Vermaatschappelijking staat haaks op Brusselse realiteit

Bewoners missen krachtige netwerken

Vermaatschappelijking van de zorg veronderstelt een krachtig sociaal netwerk. Uit onderzoek blijkt dat dit haaks staat op de realiteit waarin veel Brusselaars leven. Hoe kan het inclusief burgerschap voor kwetsbare mensen versterkt worden?

“Hoe lager het inkomen, hoe minder iemand voor zorg of ondersteuning terecht kan bij het netwerk.” © Unsplash / Eberhard Grossgasteiger

Zorgkracht onderzocht

Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen was in zijn beleidsnota 2014-2019 duidelijk: ondersteuning en zorg voor kwetsbare burgers moet geïntegreerd in de samenleving verlopen. Mensen moeten zo lang mogelijk een zinvolle plaats kunnen innemen in de samenleving. Welzijn en zorg moeten dus ‘vermaatschappelijken’.

Om ondersteuning en zorg geïntegreerd in de samenleving te laten verlopen, moeten burgers op voldoende zorgkrachtige sociale netwerken kunnen terugvallen. Maar is dat wel mogelijk? Kunnen kwetsbare mensen bij familie, vrienden of buren aankloppen voor ondersteuning en zorg?

“Voor de meeste Brusselaars zijn burencontacten schaars.”

Deze vraag is zelden wetenschappelijk onderzocht. Zeker voor Brussel ontbreken de gegevens. Daarom zette het Kenniscentrum Welzijn, Wonen en Zorg een onderzoek op waarbij 212 inwoners van Brussel-stad werden bevraagd.Het onderzoek is een initiatief van Inclusief Brussel, een informeel samenwerkingsverband tussen het CAW Brussel, Samenlevingsopbouw Brussel, het Brussels Platform Armoede en het Kenniscentrum WWZ.

Haaks op de realiteit

Wat blijkt? De evolutie naar meer vermaatschappelijking van zorg staat haaks op de realiteit van veel Brusselaars. Voor een grote meerderheid zijn burencontacten zeer schaars: 40 tot 60% kent hoogstens twee buren bij de voornaam, 80 tot 90% doet nooit of zelden een beroep op een buur.

Ook vrienden worden weinig betrokken bij een hulpvraag of zorgnood. Familieleden wonen vaak niet in Brussel. Als men op iemand beroep doet, is dit in eerste instantie iemand binnen het eigen gezin. Veel mensen zijn echter alleenstaand.

Vermaatschappelijking wringt bovendien met de realiteit van mensen in armoede. De verwachting dat deze mensen voor hun zorg- en hulpvragen terecht kunnen bij hun familie of gezin, is niet of nauwelijks realistisch.

Want hoe lager het inkomen, hoe minder iemand terecht kan bij buren, vrienden, familie of gezin. Wie er financieel slecht voorstaat, heeft minder sociale contacten en kan die ook moeilijker onderhouden: eens trakteren of iemand uitnodigen zit er bijvoorbeeld niet in.

Geven en nemen

De mate waarin mensen ondersteuning en zorg bieden aan anderen in hun omgeving, blijkt uitstekend te voorspellen of ze ook zelf terecht kunnen bij buren, vrienden of familie. Iemand zal pas hulp en ondersteuning vragen als hij of zij die eerst heeft kunnen bieden.

Het is geven en nemen, maar het begint bij geven. Wie niet eerst hulp kan bieden, heeft schroom om iets te vragen. Enkel in het gezin speelt die wederkerigheid niet zo’n centrale rol.

“Enkel in het gezin speelt wederkerigheid geen rol.”

Niet alleen statistische berekeningen wijzen op het belang van dit principe van wederkerigheid, ook in diepte-interviews kwam dit vaak naar boven. “Als er mensen in je omgeving verhuizen, schilderen of behangen, vragen ze om een handje toe te steken. Weiger je dat, dan weet je ook dat er niemand voor je zal zijn wanneer je zelf iets nodig hebt. Dat is me al verschillende keren overkomen”, getuigde een respondent.

Hoge draaglast

Het belang van het principe van wederkerigheid geldt voor iedereen. Maar de draaglast van mensen die in armoede leven, is vaak hoog. Het belemmert om te investeren in ondersteuning en zorg aan anderen. Doordat ze weinig steun kunnen bieden aan anderen, zullen ze er ook minder vragen of krijgen.

Mensen in armoede getuigen in het onderzoek over de nefaste invloed van een gebrek aan vertrouwen. Over schaamte die hen doet terugtrekken uit persoonlijke relaties. En over hoe ze eerst zelf iets willen bieden voor ze het gevoel hebben dat ze ‘recht’ hebben op hulp van anderen. Het is een van de belangrijkste redenen dat mensen in armoede zelden of nooit beroep doen op hun buren, vrienden, familie of gezin voor hulp of ondersteuning.

“Hulp vragen is moeilijk.”

Een respondent illustreerde deze dynamiek treffend: “Leven in armoede snijdt je van de wereld af. Het is heel moeilijk als je ergens niet aan kan deelnemen omdat je geen geld hebt. Ik voelde me vaak schuldig en ik schaamde me dat ik op het einde van de maand niet toekwam. Ik bleef veel thuis en leefde erg geïsoleerd. Het is niet gemakkelijk om de eerste stap te zetten. Hulp vragen is zo moeilijk!”

Professionele hulp

Contacten met professionele hulpverleners kunnen dat patroon doorbreken. Die hebben een gunstig effect op de contacten in het eigen netwerk van buren en vrienden, blijkt uit het onderzoek. Het onderzoek kon deze verzachtende invloed echter niet cijfermatig vaststellen voor familie en gezin.

In de diepte-interviews waren er wel voorbeelden waarin het contact met professionele hulpverleners een positief effect had op de relaties in het kerngezin en ruimere familie. Deze hulpverlening zet sterk in op het werken aan de zogenaamde ‘binnenkant’ van armoede.

“Samen met mij veranderde mijn gezin.”

Door een versterking van het zelfvertrouwen en de mogelijkheid om een sociaal gewaardeerde rol op te nemen in de samenleving, komen ook de gezinsleden in een positieve dynamiek terecht.

Een geïnterviewde die aangesloten is bij een vereniging waar armen het woord nemen, vertelde dat ze voordien soms angstig was, maar dat ze sterk veranderd is. “Samen met mij veranderde ook mijn gezin. Mijn man heeft zich moeten aanpassen en mijn kinderen doen nu meer in het huishouden, want ik ben niet altijd beschikbaar. Maar ze worden er wel een stuk zelfstandiger door. Mijn kinderen helpen me ook met vrijwilligersactiviteiten, zoals onlangs met het uitdelen van maaltijden. Dat zijn waardevolle ervaringen.”

Inkomen bepalender dan migratieachtergrond

De zorgkracht van informele netwerken wordt meer bepaald door inkomen, draaglast of toegankelijkheid van sociale diensten dan door leeftijd, geslacht of migratieachtergrond.

“Zorgkracht vooral bepaald door inkomen, draaglast en toegankelijkheid.”

Migranten van de eerste generatie vragen minder praktische steun aan hun familie dan andere Brusselaars. Opvallend is wel dat ze voor emotionele ondersteuning wel bij hun familie terecht kunnen. Ze getuigen ook vaak over de morele steun door hun familie in het thuisland, dikwijls met behulp van WhatsApp, FaceTime of Skype.

Of oudere Brusselaars en mensen met een migratieachtergrond terecht kunnen bij vrienden en buren, hangt af van de hoogte van hun inkomen. Hoe lager hun inkomen, hoe minder ze kunnen rekenen op een helpende hand of een luisterend oor van vrienden en buren.

Vergelijkbare onderzoekresultaten in Nederland

Nederlandse onderzoekers kwamen tot heel gelijkaardige resultaten.Bredewold, F., Duyvendak, J.W., Kampen, T., Tonkens, E. en Verplanke, E. (2018) De verhuizing van de verzorgingsstaat. Hoe overheid nabij komt, Utrecht, Movisie. Ze analyseerden het Nederlandse beleid dat sinds 2015 sterk inzet op decentralisatie in het sociaal domein, observeerden 127 van de zogeheten ‘keukentafelgesprekken’ en interviewden tientallen professionals en cliënten in zes Nederlandse gemeenten.

Zij kwamen tot het besluit dat het aansporen van hulpbehoevende mensen om een beroep te doen op hun eigen netwerk nauwelijks effect heeft. Uit het informeel netwerk valt weinig hulp te halen. De familie of de buren zijn overbelast of de relatie is slecht. Soms is er helemaal geen netwerk.

“Nadruk op zelfredzaamheid vergroot kloof tussen arm en rijk.”

Het streven van hulpverleners om de burger zelfredzamer te maken, is volgens de onderzoekers zelfs schadelijk. Het ontbreekt kwetsbare burgers vaak aan een hulpvaardig netwerk, waardoor ze het idee hebben dat ze tekortschieten als hulpverleners ernaar vragen.

De nadruk op zelfredzaamheid vergroot volgens de onderzoekers de ongelijkheid tussen arm en rijk. Rijkere mensen kunnen zelf hun hulp regelen en betalen, armere hulpbehoevenden worden geacht een beroep te doen op hun omgeving. 

Eufemisme voor individualisering

Vermaatschappelijking van zorg leidde in Vlaanderen en Brussel al tot verhitte discussies. Critici wijzen erop dat het als een eufemisme voor het tegenovergestelde kan worden gebruikt: individualisering van zorg.Vranken, J. (2018), ‘Vermaatschappelijking mag geen eufemisme zijn voor individualisering’, in Thys, R. en Vermeulen, S, (red.), Cahier 5: Zorgkracht in persoonlijke netwerken van Brusselaars, Brussel, Kenniscentrum WWZ.

Het mag geen verschuiving betekenen van maatschappelijke opdrachten naar persoonlijke verantwoordelijkheden. Het mag niet de shift zijn van een institutioneel model van sociale bescherming naar een residueel model, waarbij de overheid pas ingrijpt wanneer individuen, lokale netwerken of gezinnen het niet aankunnen. Dat zou bijzonder nefast zijn voor mensen die in armoede leven.

“De overheid moet structurele ongelijkheid blijven aanpakken.”

Naast een sociale component, moet vermaatschappelijking ook een structurele component hebben.Dewaele, C. (2018), ‘Het doel van vermaatschappelijking in inclusief burgerschap’, in Thys, R. en Vermeulen, S, (red.), Cahier 5: Zorgkracht in persoonlijke netwerken van Brusselaars, Brussel, Kenniscentrum WWZ.Het mag niet alleen over lokale sociale netwerken en informele zorg gaan. Vermaatschappelijking staat niet los van de sociale, economische, politieke en culturele context. De overheid moet structurele ongelijkheid blijven aanpakken en kwetsbare mensen ondersteunen.

Inclusief burgerschap waarmaken

Vermaatschappelijking impliceert dat de samenleving zich aanpast aan kwetsbare mensen en niet andersom. Iedereen moet een kans krijgen om volwaardig deel uit te maken van de samenleving. De vraag is hoe dat inclusief burgerschap voor kwetsbare mensen kan versterkt worden?

Om te beginnen moet de welzijnssector de sociale netwerken van Brusselaars helpen ontwikkelen. Vandaag heeft niet elke Brusselaar een netwerk van familie, vrienden en buren om op terug te vallen.

“Versterk de sociale netwerken van Brusselaars.”

Zeker mensen in armoede missen vaak zo’n netwerk. Zij kunnen die ook niet op eigen kracht uitbouwen. Brusselaars kennen bijvoorbeeld weinig buren, maar geven wel aan dat ze graag meer contacten en vrienden in de buurt zouden hebben.

Het onderzoek leert dat de steun van professionele hulpverleners vaak een gunstig effect heeft op de contacten met buren en vrienden. De Brusselse welzijnssector moet meer inzetten op het versterken van het informele netwerk van cliënten.

Burgerinitiatieven valoriseren

Daarnaast moeten zelforganisaties en burgerinitiatieven gevaloriseerd worden. Veel Brusselse zelforganisaties vervullen de rol van informeel zorgnetwerk. Er zijn zeven verenigingen waar armen het woord nemen. Ze brengen mensen samen en doorbreken hun sociaal isolement. Ze werken aan maatschappelijke verandering door armoedethema’s op de politieke agenda te zetten en mensen in armoede actief te laten participeren aan de samenleving.

“Brussel telt meer dan duizend zelforganisaties.”

Ook zelforganisaties van mensen met een migratieachtergrond zijn vaak netwerken van wederzijdse hulp. Hun aanbod rond welzijn en gezondheid, onderwijs, armoedebestrijding en socio-economische integratie blijft al te vaak onder de radar. Brussel telt meer dan duizend zelforganisaties.

Het proces van vermaatschappelijking zou hand in hand moeten gaan met het valoriseren en financieren van deze waardevolle praktijken van informele zorg die zich van onderuit ontwikkelen.

Buurtgerichte zorg

Wie inclusieve zorg voor maatschappelijk kwetsbare mensen wil vergroten, moet inzetten op buurtgerichte zorg. Een belangrijk thema hierbij is de afstemming tussen informele en formele zorgverlening.Teugels, H., Vanmechelen, O. (2018), ‘Hoe kan je informele zorg ondersteunen zonder het te formaliseren?’, in Thys, R. en Vermeulen, S, (red.), Cahier 5: Zorgkracht in persoonlijke netwerken van Brusselaars, Brussel, Kenniscentrum WWZ.

De onderzoeksresultaten tonen evenwel aan dat er heel veel Brusselaars zijn die niemand hebben om op terug te vallen. Vermaatschappelijking houdt in dat die individuen outreachend moeten opgezocht worden. Dat vraagt mensen die de buurt kennen en oog hebben voor bewoners die weinig contacten hebben. Die zijn er al.

“Denk na over hoe het informele kan ondersteund worden.”

Breng dus beter in kaart wat er al leeft in een buurt: burgerinitiatieven, zelforganisaties, burennetwerken, een gaarkeuken, een sociaal-economieproject, een samenlevingsdienst, parochies, moskeeën, een zorgcoach… Denk na over hoe het informele kan ondersteund worden, zonder het te formaliseren of professionaliseren.

Weerbaarheid verhogen

Er zijn ook structurele maatregelen nodig om inclusief burgerschap voor kwetsbare mensen te versterken. Het komt erop neer dat drempels op andere maatschappelijke vlakken moeten verlaagd worden en de weerbaarheid van Brusselaars moet verhoogd worden.

Om op zorg van anderen te kunnen rekenen, moet je vaak eerst zelf hulp en ondersteuning kunnen bieden. Daar moet je dan weer de vaardigheden, tijd en middelen voor hebben. Bepaalde beleidsmaatregelen zoals de verhoging van de pensioenleeftijd of de inperking van het tijdskrediet, gooien hier roet in het eten. Ze staan haaks op de ambitie van vermaatschappelijking.

“Bepaalde maatregelen staan haaks op vermaatschappelijking.”

Wie als burger wil investeren in zorg en ondersteuning, moet daar voldoende draagkracht voor hebben. Dat geldt zeker voor mensen in armoede. Mensen met een laag inkomen trekken zich sneller terug uit persoonlijke relaties.

Dit gebeurt, naast het gebrek aan financiële middelen, vooral door wat dikwijls ‘de binnenkant’ van armoede wordt genoemd: gevoelens van schaamte, gebrek aan vertrouwen in anderen, het aangeleerde gevoel alles zelf te moeten kunnen beredderen.

Financieel sterker

Vermaatschappelijking zal voor mensen in armoede enkel haalbaar zijn als ze eerst financieel sterker worden. Als de persoonlijke en structurele drempels verlaagd worden om volwaardig te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Dat vraagt ook om sensibilisering van de samenleving, waar vooroordelen en intolerantie moeten worden aangepakt.

Hoe zwakker iemand zijn sociaal netwerk, hoe moeilijker het is om er een beroep op te doen. De druk op het al kwetsbare sociaal netwerk wordt verlicht wanneer mensen in armoede een beroep kunnen doen op professionele hulp. Het geeft ademruimte.

“Een netwerk dat er niet is, kan niet worden aangesproken.”

De zorg die iemand nodig heeft en kan mobiliseren, verschilt van persoon tot persoon. Wie niet kan terugvallen op een netwerk van buren, vrienden of familie, kan daar moeilijk toe verplicht worden. Een netwerk dat er niet is, kan niet worden aangesproken.

Wie slechts een beperkt informeel netwerk heeft, zal extra steun nodig hebben. Anderen zullen nauwelijks voor zichzelf kunnen zorgen en levenslang professionele zorg nodig hebben. Waar zelfzorg en informele zorg ontoereikend zijn, moeten professionele hulpverleners actief optreden en initiatief nemen. Zeker bij maatschappelijk kwetsbare mensen is dit noodzakelijk.

In het debat over vermaatschappelijking moet het idee van subsidiariteit verlaten worden. “Eerst informele zorg, daarna formele zorg”, wordt het nu vaak voorgesteld. Maar dat klopt niet. Beiden komen samen voor en vullen elkaar aan. Laat dit dus ook een pleidooi zijn voor maatwerk.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen