Freddy kan nu dingen zeggen en schrijven die voor Erik Vlaminck moeilijker liggen. Dikke Freddy is de nar. Dat is een figuur die al sinds de Middeleeuwen in onze literatuur zit. Het is de nar die de koning de waarheid zegt. En hij mag dat omdat het een nar is. Maar mijn mening sluipt natuurlijk wel binnen in de brieven.

“Dikke Freddy is de nar.”

Ging Dikke Freddy ooit over de schreef?

Ik heb er altijd goed op gelet dat Dikke Freddy niet racistisch is. Dat zou een brug te ver zijn. Ik toets mijn brieven ook wel eens af bij mensen in armoede, niet alleen om te zien of ze juist zijn maar ook om te bekijken of mijn humor hen niet te kijk zet. Want dat is het risico van humor. Je kan de bal misslaan.

Krijg je soms reactie?

Veel mensen laten me weten waarover Dikke Freddy dringend eens een brief moet schrijven. Maar meestal kan ik daar niets mee. Omdat het te particulier is, of het past niet bij Dikke Freddy. Ik moet het onderwerp voelen vooraleer ik er mee aan de slag kan. Ik krijg ook veel warme reacties van mensen die in armoede leven. Ik ga dikwijls voorlezen op allerhande manifestaties en bij armoedeverenigingen. Dikke Freddy is daar wel een figuur.

Zijn er ook politici die reageren?

Nog niet zo lang geleden reageerde staatssecretaris Philippe De Backer op een brief. Ik ben doorheen de jaren verschillende keren uitgenodigd door politici en studiediensten. Soms met resultaat. Een plezant voorbeeld is de BIG-kaart, wat staat voor ‘Beperkte Inkomens Genieters’. Een open deur voor Dikke Freddy. Alsof er iemand geniet van zijn beperkt inkomen. Met die BIG-kaart konden mensen in armoede in Antwerpen gratis of met korting naar de bibliotheek, theater of muziek. Maar zo’n kaart stigmatiseert mensen. Elke keer dat je ze bovenhaalt, weet iedereen dat je geen geld hebt. Dikke Freddy ging daartegen tekeer. Toenmalig Antwerps OCMW-voorzitter Monica De Coninck nodigde me daarop uit. En uiteindelijk verdween de BIG-kaart en kwam er de A-kaart. Elke Antwerpenaar heeft zo’n kaart op zak. Je krijgt reductie maar niemand weet waarom: Ben je Antwerpenaar? Een arme mens? Of werk je voor de stad? Het stigma van zo’n kaart is weg. Dikke Freddy heeft de A-kaart niet uitgevonden, maar heeft wel een duwtje gegeven.

“De ongelijkheid is groot.” 

Armoede is een belangrijk issue voor jou. 

Ik vind het gortig dat onze rijke samenleving toestaat dat er zoveel mensen uit de boot vallen. Ik denk dan in de eerste plaats aan alleenstaande moeders met kinderen. Het is een problematiek die ik in mijn columns niet kan aankaarten, hoe graag ik ook zou willen. Dikke Freddy weet daarover niets. Beleidsmakers moeten echt iets doen aan kinderarmoede. Elke kind verdient een gelijke kans. De realiteit is echter anders. Ik vrees alleen dat je geen verkiezingen wint met het thema armoede. Politici houden geen rekening met mensen in armoede. Die zijn niet mondig genoeg. Het is een cynische vaststelling.

Ben je met de brieven van Dikke Freddy op zoek naar maatschappelijke verandering?

Toch wel. Ik hoop dat een aantal lezers begrip krijgen voor sommige situaties waarin mensen zich bevinden. Maar ik wil ook dat beleidsmakers aandacht krijgen voor bepaalde problemen.

Is er een link tussen Dikke Freddy en je andere boeken.

Ik kan alleen maar schrijven over dingen die ik ken: mijn jeugd, mijn vakantiejob op de kermis, mijn werk in de psychiatrie en met daklozen. Mijn personages zijn gewone mensen. Dat interesseert me het meest. En over een gewone mens kan je evengoed een dramatisch verhaal maken als over iemand die speciaal is.

“Mijn personages zijn gewone mensen.” 

Hoe werkt zo’n brief concreet? Lees jij ’s morgens de krant en denk je dan: Hier zit een brief in?

De voorlaatste Dikke Freddy gaat over de pisbakken in Mechelen en dat had ik in de krant gelezen. Die pisbakken zijn urinoirs die ook bloembakken zijn. Dat is een 100% Dikke Freddy-verhaal. Die vindt dat ongelooflijk geestig om te staan pissen tegen iets dat vier leeflonen gekost heeft. Zo’n brief rolt er dan niet meteen uit. Ik denk dat mensen dat soms fout inschatten. Ik moet er een uur aan prutsen en dan wegleggen. Ik denk dat een brief zowat vier uur kost op vier dagen.

Ooit gedacht: Ik stop, het is op?

Eigenlijk niet. Ik heb wel dikwijls gedacht dat het niet zou blijven duren. Het verwondert mij dat dit 25 jaar blijft gaan, met succes. Dikke Freddy is populairder dan ooit. Zijn kracht is humor.

Wat is de beste brief die je schreef?

Eentje die blijft hangen, is de afscheidsbrief voor Willy Goeyvaerts. Dat was een dakloze die vorig jaar overleed. Dat vind ik echt een schone brief.

“Gebruikers krijgen in veel organisaties te weinig aandacht.”

25 jaar Dikke Freddy. Wat staat er te gebeuren?

Er verschijnt op 18 oktober een nieuwe bundeling: ‘Dikke Freddy in het zilver’. Deze best of begint met de allereerste brief ooit en eindigt met een brief aan de uitgever. Deze bundel stel ik dezelfde avond ook voor tijdens een avondvullend programma in CC Ter Dilft in Bornem, samen met Jan De Smet.

Zo lang ik je ken, breng jij consequent het gebruikersperspectief naar voor.

Het perspectief van gebruikers krijgt in veel organisaties te weinig aandacht. Hulpverlening organiseert zich nog altijd zo dat het werkbaar is voor hulpverleners. Men vraagt zich daarbij te weinig af wat het betekent voor gebruikers. Terwijl het omgekeerd zou moeten zijn.

Bovendien zie ik hulpverleners een jargon gebruiken dat voor andere mensen compleet Chinees is. Ik moet daar heel hard mee lachen, met al die managementtermen. Ook de sociaalwerkconferentie was in dat bedje ziek. Je schrijft dan zo’n brief aan de organisatoren, iedereen lacht daar hard mee, maar nadien gaat men terug over op de orde van de dag.

“Ik bewonder sociale professionals.”

Is de hulpverlening te veel met zichzelf bezig?

Ik heb een enorme bewondering voor mensen die dag in dag uit met hulpvragers aan de slag gaan. Dat zijn helden. Maar de samenleving vindt ze losers. Softies. Die hulpverlening gaat daar te veel in mee en gebruikt het jargon van experten en managers om zich op te blazen. Dat is zonde en onnodig. Hulpverleners moeten gewoon trots zijn op wat ze doen en de resultaten die ze bereiken.

Zie jij een tegenbeweging opkomen?

Toch wel. Ik heb het aanvoelen, het hing in de lucht op de sociaalwerkconferentie, dat er iets borrelt bij sociale professionals. Veel mensen zijn niet tevreden. Het was mijn teleurstelling van de conferentie dat wat in de lucht hing de kop werd ingedrukt door de opzet van de dag. Waarom komen al die hulpverleners maar ook leraars en verpleegkundigen niet in opstand? Waarom zeggen ze niet: vanaf morgen vullen wij geen formulieren meer in? We stoppen met registratie en evaluatie. Zouden die leerlingen en patiënten er slechter aan toe zijn? Als hulpverlener heb ik nooit enig contact moeten registreren. Wij deden ons ding. Sindsdien is de tijd die aan cliënten wordt besteed kleiner geworden. Stoppen met die brol!

Nog een laatste vraag. Heeft cultuur een plaats in hulpverlening?

Absoluut. Cultuur en kunst kunnen het verschil maken. Er is alleen te weinig methodiek rond. Ik geloof hard in het emanciperende effect om met mensen op stap te gaan, los van hun hulpverleningsverhaal. Door mensen theater te laten spelen, zetten ze soms stappen die je niet krijgt als je louter focust op het probleem. Ik heb met cliënten veel meer bereikt door samen naar de voetbal te gaan kijken dan door gesprekken te voeren over hun budget. Het gaat dus niet alleen over cultuur. Het gaat over de focus verleggen naar krachten, weg van het probleem. Samen met drie cliënten heb ik ooit de stap gezet naar een lokale biljartclub. Na al die jaren zijn er nog altijd twee die bij de club biljarten. Dat is toch geweldig.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen