Roken werkt ongelijkheid in de hand

Je kan er als hulpverlener iets tegen doen

De sigaret is een van de belangrijkste oorzaken van de verschillen in gezondheid tussen arm en rijk. Hulpverleners kunnen deze ongelijkheid helpen wegwerken.

“Jongeren zijn gevoelig voor belonend effect van roken.” © Unsplash / Dogukan Sahin

Roken treft de armsten het hardst

Er zijn verschillen op vlak van gezondheid en levensverwachting tussen de sociale groepen in de samenleving. Mensen met een lagere socio-economische status zullen vaker vroeg sterven door ziekte dan mensen bovenaan de sociale ladder.De Donder, A., De Maeseneer, J. (2018), ‘Laagopgeleiden sterven vroeger’, Sociaal.Net, 23 april 2018.Ook de mensen in het midden van de ladder hebben minder kans op een gezond en lang leven, dan zij op de hoogste trede.

“Roken is een van de grootste boosdoeners.”

Roken is daarbij een van de grootste boosdoeners. 22% van de Vlamingen rookt. Onder laagopgeleide mensen met een laag inkomen ligt dit aandeel hoger. Jongeren die opgroeien in een arme omgeving zien vaker mensen rondom hen roken. Ze zullen het sneller proberen. Eens ze verslaafd zijn, valt het hen zwaarder om te stoppen.

Oorzaak van ongelijkheid

Onderzoekers van de Wereldgezondheidsorganisatie toonden aan dat roken al van bij de zwangerschap ongelijkheid veroorzaakt. Kinderen uit gezinnen die het minder breed hebben, lopen meer kans om al voor de geboorte blootgesteld te worden aan sigarettenrook. De kans is groter dat hun ouders of andere rolmodellen roken.

Terwijl ze opgroeien, zijn ze zich minder bewust van de gevaren van de sigaret. Ze ontwikkelen minder gezondheidsvaardigheden dan anderen hoger op de sociale ladder. Bovendien hebben ze minder kans om de zorg te krijgen die ze nodig hebben. Al deze factoren versterken elkaar.

“Ouders of andere rolmodellen roken.”

Dat mensen met een lagere socio-economische status meer roken, wordt ook in de hand gewerkt door een aantal omgevingsfactoren. Ze zijn bijvoorbeeld werkloos, leven in armoede of ervaren sociale uitsluiting. Factoren zoals chronische stress, weinig sociale steun of een laag zelfbeeld zorgen ervoor dat hun pogingen om te stoppen met roken minder succesvol zijn.

Enkel de socio-economische positie van mensen versterken, is geen oplossing voor deze gezondheidsongelijkheid. We moeten ook aandacht hebben voor de rol van de sigaret zelf, zoals haar verslavend karakter. En voor de omgeving waarin rookgedrag gedijt.

Verslaafd aan tabak

Een mens wordt niet van de ene op de andere dag een verstokte roker. Dat gebeurt in fases. Bij de eerste sigaretten die iemand opsteekt, geniet de roker nog van de belonende effecten van nicotine en ontspanning. De sigaret verbetert de stemming, vermindert angst en onderdrukt het hongergevoel.

Dat is de beginfase. Jongeren zijn zeer gevoelig voor de belonende effecten, maar minder gevoelig voor de negatieve effecten. Daardoor blijft het vaak niet bij één keer uitproberen van een sigaret.

“Jongeren zijn gevoelig voor belonend effect.”

Een aantal weken of maanden na de eerste sigaret, komt de roker in de gewenningsfase. De stemming uit de beginfase wordt nu gekoppeld aan gewoontes. Denk aan een kop koffie drinken, wachten aan de bushalte of roken met vrienden.

Als er negatieve effecten zoals tolerantie beginnen op te treden, komt de roker in de onderhoudsfase. Tolerantie betekent dat er meer nicotine nodig is om hetzelfde effect te bereiken. De roker is eigenlijk de hele dag ontwenningsverschijnselen aan het dempen.

Hardnekkig probleem

“Begin er gewoon niet mee”, hoor je soms als goedbedoeld advies. Maar zo simpel is het niet. Er is meer nodig om iemand van de sigaret te houden of te doen stoppen met roken.

Rookgedrag hoort thuis in een rokerscultuur: vaak rookt de omgeving van beginnende rokers ook. Daardoor neemt de kans om zelf ook roker te worden flink toe. Roken is in die rokersomgeving bovendien een hardnekkig probleem dat vervlochten is met allerlei andere problemen. Er is dus nood aan meerdere oplossingen op verschillende niveaus.

Beleidsmakers kunnen verschillende maatregelen nemen. Regelgeving zoals het rookverbod in openbare ruimtes, accijnzen- en prijzenbeleid en aan banden leggen van tabaksreclame zijn algemeen bekend. Dat zijn maatregelen op macroniveau.

“Er is nood aan meerdere oplossingen.”

Daarnaast kan de overheid sterk focussen op de maatschappelijke groepen die vandaag gemiddeld meer blijven roken, zoals laaggeschoolde rokers. Dat kan onder meer door hen te helpen stoppen met roken door rookstopmiddelen en -begeleiding terug te betalen. Dat gebeurt nu al deels. Nicotinevervangers zouden best zeer goedkoop of gratis zijn voor rokers met een lage socio-economische status. Dat is nu nog niet het geval.

Sensibilisering

Structurele armoedebestrijding vermindert de kwetsbaarheid van de rokers, wat kan leiden tot een afname van het rookgedrag. Het omgekeerde geldt evenzeer: het stoppen met roken door kwetsbare groepen leidt tot een betere financiële situatie van deze rokers.

De gezondheid van de burger als uitgangspunt nemen bij alle beleidsbeslissingen, in alle domeinen, is ook een deel van de oplossing. Deze aanpak maakt deel uit van Visie 2050 van de Vlaamse regering.

Een ander pad dat tegelijk moet bewandeld worden, zijn sensibiliseringscampagnes. Bijvoorbeeld om niet te beginnen met roken, te stoppen met roken of niet in het bijzijn van kinderen te roken.Pleysier, S. (2016), ‘Verboden te roken bij kinderen. Industrie en samenleving blijven buiten beeld’, Sociaal.Net, 17 november 2016.Deze zijn best aangepast aan de noden van kwetsbare doelgroepen.

Ingrijpen op de omgeving

De omgeving heeft een rechtstreekse impact op onze gezondheid. Denk maar aan luchtvervuiling of de aanwezigheid van groen. Daarnaast is er ook een onrechtstreekse impact op de gezondheid, namelijk via de invloed die de omgeving heeft op de leefstijl en het gedrag van individuen.

“De gezonde keuze wordt de gemakkelijke keuze.”

Door in te grijpen op de fysieke en sociale omgeving kan de gezonde keuze ook de gemakkelijke keuze worden. De omgeving zet bijvoorbeeld minder aan tot het opsteken van een sigaret of het roken is er minder aangenaam.

Generatie rookvrij

Omdat onze sociale en fysieke omgeving zo’n grote impact heeft op onze gezondheid, werd eerder dit jaar de campagne Generatie Rookvrij gelanceerd: alle kinderen die vanaf 2019 geboren worden, zouden rookvrij moeten kunnen opgroeien. De bedoeling is dat alle omgevingen waarin kinderen spelen en aanwezig zijn, zoveel mogelijk rookvrij worden gemaakt. Ook welzijnsorganisaties kunnen meedoen aan deze campagne.

“Ook welzijnsorganisaties kunnen meedoen.”

Welzijnsorganisaties zijn net als de school, werkplaats, gemeente en openbare ruimte een van de fysieke en sociale omgevingen waar mensen vertoeven. Soms verblijven ze er zelfs geruime tijd in hun leven, denk maar aan opvangcentra of jeugdhulpvoorzieningen. Het is bovendien een sector waar veel kwetsbare mensen beroep op doen.

Daarom is het belangrijk dat ook daar de gezonde keuze de gemakkelijkste keuze wordt. En dat er dus op een preventief gezondheidsbeleid, waaronder een rookbeleid, wordt ingezet. Zo zorgen welzijnsorganisaties mee voor minder ongelijkheid in gezondheid.

Een rookbeleid in welzijnsorganisaties

Een rookbeleid omvat steeds drie pijlers. Zowel het preventief werken met kinderen en jongeren, als rokers ondersteunen om te stoppen, als passief roken vermijden, zijn uiterst belangrijk.

Bij het opzetten van een rookbeleid telt elke stap, hoe groot of hoe klein ook. Welzijnsorganisaties bekijken best wat binnen hun context haalbaar is.

Je hebt als organisatie een kwalitatief rookbeleid als je binnen deze drie pijlers werkt aan elk van de vier strategieën van gezondheidsbevordering: educatie, omgevingsinterventies, afspraken en regels, en zorg en begeleiding.

“Er zijn vier strategieën van gezondheidsbevordering.”

Met educatie vergroot je de kennis en vaardigheden van je doelgroep. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat je je cliënten informeert over de gevolgen van kettingroken via een quizje met een gezond hapje erbij. Of dat je het gesprek aangaat met ouders die binnen roken in het bijzijn van hun kinderen. Daarnaast betekent educatie ook dat je de houding van je cliënten over gezond leven positiever probeert te maken.

Vraaggestuurd werken

Het is geen goed idee om al over roken te praten als cliënten zeer acute problemen hebben. Of wanneer de vertrouwensrelatie tussen de cliënt en de hulpverlener nog pril is. Cliënten geven dit zelf aan: hulpverleners mogen het thema aansnijden, maar niet van bij het eerste gesprek.

Hulpverleners werken vaak vraaggestuurd, wat een heel goede zaak is. De cliënt geeft zelf zijn hulpvraag aan en de hulpverlener tracht daar een zo goed mogelijk antwoord op te bieden. Niet beginnen met roken, stoppen met roken of gezonder leven zijn vaak juist geen vragen van de cliënt.

Maar behoeften op langere termijn, zoals langer leven en een goede gezondheid, moeten ook aan bod kunnen komen. Je kan als hulpverlener deze behoeften blootleggen door vraaggestuurd te werken op vlak van andere thema’s. Een gesprek over budget kan bijvoorbeeld leiden tot een motiverende babbel over stoppen met roken en het ondernemen van een stoppoging. Iedereen heeft immers recht op preventie.

Gezond gedrag aantrekkelijk maken

Omgevingsinterventies zijn een tweede soort strategie. Deze interventies pakken de inrichting van de fysieke en sociale omgeving aan zodat die de gezondheid rechtstreeks beïnvloedt of gezond gedrag aantrekkelijk maakt. Een bewuste herinrichting van de fysieke omgeving kan roken ontmoedigen. Maak bijvoorbeeld de rookruimte van je organisatie minder gezellig en plaats het uit het zicht van iedereen.

“Hulpverleners kunnen voorbeeldrol spelen.”

Je werkt aan een gezonde sociale omgeving als je gaat voor een klimaat waar niet-roken of stoppen met roken aangemoedigd wordt. Hulpverleners en begeleiders kunnen hier een voorbeeldrol spelen. Wie opgroeit tussen rokers, vindt roken vaker normaal dan wie onder niet-rokers de kindertijd doorbracht.

Als je als hulpverlener samen met een cliënt rookt, bevestig je dat roken de norm is. Vooral in organisaties die met minderjarigen werken, is het belang van de voorbeeldfunctie zeer groot.

Duidelijk afspraken

De strategie ‘afspraken en regels’ houdt onder andere in dat je als organisatie afspraken en regels opstelt over wie wanneer en waar mag roken.

“Stel regels op over wie wanneer en waar mag roken.”

Aandacht voor ‘zorg en begeleiding’, de laatste strategie, betekent dat je in je organisatie duidelijk afspreekt wat je doet als een cliënt wil stoppen met roken of vragen hierover heeft.

Maak bijvoorbeeld binnen de organisatie de verschillende manieren om te stoppen met roken bekend, zodat cliënten goed worden doorverwezen. Denk maar aan Tabakstop, groepscursussen stoppen met roken onder begeleiding van een tabakoloog of Smartstop, rookstop op maat van jongeren. Of organiseer zelf een rookstopaanbod, bijvoorbeeld een rookstopcursus op maat van kwetsbare groepen.

Pas toe op vier niveaus

Start als organisatie best met de omgevingsinterventies. Die komen minder stigmatiserend over bij kwetsbare doelgroepen, roepen minder weerstand op en werken ook het best. Nadien kan je met educatie en de andere strategieën starten. Blijf in het oog houden dat kleine stapjes vooruit in je rookbeleid ook veel betekenen.

Deze vier strategieën pas je toe op vier niveaus. Op niveau van de individuele cliënt, bijvoorbeeld tijdens begeleidingsmomenten samen met de jongere een wandeling maken. Op niveau van de afdeling, denk aan een bewonersvergadering rond roken in het opvangcentrum van het CAW organiseren.

“Ook kleine stapjes vooruit betekenen veel.”

Op niveau van de hele voorziening, zoals afspreken dat het personeel niet meer rookt in het bijzijn van de jongeren in een Multifunctioneel Centrum. En op niveau van de omgeving buiten de voorziening, bijvoorbeeld contextbegeleiders gaan het gesprek aan met ouders die in het bijzijn van hun kinderen roken.

Het Vlaams Instituut Gezond Leven werkte voor de jeugdhulp al een methodiek uit die een gezondheidsbeleid op vlak van roken, voeding, beweging, sedentair gedrag en gezond binnenmilieu ondersteunt: Gezonde Gasten.

Wat als je zelf rookt?

En als de hulpverlener zelf rookt? Dat wil niet zeggen dat je niets kan doen voor je cliënten. Vooral als je cliënteel bestaat uit kinderen en jongeren, is het belangrijk om dat te beseffen.

Wees gewoon eerlijk. Je hoeft er geen geheim van te maken dat je rookt. Durf jezelf zwak opstellen en vertel hen wat het betekent om verslaafd te zijn aan tabak. Praat vanuit je eigen ervaring. Als ervaringsdeskundige weet je hoe moeilijk het is om te stoppen.

“Neem afkeurende houding over roken aan.”

Probeer om in de toekomst niet meer te roken in het bijzijn van kinderen of jongeren. Voor hen betekent het immers dat roken ‘normaal’ gedrag is.

Sommige hulpverleners geven aan dat samen met de cliënt of jongere roken een opening creëert voor een informele babbel, wat de vertrouwensband versterkt. Zo’n band creëren is vanuit pedagogisch oogpunt heel belangrijk, maar samen roken om dat doel te bereiken is dat niet. Gelukkig zijn er ook andere manieren om een informeel gesprek te creëren, zoals samen een wandeling maken, sporten of koken. Er zijn alternatieven genoeg die niet bijdragen aan gezondheidsongelijkheid.

Niet roken is de norm

Ook als je zelf rookt, is het goed om een afkeurende houding over roken aan te nemen. Je kan de jongere uitleggen dat jongeren nog sneller verslaafd raken aan sigaretten dan volwassenen. En dat nicotine voor hen ronduit gevaarlijk is.

‘Niet roken’ wordt steeds meer de norm in onze samenleving. Onder meer in openbare gebouwen, op het schooldomein en in de gemeenschappelijke ruimtes van welzijnsorganisaties mag niet meer gerookt worden. Dat zegt de wet.

“Rook niet in de buurt van jongeren.”

Daarnaast wordt er steeds minder gerookt in speeltuinen, op sportvelden… Steun deze maatregelen om roken te ontmoedigen door er positief over te praten, ook al maken die het voor jou als roker niet gemakkelijk.

Je doet de kinderen en jongeren in je organisatie een plezier door niet in hun buurt te roken. Dat betekent ook dat je best je sigaretten en asbakken niet zichtbaar laat rondslingeren.

Uiteraard is het aangeraden om als hulpverlener helemaal niet te roken. Dan slaag je absoluut in je voorbeeldrol, en geef je een serieuze boost aan je eigen gezondheid. Samen met een cliënt een stoppoging doen en elkaar daarin steunen, kan ook een aparte band scheppen. Wie wil stoppen met roken, kan terecht bij Tabakstop.

Toon is gezet

Als welzijnswerkers zijn we steeds nauw begaan met en betrokken bij onze cliënten. Waarom zouden we ze dan ook niet op het vlak van een hardnekkig probleem zoals roken kunnen beschermen of vooruithelpen? Zeker omdat het zo sterk verweven is met andere problemen.

We zien nu al een aantal goede praktijken in verschillende organisaties. Hulpverleners denken na over hoe ze rond roken aan de slag kunnen gaan in hun organisatie. Op maat van de cliënten en zonder belerend te zijn. Maar ook structureel, verankerd in hun organisatiebeleid, zodat het niet bij een eenmalig initiatief blijft. De toon is gezet!

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen