Sociaal werk is een mensenrechtenberoep

Hoeder van sociale grondrechten

In het huidig maatschappelijk klimaat van besparingen, druk op de welvaartstaat en toegenomen sociale ongelijkheid is het streven naar menselijke waardigheid voor iedereen lang geen evidentie. Sociale grondrechten staan onder druk. Maatregelen in het sociale domein brengen tendensen in beeld die sociale grondrechten hypothekeren. Ze hebben vaak zeer verregaande gevolgen voor een groep van mensen in kwetsbare leefsituaties.

Iedereen is gelijk
© Bas Bogers

Responsabilisering

Een eerste tendens die sociale grondrechten onder druk zet, is responsabilisering. Bij de implementatie van sociale grondrechten worden burgers in verhoogde mate aangezet tot meer eigen verantwoordelijkheid. Zo werd vanaf januari 2015 de ‘inschakelingsuitkering’, een financiële tegemoetkoming voor jonge schoolverlaters die niet meteen werk vinden, in tijd beperkt. Wie na drie jaar geen of onvoldoende werkervaring kan voorleggen, verliest zijn uitkering en is aangewezen op het OCMW. De RVA raamde dat meer dan 16.000 jongeren vanaf januari 2015 hun uitkering dreigden te verliezen.

“De druk op sociale grondrechten is geen recent fenomeen.”

Een tweede ontwikkeling is de focus op het voorwaardelijk stellen van sociale grondrechten. Conditionalisering verhoogt de drempel tot sociale grondrechten. Werkbereidheid tonen in het kader van het recht op leefloon is een voorwaarde die al vervat zat in de wet van 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Of meer terug in de tijd: de Vlaamse wooncode uit 1997 bepaalt de voorwaarden waaronder burgers recht hebben op sociale huisvesting. Eén van die voorwaarden stelt dat bepaalde inkomensbarema’s niet mogen worden overschreden. Deze twee voorbeelden tonen aan dat de druk op sociale grondrechten geen recent fenomeen is dat samengaat met de huidige besparingen. Hoewel besparingen waarschijnlijk een versterkend effect hebben naar meer responsabilisering en conditionalisering die vooral lagere inkomensgroepen treft.

Criminalisering

Een derde tendens die sociale grondrechten onder druk zet, is sanctionering of criminalisering. Bepaald gedrag wordt strafbaar. Zo lanceerde Vlaams minister van wonen en inburgering Liesbeth Homans eind 2014 het idee om sociale huurders die onvoldoende Nederlands spreken te beboeten. Samenlevingsopbouw Vlaanderen ontkrachtte onmiddellijk de mythe dat een boete zou leiden tot het leren van Nederlands. Tevergeefs.

“Samenlevingsopbouw ontkrachtte de mythe dat een boete leidt tot het leren van Nederlands.”

Verder duiken er regelmatig stemmen op om bijvoorbeeld de kinderbijslag in te houden bij onwettige afwezigheid op school of wanneer ouders als gevolg van een gebrek aan ouderlijk toezicht niet kunnen voorkomen dat hun minderjarig kind een delict pleegt.

Verdoken moralisering

Wat deze tendensen gemeen hebben en het streven naar de realisatie van sociale grondrechten vandaag hoogst problematisch maakt, is de onderliggende en vaak verdoken moralisering die ervan uitgaat. Zo stelde minister Homans dat ze van sociale huurders verwacht dat ze de buren kunnen vragen op welke dag ze de vuilniszak moeten buitenzetten. Recentelijk deed ze er nog een schep bovenop. In de marge van een voorstel dat gesubsidieerde kinderopvang er in eerste plaats is voor mensen die gaan werken, stelde de minister dat kinderopvang voor kinderen nog altijd beter is dan thuis te zitten of mee genomen te worden op café.Cobbaert, P. (2015), Armoede anders aanpakken. Minister Homans doet haar beleidsplannen uit de doeken, De Zondag, 25 januari 2015.

Mensen in maatschappelijk kwetsbare leefsituaties de les spellen over sociaal onaangepast gedrag en de morele maatstaven van een samenleving, is niet alleen stigmatiserend. Het katapulteert onze verzorgingsstaat terug naar het begin van de twintigste eeuw. Het is een nieuw beschavingsoffensief waarbij een selectieve groep van lagere sociale klassen wordt geviseerd en geportretteerd als onaangepaste burgers.

Welvaartstaat in crisis

Deze tendensen wijzen op de crisis waarin onze op mensenrechten gebaseerde welvaartstaat verkeert. Het zijn slechts symptomen van een dieperliggend proces dat het DNA van onze verzorgingsstaat aantast. Onze verzorgingsstaat ontwikkelt zich van een structuur gestoeld op solidariteit en collectieve verantwoordelijkheid, naar een mechanisme dat uitgaat van individualiteit en eigen verantwoordelijkheid. Met een toenemende focus op responsabilisering, conditionalisering en sanctionering dreigt de universele oriëntatie van de verzorgingsstaat, gericht op een menswaardig bestaan voor allen, langzaam maar zeker verlaten te worden.

“Activeringsstrategieën spreken mensen aan op hun individuele verantwoordelijkheid.”

Sociale dienstverlening wordt meer selectief, enkel gericht op zij die het nodig hebben. De naoorlogse verzorgingsstaat als een in essentie herverdelend mechanisme vervelde naar een activerende verzorgingsstaat waar de overheid via een actief sociaal beleid burgers tracht te ondersteunen in hun sociale integratie eerder dan ze uitkeringsafhankelijk te maken. Deze activerende verzorgingsstaat ging stilaan over in de actieve welvaartstaat. Een actieve welvaartstaat wijst niet zozeer op de rol van de overheid, dan wel op het engagement dat van burgers wordt verwacht in de realisatie van sociale grondrechten. Activeringsstrategieën spreken mensen aan op hun individuele verantwoordelijkheid onder het moto “geen rechten zonder plichten” of “voor wat hoort wat”.

Zij die niet voldoen aan de door de overheid vooropgezette criteria verliezen hun toegang tot sociale grondrechten of worden gestraft. Men geeft mensen de schuld van wat er verkeerd loopt. Dit is wat socioloog Jan Vranken (OASES, Universiteit Antwerpen) het individueel schuldmodel noemde en wat Loïc Wacquant scherp beschreef in zijn boek ‘Straf de armen.Wacquant, L. (2010). Straf de armen: het nieuwe beleid van de sociale onzekerheid, EPO, Berchem. Lees ook interview met Loïc Wacquant uit 2012 in ALERT.

Deze actieve welvaartsstaat dreigt met de ‘participatiesamenleving’ nog verder door te schieten.Huyse, L. (2014), De Hollandse piste van Bourgeois I. Doe-het-zelf-samenleving, De Standaard, 2 augustus 2014.In de participatiesamenleving wordt de sociale dienstverlening vanuit de overheid subsidiair tegenover de burgerparticipatie die als primair zorgarrangement wordt gepropageerd.Tonkens, E. (2014), Misverstanden over de participatiesamenleving, www.socialevraagstukken.nl, 18 maart 2015.Zorgverlening wordt doorgeschoven naar sociale netwerken. Niet enkel met als doel effectieve zorgverlening te garanderen, maar ook om de sociale cohesie te versterken en burgers te activeren tot deelname aan het maatschappelijk leven. De overheid wordt op die manier subsidiair tegenover het private initiatief.

Geen woordenspel

Wie denkt dat dit excessen zijn die zich enkel in Nederland of in andere Angelsaksisch georiënteerde verzorgingsstaten voordoen, kijkt toch beter in zijn eigen achtertuin. Eind januari 2015 besliste het Antwerpse OCMW haar missie te herdefiniëren. Het OCMW is er niet langer om de sociale grondrechten te garanderen, maar om een bijdrage te leveren aan de realisatie van sociale grondrechten. De idee achter de missiewijziging is de vaststelling dat het OCMW niet in staat is de behoeften te lenigen op de verschillende levensdomeinen van mensen (wonen, werk, vrije tijd, onderwijs…). Er zijn op deze domeinen vele partners in het werkveld actief waar het OCMW mee moet samenwerken.

“De verschuiving van ‘garanderen’ naar ‘bijdragen aan’ lijkt een woordenspel.”

De verschuiving van ‘garanderen’ naar ‘bijdragen aan’ lijkt een woordenspel, maar dat is het allerminst. Het OCMW is immers één van de belangrijkste publieke instanties met een sociaal karakter. Een basisvoorziening in onze welvaartstaat. Het heeft een structurele opdracht in het verzekeren van de maatschappelijke condities om een menswaardig bestaan te leven. Wanneer het OCMW enkel moet bijdragen dan wordt haar rol herleid tot een residuele opdracht. Een vrijblijvende functie in de realisatie van de sociale grondrechten.

Maar het OCMW heeft net omwille van haar structureel karakter als publieke organisatie een andere rol te spelen dan private organisaties in het werkveld. Het OCMW moet garant staan voor de realisatie van het recht op menselijke waardigheid, zoals dit wordt voorzien in artikel 1 van de OCMW-wet van 1976.

Filantropie

Voor zij die in deze missiewijziging de ondermijning zien van de sociale welvaartstaat als een monopolie van de huidige Vlaamse beleidsmakers: maak je geen illusies. Al veel langer worden maatregelen genomen die raken aan de fundamenten van onze verzorgingsstaat. Denk maar aan het in 2013 door toenmalig Vlaams minister van armoedebestrijding Ingrid Lieten opgerichte Kinderarmoedefonds. Het filantropisch karakter van dit – ongetwijfeld goed bedoelde – initiatief is symptomatisch voor een falend structureel sociaal beleid, zoals Bea Cantillon in Knack opmerkte. De bestrijding van kinderarmoede is geen zaak van menslievendheid maar behoort tot de kerntaak van de overheid.

In dezelfde lijn dient een door de overheid gevoerd sociaal beleid niet aanvullend te zijn op het particulier initiatief. Het is de primaire taak van een overheid om sociale dienstverlening te ontwikkelen die garandeert dat iedereen een menswaardig leven kan leiden.

Beleidsbeïnvloeding

Bovenstaande ontwikkelingen werpen op het eerste zicht een eerder defaitistisch beeld op, en suggereert mogelijks een eerder passieve rol voor het sociaal werk die deze ontwikkelingen ondergaat. Niets is minder waar! Actuele ontwikkelingen creëren voor het sociaal werk nieuwe opportuniteiten om zich verder te ontwikkelen tot een ‘mensenrechtenberoep’.Ife, J. (2012), Human rights and social work: Towards rights-based practice, Cambridge, Cambridge University Press.

“Beleidsbeïnvloeding is een klassieke taak voor het sociaal werk.”

Beleidsbeïnvloeding is het ‘gemakkelijkste’ domein waarop dit mogelijk is. Beleidsbeïnvloeding is een klassieke taak voor het sociaal werk. De aanwezigheid in de leefwereld van mensen laat toe te signaleren en het beleid aan te spreken op onrechtvaardige maatregelen. De nieuwe burgerbeweging ‘Hart boven Hard’ verzamelt veel organisaties uit het sociaal werk en verdedigt waarden als solidariteit en rechtvaardigheid. De ‘10 hartenwensen’ kunnen we beschouwen als een toegankelijke vertaling van de sociale grondrechten vanuit een Vlaams perspectief. De kernboodschap van het sociaal werk is dat de overheid sociaal rechtvaardige arrangementen moet ontwikkelen voor al haar burgers, zodat iedereen een menswaardig bestaan kan leiden. Dit vereist eerder een versterking dan een ontmanteling van de welvaartstaat.

In eigen boezem kijken

Tegelijk roept dit, onder meer vanuit een maatschappelijke context van schaarste van middelen, de vraag op in welke mate de realisatie van sociale grondrechten onvoorwaardelijk kan zijn? Het zich beroepen op sociale voorzieningen vraagt toch altijd een zekere wederkerigheid. Zo niet is het systeem gedoemd ten onder te gaan aan zijn eigen succes. Bea Cantillon: “Disciplinerende instrumenten mogen alleen ingezet worden als ze een redelijke kans op slagen hebben, overeenstemmen met de menselijke waardigheid, dienstig zijn voor individuele zelfontplooiing en sociaal rechtvaardig zijn. Daarom is bij het uittekenen van beleid grote bescheidenheid nodig.”Cantillon, B. (2011), ‘Over wederkerigheid, solidariteit en bescheidenheid. Enkele kritische kanttekeningen bij het ‘voor wat hoort wat’-discours’, in Janssens, P., Voor wat hoort wat, De Bezige Bij, Antwerpen, 133-164.Ook dit is een belangrijke les voor het sociaal werk.

“We zijn snel in kritiek op de overheid, maar we creëren weinig ruimte voor zelfkritiek.”

Maar veel meer dan zich te richten op ‘de ander’ moet het sociaal werk, wil zij verder ontwikkelen tot een mensenrechtenberoep, in eigen boezem kijken. Sociaal werk moet kritisch kijken naar haar rol in de samenleving. En hier knelt vaak het schoentje. We zijn immers snel in kritiek op de overheid, maar we creëren weinig ruimte voor zelfkritiek.

Om te beginnen zijn we ons als sociaal werker vaak niet bewust van de dynamieken die spelen in de realisatie van sociale grondrechten. Tendensen als responsabilisering, conditionalisering, sanctionering en moralisering maken ongetwijfeld ook deel uit van onze dagelijkse sociaalwerkpraktijk. Sociaal werkers geven er met andere woorden mee vorm aan. Meestal met de beste bedoelingen, vaak onbewust, maar jammer genoeg soms ook met kwalijke gevolgen zoals uitsluiting van mensen in kwetsbare leefsituaties.

Mensenrechtenberoep

Sociaal werkers beschouwen zich niet als behoeders van mensenrechten. Meer zelfs: vaak zijn sociaal werkers niet op de hoogte van het belang van sociale grondrechten voor hun vak. Hier ligt een belangrijke opdracht voor het sociaal werk om haar identiteit, en dus haar praktijk, scherper te stellen. Sociaal werk is een mensenrechtenberoep. Dit betekent dat we opkomen voor menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid van iedereen. Het zijn vage begrippen die als ‘window-dressing’ worden opgenomen in missie- en visieteksten, maar in de verdere vervlechting van de sociaalwerkpraktijk vaak afwezig blijven. Dit geldt ook voor de opleidingen die meer aandacht moeten schenken aan het opleiden van sociaal werkers als mensenrechtenprofessionals.

“Sociaal werk is een mensenrechtenberoep.”

Het ontwikkelen van een grondrechtenbenadering in het sociaal werk is een belangrijke uitdaging. Projecten zoals ‘Housing First’, ‘Community Land Trust’, ‘Lokaal proactief kader’, ‘Straatwijs opvoeden’, ‘Geef gevangen een gezicht’, ‘Lokaal netwerk surplus’ en ‘Outboxx’ kunnen inspireren.

Leerproces

In lijn met een lopend praktijkgericht wetenschappelijk onderzoekReynaert, D., Nachtergaele, S., De Stercke, N., Gobeyn, H. en Roose, R. (2013-2016), Sociaal werk en mensenrechten: onderzoek naar de ontwikkeling van een grondrechtenbenadering als hefboom voor samenlevingsopbouw, PWO-onderzoek.breken we graag een lans om mensenrechten van onderuit te benaderen en te zien als een individueel en collectief leerproces. Met de focus op het individuele leerproces wijzen we op het feit dat hoe mensenrechten of (sociale) grondrechten kunnen worden begrepen en geïnterpreteerd niet van tevoren vast ligt. Een besef van menswaardig bestaan krijgt slechts vorm in de interactie van mensen met hun leefwereld. Voor het sociaal werk betekent dit aansluiting zoeken met de dagelijkse bezorgdheden van mensen en deze verbinden met maatschappelijke hulpbronnen die mensen kunnen ondersteunen in hun streven naar waardigheid.

“We moeten ons hoeden voor een verdoken moralisering.”

Het betekent tegelijk dat grondrechten in verschillende leefwerelden een verschillende betekenis kunnen krijgen. Dit moet ons hoeden voor een verdoken moralisering waar sociale grondrechten een nieuwe drager worden voor het beheren en beheersen van ‘onaangepast’ gedrag.

Het collectieve leerproces is een appel op politiserend werken. Een mensenrechtenbenadering moet aandacht hebben voor maatschappelijke processen, sociale patronen en regels. Ze moet erop gericht zijn om deze in beeld te brengen en te coderen zodat belanghebbenden leren zich te positioneren ten aanzien van deze regels en patronen. Een dergelijke grondrechtenbenadering vereist een bevragen van bestaande machtsrelaties, met als doel deze machtsrelaties te wijzigen in de richting van een groter respect voor de menselijke waardigheid.

Sociaal werk als hoeder

Sociaal werk als mensenrechtenpraktijk is geen neutrale, waarden- of machtsvrije praktijk, maar heeft essentieel een sociaal, politiek en ethisch karakter. Sociaal werkers proberen elke dag opnieuw uitsluiting van mensen in de samenleving op te heffen, en bij te dragen tot sociale rechtvaardigheid en menselijke waardigheid. Laten we dus niet berusten, maar laten we het sociaal werk re-positioneren als de hoeder van de mensenrechten.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen