Polarisatie en sociaal werk
Patrick Loobuyck is professor levensbeschouwing, ethiek en politieke filosofie aan de Universiteiten van Antwerpen en Gent. Hij verschijnt regelmatig in het publieke debat om zijn kennis en mening over allerhande maatschappelijke thema’s te delen. We ontmoeten hem op zijn denk-/zolderkamer boordevol boeken in Gent.
Reden voor ons gesprek: op 15 september is hij te gast op Lunch & Reflect in Brussel. Met deze lezingenreeks geven het Kenniscentrum Welzijn, Wonen, Zorg en Sterk Sociaal Werk Brussel een platform aan Brusselse terreinwerkers om samen stil te staan bij de snel veranderende wereld. Centraal in zijn lezing: polarisering en wij-zij-denken. Een thema waarover hij zopas ook een boek publiceerde.
Welke invloed heeft polarisering op het sociaal werk? Hoe komt het dat mensen zo snel vervallen in wij-zij-denken? Wat kunnen we ertegen doen? Geen makkelijke thema’s. We beginnen dan ook met veel vragen aan ons gesprek.
Of we het nu willen of niet, we zijn allemaal wij-zij-denkers. De drang naar groepsvorming is diep geworteld in de menselijke natuur. Hoe komt dat?
Patrick: “Van nature zijn we groepswezens. We hebben de neiging om ons te binden aan een groep waar we ons geborgen en thuis voelen. Dat is een positieve eigenschap met een negatief kantje. De mensen die niet tot onze groep behoren, bekijken we minder positief: ze zijn minder slim, minder mooi, minder leuk.”
Je zegt dat groepsgevoel ervoor zorgt dat mensen zich thuis voelen. Hoe kunnen we mensen zich thuis laten voelen in een superdiverse samenleving?
“Er zijn verschillende strategieën. Om te beginnen is het belangrijk dat mensen met verschillende ervaringen, achtergronden, perspectieven of afkomst elkaar als gelijken ontmoeten en samen dingen ondernemen. Zo vallen heel wat vooroordelen weg en worden mensen solidair met elkaar, los van hun verschillen zoals afkomst of taal. Het beleid moet ervoor zorgen dat sociaal werk daarop kan inzetten.”
‘Soms moet je het systeem aanpassen zodat iedereen het gevoel krijgt erbij te horen.’
“Ook nationalisme kan een rol spelen. Nationalisme heeft de kracht om mensen uit te sluiten, maar kan ook verbindend werken. Mensen vinden herkenning in een gedeelde taal, bijvoorbeeld. Het is niet onbelangrijk om daar op in te zetten, onder andere door de inburgering van nieuwkomers. Ons samenlevingsmodel uitleggen en mensen de kans geven om zich te verhouden ten aanzien van die nieuwe samenleving waarin ze leven, vind ik elementaire beleefdheid.”
“Daarbij moet je ook op een slimme manier diversiteit erkennen om gemeenschapsgevoel bij mensen te creëren. Ik noem dat de multiculturele strategie. Veel mensen denken: ‘Wie wil integreren moet zich aanpassen’. Maar soms moet je het systeem aanpassen zodat iedereen het gevoel krijgt erbij te horen.”
“Ik geef graag het voorbeeld van spaghetti op een schoolfeest. Dat kan perfect zonder varkensvlees. En in een omgeving met veel moslimkinderen betrek je zo ook die gemeenschap om te komen helpen en eten.”
Kent groepssolidariteit ook excessen?
“Natuurlijk heeft groepsvorming altijd een risico. Groepsvorming op nationaal niveau heeft het risico dat men de nationale identiteit te dik invult. ‘Om een goede Vlaming te zijn mag je geen hoofddoek dragen, moet je voor zwarte piet zijn en eet je varkensvlees.’ Dat gevaar is er en daar moeten we alert voor zijn.”
“Maar dat groepsgevoel speelt ook op andere niveaus. In sommige geloofsgemeenschappen of buurten bijvoorbeeld, zien we een groepsgevoel waarbij mensen zich aan elkaar vastklitten als een ‘wij’. Als individu loop je het risico om meegezogen te worden in die groepsdynamiek.”
‘Het is menselijk om deel te willen zijn van een groep.’
“Dat is een moeilijke oefening, ook voor sociaal werkers. Enerzijds is het menselijk om deel te willen zijn van een groep. Anderzijds wil je dat individuen weerbaar zijn om tegen een groepsdynamiek in te gaan. Met die spanning worden het sociaal werk en het onderwijs geconfronteerd.”
“Je hebt bijvoorbeeld ouders die hun kinderen specifieke normen, waarden en levensbeschouwing meegeven. Je wil daar als school respect voor hebben maar tegelijk is het de taak van onderwijs om mensen weerbaar te maken zodat ze niet gedetermineerd worden door hun opvoeding, door een sociale groep of door een levensbeschouwing. Dat is een lastige tweespalt.”
Je legt de link tussen groepsgevoel en polarisatie. Hoe spelen die twee op elkaar in?
“Groepsgevoel leidt tot groepsdenken. Heel wat standpunten die wij innemen in het publieke debat zijn niet het resultaat van rationele overwegingen, je inlezen over een onderwerp of luisteren naar anderen. Veel standpunten worden ingenomen op basis van de groep waartoe je behoort.”
“Als iemand bijvoorbeeld denkt Vlaams-nationalist te moeten zijn of daar affiniteit mee voelt, dan weet ik al een beetje hoe die persoon denkt over migratie, de sociale sector of klimaatverandering. Of omgekeerd, als iemand eerder links-progressief is, dan is de kans groot dat ik kan voorspellen hoe die persoon naar nationalisme, ongelijkheid en diversiteit kijkt.”
‘Groepsdenken hoeft niet problematisch te zijn, maar het leidt wel makkelijk tot polarisatie.’
“Het groepsdenken hoeft op zich niet problematisch te zijn, maar het leidt wel makkelijk tot polarisatie, een gesprekscontext waarin we niet meer echt in gesprek zijn met elkaar. Het leidt tot een situatie waarin jij denkt dat jij het juist hebt en ik, omdat ik tot die andere groep behoor, het helemaal fout heb. Daar probeer ik tegenin te gaan.”
“Ik pleit voor combinatiedenken. Dat is een attitude waarbij je openstaat voor wat mensen met andere opvattingen aan het debat kunnen bijdragen.. Het is een manier om verschillende stemmen, achtergronden, ervaringen en perspectieven samen te zetten om op die manier tot een complexer, genuanceerder beeld van de werkelijkheid te komen.”
Is polarisatie een nieuw fenomeen?
“Polarisatie is van alle tijden. Wat wel nieuw is, is dat die polarisatie zich voortdurend toont op sociale media. We zien voortdurend straffe statements, dus we krijgen de indruk dat heel het publieke debat enorm gepolariseerd is.”
“Uit onderzoek blijkt wel dat de manier waarop mensen denken in het echte leven minder gepolariseerd is dan wat sociale media laten uitschijnen. Sociale media zijn geen graadmeter voor polarisatie in de samenleving. Dat geldt trouwens ook voor de klassieke media. In Nederland hebben ze daar goede cijfers over: mensen hebben daar niet meer uiteenlopende ideeën dan een aantal jaar geleden. Maar het voelt wel zo.”
We kunnen ons toch ook niet zomaar neerleggen bij polarisatie?
“Het is niet omdat het van alle tijden is dat we het niet mogen problematiseren. Wel is er een belangrijk onderscheid tussen inhoudelijke polarisatie en affectieve polarisatie. Inhoudelijke polarisatie betekent dat wij onderling van mening verschillen. Dat is eigen aan ons samenlevingsmodel. We maken van onze vrijheid gebruik om standpunten te verkondigen waar de ander het niet mee eens is en we gaan erover in gesprek. Zodra je een samenleving open en vrij maakt, moet je accepteren dat mensen over allerlei zaken van mening verschillen.”
“Affectieve polarisatie is het moment waarop je de ander, met die andere opvatting, niet meer beschouwt als een evenwaardige burger die deel uitmaakt van je gemeenschap. Dat type polarisatie is ondermijnend voor de samenleving.”
Om dan even in te zoomen op het sociaal werk: je schrijft dat kennisinstellingen ideologische meerstemmigheid moeten bewaken. Je wijst op een overwicht van links-progressieve academici. Waarom haal je dat in deze context aan?
“De opleiding Sociaal Werk is volgens mij inderdaad een links-progressief georiënteerde opleiding, zowel qua studenten als docenten. Dat geldt overigens ook voor een van de richtingen waar ik uitkom en nog steeds les aan geef: Moraalwetenschappen.”
‘Wees je ervan bewust dat je in een bubbel zit.’
“Ik begrijp ook dat de mensen die sociaal werk kiezen uit die hoek komen. Maar tegelijkertijd wil ik toch waarschuwen: wees je ervan bewust dat je in een bubbel zit. Je kennis en interpretatie van de samenleving kunnen gekleurd zijn door de ideologische bril die je draagt. Je moet daarom ook op zoek naar andere stemmen. Soms zullen die andere stemmen nonsens verkondigen, soms leer je iets bij dat je niet in je blikveld had.”
Hoe vertaal je dat naar de praktijk van sociaal werkers?
“Het is altijd gevaarlijk om mensen of een maatschappelijke realiteit vanuit één perspectief te benaderen. Natuurlijk zijn er maatschappelijke structuren die ervoor zorgen dat bepaalde mensen veel minder kansen krijgen, maar dat mag er niet toe leiden dat je die mensen alleen identificeert als slachtoffer. Je moet mensen ook wijzen op hun handelingsvermogen en je kan dat ook versterken als hulpverlener.”
“Ik denk dat combinatiedenken een deel van de professionele attitude kan zijn van sociaal werkers. Je kijkt naar structuren maar ook naar wat mensen zelf kunnen doen, je ziet de voordelen van diversiteit maar ook de uitdagingen, enzovoort. Discussies en analyses over migratie, armoede en andere maatschappelijke fenomenen, zijn vaak het resultaat van wij-zij-denken en resulteren in dovemansgespreken. Met dat inzicht kunnen sociaal werkers een brugfiguur zijn.”
“Daarmee bedoel ik voor alle duidelijkheid niet dat links-progressieve sociaal werkers niet aan combinatiedenken doen. Ik benadruk vooral dat als een opleiding studenten goede kennis van de samenleving wil meegeven, dat best gepaard gaat met meer ideologisch gedifferentieerde invalshoeken.”
Combinatiedenken staat volgens jou op gespannen voet met activisme. Bestaat er dan niet zoiets als gezond of noodzakelijk activisme? En hoe verhoudt zich dit tot de politiserende rol van sociaal werkers die opkomen voor kwetsbare groepen?
“Activisme is nodig in een democratie. Maar activisten zijn inderdaad geneigd om aan wij-zij-denken te doen. Ze reageren tegen een bepaalde vijand of een mechanisme en ze zitten vaak met gelijkgestemden samen. Het is al vaak aangetoond dat hoe meer je met gelijkgestemden samen zit, hoe radicaler je opvattingen worden. Die spanning tussen combinatiedenken en activisme hoeft geen probleem te zijn. Als je je wil engageren als activist, moet je je gewoon bewust zijn van het feit dat je risico loopt om mensen die het niet met je eens zijn uit te sluiten.”
“Het combinatiedenken kan ook in ons persoonlijke leven een houding zijn. Probeer sommige oordelen wat uit te stellen. Probeer je eerst goed in te lezen. Probeer ook heel goed te begrijpen wat er juist in die discussie op het spel staat. Het publieke debat zou rustiger zijn als meer mensen wat bescheidener waren.”
“Sommige mensen hebben al een standpunt in de discussie voordat ze goed weten waarom er discussie is en vanuit welke ervaringen en inzichten de groep met andere opvattingen spreekt. Dat sluit niet uit dat je een standpunt, of zelfs een ferm standpunt, inneemt. Maar: doe dat dan niet vanuit een wij-zij-impuls, probeer dat te doen als resultaat van combinatiedenken.”


Reacties [1]
Wat een bijzonder interessant artikel.
De man beschrijft een heel aantal dingen waar ik al een tijdje mee vastloop in mijn hoofd. Activisme, ja. Maar niet als doel dat alle middelen heiligt. En zeker niet als het gebruikt wordt om andere mensen uit te sluiten of de mond te snoeren.
Ik kamp al langer met het beklemmende gevoel dat we enkel maar met vlaggen staan zwaaien en niet meer bereid zijn te luisteren naar elkaar.
Ik kom als sociaal werker mensen tegen van over het hele politieke spectrum. Ik merk dat de extremen milder worden als iemand bereidheid toont te luisteren en een open en eerlijk gesprek wil voeren.