Hoe kan een gemeente armoede aanpakken?

Verkiezingskoorts mag de feiten niet in de weg staan

Lokale oppositiepartijen schermen met hoge armoedecijfers om het falen van het huidige bestuur aan te tonen. Dat bestuur verdedigt zich door met beschuldigende vinger naar externe factoren of hogere bestuursniveaus te wijzen. Hoe zit de vork in de steel? Wat kan een gemeente doen tegen armoede?

armoedebeleid
“Een flankerend beleid is noodzakelijk, maar laat onderliggend probleem onaangeroerd.” © 123RF

Gemeentelijke armoedebestrijding

Armoedebestrijding is een belangrijk verkiezingsthema. Toen Kind en Gezin begin juni van dit jaar bekend maakte dat de kansarmoede-index met meer dan een procentpunt was gestegen, beroerde dat de gemoederen. Liesbeth Homans, Vlaams minister van armoedebestrijding, reageerde dat de instroom van vluchtelingen een van de oorzaken was van deze evolutie.

Die boodschap werd later herhaald door burgemeester van Antwerpen Bart De Wever die zei dat het fenomeen ‘letterlijk wordt geïmporteerd’. Bij sommige andere burgemeesters heerst er dan weer begripsverwarring of wordt de armoedemeting zelf in vraag gesteld. Verkiezingskoorts mag de feiten niet in de weg staan. Vandaar de vraag: wat kan een gemeente doen om armoede te bestrijden?

Wat is armoede?

Armoede is geldgebrek. Wie arm is, heeft te weinig geld om een leven te leiden dat we met z’n allen minimaal aanvaardbaar vinden. Naar de dokter kunnen gaan als je ziek bent. In een veilig huis wonen zonder vocht. De rekeningen kunnen betalen. Je kinderen een extraatje gunnen.

“Armoede is geldgebrek.”

Wie arm is, moet moeilijke keuzes maken: zelf naar de dokter gaan of je kind toch een cadeautje geven? We weten uit onderzoek dat overleven met te weinig geld grote gevolgen heeft voor heel wat aspecten van het leven: huisvesting, onderwijs, gezondheid, tewerkstelling en welbevinden.Stewart, K. and Cooper, K. (2017), Does money affect children’s outcomes? An update, CASE/203, London, Centre for Analysis of Social Exclusion.

Cirkel is rond

Wie in een vochtig huis woont, is vaker ziek. Wie een slechte gezondheid heeft, vindt moeilijk werk. Wie geen werk heeft moet rondkomen van een uitkering. Die uitkeringen liggen bijna allemaal onder de armoedegrens.

Wie arm is, heeft de goede woningen niet voor het uitkiezen, al zeker niet als er kinderen zijn. Die kinderen groeien dan op in omstandigheden die hun toekomst hypothekeren. Daardoor hebben ze een grote kans om later arme ouders te worden. En zo is de cirkel rond.

In België leven 16% van de mensen met een inkomen onder de armoedegrens, in Vlaanderen 11%. Rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens, 1139 euro voor een alleenstaande, betekent dat je gemiddeld 30 euro per dag kan uitgeven.Berekend op basis van de SILC-indicatoren.

Daar moet je alles van betalen: eten, drinken, elektriciteit, huur, kledij, ontspanning, doktersbezoek. Dan moet er al niet veel mislopen om in de problemen te geraken. En hoe langer je in zo’n omstandigheden moet leven, hoe moeilijker het wordt om zelf uit het dal te klimmen.

Lokale kansarmoede

Deze cijfers zeggen niets over het lokale niveau. Daarvoor worden vaak de kansarmoedecijfers gebruikt die worden berekend door Kind en Gezin. De regioverpleegkundigen van Kind en Gezin gaan langs bij 95% van de gezinnen in Vlaanderen waar een kind is geboren.

Bij dat bezoek turven ze in welke omstandigheden het kind werd geboren. Dat doen ze aan de hand van zes criteria: inkomen, opleiding, tewerkstelling, huisvesting, gezondheid en het stimulatieniveau van de kinderen.

“De situatie is zorgwekkend.”

Wanneer een gezin zwak scoort op minstens drie criteria wordt van kansarmoede gesproken. Deze cijfers zijn dus niet vergelijkbaar met de cijfers op basis van de armoedegrens. Maar het zijn wel de enige cijfers die een diagnose toelaten van de situatie op lokaal niveau.

En de situatie is zorgwekkend. Op Vlaams niveau is de kansarmoede verdubbeld, van 7% in 2006 tot 14% in 2014. In steden als Antwerpen en Genk wordt 30% van de kinderen geboren in een situatie van kansarmoede, in Oostende 34%, in Gent 23% en in Mechelen 14%.

Wat te doen?

Een effectief armoedebeleid kent twee pijlers: een structureel en een flankerend beleid. Een flankerend beleid probeert de last van een leven in armoede te verlichten. Klassiek voorbeeld is de lege brooddoos. Als kinderen met een lege brooddoos naar school komen dan zorgen scholen vaak zelf voor een maaltijd.

“Flankerend beleid laat onderliggend probleem onaangeroerd.”

Zo’n flankerend beleid is absoluut noodzakelijk. Er is wel een belangrijke beperking: je neemt wel de honger weg, maar niet het onderliggende probleem. Hetzelfde geldt uiteraard voor de gemediatiseerde 1-euro maaltijden.

Structureel beleid nodig

Om het onderliggende probleem op te lossen, heb je een structureel beleid nodig. Dat helpt mensen duurzaam uit de armoede en verhoogt inkomens. Een structureel beleid, dat is de sociale zekerheid, het tewerkstellingsbeleid het onderwijsbeleid en het woonbeleid.

“Dat kan je alleen doen op het federale niveau.”

Ga maar na. Volgens berekeningen van Eurostat verminderen vandaag onze sociale uitgaven de armoede van 44% van de Belgen naar 16%. Stel dat je de derdebetalersregeling in de gezondheidszorg veralgemeent. Dan moet niemand de volle pot betalen aan de dokter om het daarna terug te krijgen van het ziekenfonds. Dan help je in een klap honderdduizenden mensen voor wie een doktersbezoek betaalbaar wordt. Maar dat kan je alleen beslissen op het federale niveau.

Lokale niveau is beperkt

Wat kunnen steden en gemeenten dan doen om die 16% verder te verminderen? Het eerlijke antwoord is: weinig. Want het is heel moeilijk om de armoede te verminderen door enkel op het lokale niveau in actie te schieten.

Gemeentebesturen hebben heel wat mogelijkheden om een flankerend armoedebeleid te ontwikkelen, maar veel minder om een structureel beleid te voeren. Want daar heb je schaal voor nodig. En centen.

“Er zijn weinig mogelijkheden om het lokale beleid te evalueren.”

Bovendien zijn er weinig mogelijkheden om het lokale beleid te evalueren. De cijfers van Kind en Gezin zijn wel geschikt zijn om een diagnose te stellen van het probleem, maar niet om de effecten van het beleid te beoordelen.

Het aantal geboortes in kansarmoede wordt immers gedreven door de grote veranderingen op de arbeidsmarkt, sociodemografische verschuivingen of wijzigingen in het structurele federale of Vlaamse beleid.

Werkintensiteit

Neem bijvoorbeeld het aandeel gezinnen waar er weinig tot niet gewerkt wordt. Hoe meer kinderen opgroeien in zo’n werkarme gezinnen in een centrumstad, hoe hoger de centrumstad zal scoren op de kansarmoede-index (zie figuur 1).

Figuur 1. Samenhang tussen aandeel kinderen in werkarme gezinnen en de kansarmoede-index in 2013.

Maar de gemeentelijke beleidsinstrumenten om het aandeel werkarme gezinnen te verminderen zijn beperkt. Een gemeente kan een goed beleid voeren maar toch de cijfers zien stijgen. Of een slecht beleid voeren maar toch de cijfers zien dalen.

Het ligt niet aan de vluchtelingen

Vluchtelingen verklaren de stijging van de kansarmoede-index niet. Hoewel een toename van vluchtelingen een gemeente of stad voor uitdagingen plaatst, bijvoorbeeld in het voorzien van voldoende opvang, woningen en begeleiding, zijn de aantallen te klein om het armoedecijfer sterk te beïnvloeden.

“Migratie speelt wel een rol.”

Migratie, veel ruimer dan vluchtelingen, speelt wel een rol, en dan voornamelijk de mate waarin migranten erin slagen een plek in te vinden op onze arbeidsmarkt. Op dat vlak scoort België bijzonder slecht in Europees verband.

Geen excuses

Dat zijn geen excuses om op lokaal vlak dan maar niets te doen. Want niet alleen moet een flankerend beleid coherent uitgevoerd worden, er zijn mogelijkheden om structureel een inspanning te doen.

Een realistische inschatting van wat wel en niet kan is de basis voor een effectief beleid. Ik geef enkele aanzetten voor wat gemeenten wél kunnen doen.

Gebruik lokale statistieken

Gemeentebesturen zijn het best geplaatst om snel problemen op te pikken. Ze kunnen goed nagaan in welke wijken de problemen van armoede geconcentreerd zijn. Gebruik de lokale statistieken dus om op dit vlak vooruitgang te boeken.

“Hoe armer de wijk, hoe minder kinderopvang.”

Wie de statistieken kruist, ziet bijvoorbeeld dat hoe armer de wijk, hoe minder kinderopvang er beschikbaar is. Wie mensen wil activeren, moet zorgen dat er kinderopvang is. Daar kan een gemeente een sturende rol spelen.

Herdenk lokale dienstverlening

Als je weet waar de problemen het grootst zijn, dan kun je de lokale dienstverlening herdenken volgens het principe van het progressief universalisme. Diensten zijn toegankelijk en open voor iedereen, maar er worden bijkomende inspanningen geleverd om de meest kwetsbaren te helpen.

“Ook op lokaal vlak kan je structureel werken.”

Veel gemeentebesturen hebben bijvoorbeeld Huizen van het Kind, samenwerkingsverbanden van dienstverleners die werken rond gezin en opvoeding. Als mensen met vragen langskomen, waarom niet systematisch nagaan of ze ook recht hebben op de verhoogde kinderbijslag, een Vlaamse bevoegdheid? Zo werk je ook op lokaal vlak structureel.

Installeer neutrale loketten

Armoedebestrijding is veel meer dan het OCMW. Niet iedereen vindt zijn weg naar het OCMW. En niet iedereen wil er de weg naar vinden omdat er heel wat stigma mee gepaard gaat.

De fusie tussen OCMW en gemeentebesturen is een uitgelezen kans om daarmee aan de slag te gaan. Waarom geen neutrale loketten installeren waar je zowel voor een rijbewijs als voor informatie over een leefloon terecht kunt?

Werk proactief

Het volstaat niet om ergens een buurtcentrum te hebben en te verwachten dat kwetsbare mensen vanzelf zullen komen. Gemeentebesturen moeten proactief werken en zelf naar de mensen toegaan.

“Kwetsbare mensen komen niet vanzelf.”

Als de regioverpleegkundigen van Kind en Gezin bij elke geboorte langsgaan, waarom niet in vertrouwen samenwerken om bij die gezinnen langs te gaan en samen met die gezinnen te kijken waar je hulp kan bieden? Heel wat steden en gemeenten experimenteren al met zo’n aanpak. Van hun ervaringen kan worden geleerd.

Blijf structurele problemen aankaarten

Maar: besef ook goed waar de grenzen liggen van het lokaal beleid. Als je mensen die recht hebben op een sociale woning kon helpen met hun aanvraag, maar er zijn wachtlijsten van vijf jaar, dan is er uiteindelijk niets opgelost.

Blijf die structurele problemen aankaarten op het Vlaamse en federale niveau via de politieke weg. Want een gemeentebestuur alleen kan het armoedeprobleem helaas niet oplossen.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen