Bas
‘Het Huis van de Depressies’, daar zit hij. Een vriendelijke psychiater, die ik verloren volg, legt me uit dat dat maar een bijnaam is. In deze afdeling verblijven mensen met angst- en stemmingsstoornissen.
De psychiater lacht met een meewarige blik, scheve trek rond zijn mond. Hij denkt dat ik een stagiaire ben en staat op het punt me binnen te laten in zijn kantoor. Maar daarvoor ben ik hier niet: “Ik ben hier voor Bas.” Hij kijkt me verwonderd aan, laat de deurklink los.
‘De psychiater denkt dat ik een stagiaire ben.’
Ik zie hem denken: “Zozo een jongedame, buiten het bezoekuur, voor Bas.” De radars in zijn hoofd draaien. Gespreksvoer voor de volgende sessie.
Lange mouwen
Bas ziet me vanuit de eetzaal en roept. Ik voel me onwennig en lach verlegen terug. De mensen met lege blikken, doelloze wandelingen, lange mouwen ondanks de drukkende warmte in de eetzaal. Ik kan er niet aan wennen. Niet dat ik deze mensen zwak vind. Zeker niet “Mij zal het nooit overkomen.”
Misschien is het omdat mensen op zo’n psychiatrische afdeling niets anders kunnen zijn dan zichzelf, op dat moment. Ook al zijn ze helemaal niet zichzelf, een schim of een ander personage. Maar de filters zijn weg. Er is geen sociale wenselijkheid, geen rem, geen bijsturing. Er zit geen energie meer in hun woorden. Of net te veel.
Rex
Bas begint meteen te praten. Dat hij hier veel beter zit dan in het vorig psychiatrisch ziekenhuis. Dat ze vaak groepstherapie hebben. Dat hij zich geen nummer voelt, maar een mens. Dat hij zijn beestje mist. Zijn beestje, da ’s Rex. Een Stafford van drie jaar oud.
“Daar kunnen we iets aan doen”, antwoord ik. “De auto staat voor de deur. We kunnen Rex gaan ophalen en een wandeling maken?”
‘Bas zit in het Huis van de Depressies. Rex is daar niet welkom.’
Hij glundert bij de gedachte aan dit weerzien. Rex en Bas sliepen altijd samen. Ze deden dat in de nachtopvang, op de plastic matrassen. Ze deden dat lekker warm samen in een slaapzak, in een tentje. Ze deden dat onder een deken in de auto. Ze leven samen. Maar nu niet. Want Bas zit in het Huis van de Depressies. Rex is daar niet welkom.
Voetbal
“Oké, nee eerlijk, de auto staat niet voor de deur. Ik ben verdwaald, da ’s hier groot, jong.” Zeg ik. Bas lacht. “Da’s oké, ik heb mijn wandelschoenen aan.”
We stappen nog net niet arm in arm naar buiten. De sfeer is luchtig en het weer zalig. We gaan Rex ophalen en wandelen een sportveld op. We praten over alles. Behalve zijn nieuwe thuis. Niet dat er een taboe rond hangt. Er is gewoon veel meer dan dat. Bas is veel meer dan dat.
We wandelen rond het voetbalveld. Zonder een woord over voetbal. We praten over de hypocrisie van de psychofarmaca, over de onkunde van ouders, en ja, toch over voetbal. Over onze gedeelde desinteresse erin. We gokken welke tuinen bij welke achtergevels horen, welke vuilnisbakken bij welke hekken. En geen van ons is psychiatrisch patiënt.
Rode pootjes
Rex loopt een tennisveld op, zijn pootjes kleuren rood van de gravelsteentjes. Trots komt hij aangelopen met een verdwaalde tennisbal. Hij trippelt voor ons met zijn rode pootjes, laat een spoor na. Af en toe stopt hij en kijkt achterom, om zeker te zijn dat de roedel samenblijft.
Bas lacht en kijkt vooruit. Voor de eerste keer in lange tijd.

Reacties [2]
Blijven schrijven en vooral blijven verhalen vertellen, Kaat!
lieve Kaat, ik duim mee voor Rex en Bas en voor een nieuw leven samen. ik dank je, Esther