Het geïntegreerd breed onthaal

Wie niet netwerkt, is gezien

Het welzijnslandschap is versnipperd. Sociale professionals en organisaties botsen op grenzen. Er ontstaan hiaten in de hulpverlening. Kwetsbare mensen vallen door de mazen van het net. Met het ‘geïntegreerd breed onthaal’ wil Vlaanderen daar een eerste antwoord op bieden.

© Mykl Roventine @ Flickr
© Mykl Roventine @ Flickr

Geïntegreerd breed onthaal

Het ‘geïntegreerd breed onthaal’ is een term die gelanceerd werd door Vlaams minister van welzijn en gezondheid Jo Vandeurzen. Dit voorlopig nog erg abstract begrip houdt in dat verschillende welzijnsvoorzieningen de krachten bundelen in een netwerk. Het doel? Sociale onderbescherming bestrijden.

Het is moeilijk om je bij dit breed onthaal iets concreet voor te stellen. Het is niet meteen een heldere term. Nochtans moet het uiteindelijk resultaat herkenbaar zijn voor elke burger.

“Het doel is sociale onderbescherming bestrijden.”

De Vlaamse overheid heeft het concept geïntroduceerd om de verschillende spelers in het welzijnslandschap meer op elkaar af te stemmen. De bedoeling is “de toegankelijkheid van de hulp te verhogen door de krachten van welzijnsvoorzieningen te bundelen, zodat iedereen de weg vindt naar hulp”. Bijzondere aandacht gaat naar kwetsbare mensen zoals ouderen, zieken, personen met een handicap, mensen in armoede.

De verschillende organisaties moeten hiervoor een aantal basisopdrachten samenbrengen in een “voor de burger herkenbaar geheel”. Die basisopdrachten zijn mensen informeren, vragen van mensen verhelderen, hun rechten verkennen, ze naar de juiste diensten toeleiden en actief naar mensen toegaan.

Intensieve samenwerking

Heel concreet. Organisaties zoals de Centra voor Algemeen Welzijnswerk, OCMW’s, mutualiteiten en samenlevingsopbouw moeten intensief gaan samenwerken en hun aanbod op elkaar afstemmen.

“Organisaties moeten zich aanpassen aan de hulpvraag.”

Dit is meer dan elkaar ‘kennen’ en cliënten verwijzen. Het wil ook zeggen dat hulpvragers een vlot hulptraject moeten kunnen volgen. Organisaties moeten zich aanpassen aan de hulpvraag van de persoon door intens samen te werken en onderlinge grenzen weg te werken.

Een voorbeeld maakt de verwachtingen duidelijk. Jan is een alleenstaande man met twee kinderen. Hij is verwikkeld in een vechtscheiding. Jan heeft geen eigen woonst en verblijft in een opvangcentrum. Hij leeft van een uitkering. Door het verlies van zijn job kwam Jan in een zware depressie terecht. Hij bezoekt hiervoor een psychiater, maar is intussen ook verslaafd geraakt aan antidepressiva en alcohol. Hij heeft zich door alles in de schulden gewerkt. Zijn ex-partner wil niet dat hij de kinderen nog ziet. Maar de kinderen willen hun vader nog wel zien.

Jan lijkt wel een echte ongeluksvogel. Al toont de realiteit dat dit soort voorbeelden zich steeds vaker voordoen. Steeds meer mensen krijgen te maken met meerdere, vaak complexe problemen die zich tegelijk voordoen.

Vandaag moet je voor hulp bij die veelheid aan problemen bij verschillende organisaties aankloppen. Intense samenwerking in een ‘welzijnsnetwerk’ moet zorgen dat Jan op één plaats terecht kan voor hulp.

Modewoord

Netwerken is een modewoord. De status van het woord is opvallend positief. Ook in het welzijnslandschap is die evolutie merkbaar. Organisaties kijken over grenzen heen, op zoek naar mogelijkheden om burgers zo goed mogelijk te helpen.

“Wie niet intersectoraal denkt, doet aan navelstaren.”

Wie niet intersectoraal denkt, doet aan navelstaren en laat kansen liggen. Samenwerking is onvermijdelijk. En dat is goed. Want elke organisatie in zijn eigen hokje laten werken vanuit zijn eigen visie, zorgt ervoor dat mensen zoals Jan moeten opboksen tegen structuren. Het biedt geen oplossing voor zijn problemen.

Geen wondermiddel

De trend naar meer samenwerking is dus positief, alleen mogen we er ons niet blind op staren. Het netwerken zelf mag niet het doel zijn.

Netwerken is een middel om een bepaald doel te bereiken. Wat dat doel is, moet voor alle betrokken spelers heel duidelijk zijn. Iedereen moet er zich ook achter scharen. Dat vraagt enorm veel energie.

De moeilijke uitbouw en afstemming binnen integrale jeugdhulp bewijst dat. Die ervaring leert dat het op elk moment duidelijk moet zijn wie verantwoordelijk is voor de hulp en ondersteuning van een cliënt. Deze verantwoordelijkheid mag men maar loslaten wanneer het duidelijk is wie de hulp overneemt. Anders loopt het fout.

Belang van de cliënt

Wat je vaak hoort, is dat samenwerking steeds in het belang van de cliënt moet gebeuren. Ook bij het geïntegreerd breed onthaal wordt dit door de overheid benadrukt.

Het is de bedoeling dat de vragen van Jan centraal komen staan. Voorzieningen moeten zich rond die vragen organiseren. Hoe ze dat precies doen, is voor een cliënt van geen tel. Als hij maar op een vlotte manier geholpen wordt zonder van het kastje naar de muur te worden gestuurd. In het belang van de cliënt dus.

“Waarom blijft gezondheid buiten het vizier?”

Je begint je bijna af te vragen hoe het komt dat het welzijnslandschap ooit anders georganiseerd werd. Maar het doet je evenzeer de vraag stellen waarom het beleidsdomein gezondheid grotendeels uit het vizier van dit geïntegreerd breed onthaal blijft.

De diensten maatschappelijk werk van de mutaliteiten worden wel betrokken in het verhaal , maar de gezondheidszorg blijft verder buiten beeld. Waarom worden huisartsen en wijkgezondheidscentra niet meegenomen in dit verhaal?

Welzijn en gezondheid raken zo vaak aan mekaar dat je ze niet afzonderlijk kan bekijken. Dat bewijst ons fictief personage Jan, maar dat bewijzen nog vele andere niet-fictieve voorbeelden. Een netwerk in het belang van de cliënt moet zoveel mogelijk levensdomeinen verbinden om te kunnen slagen in zijn opzet.Verharen, L. (2016), ‘Gezond met sociaal werk. Welzijn en gezondheid moeten samenwerken’, Sociaal.Net, 11 januari 2016.

Belang van de samenleving

Sociale onderbescherming is het probleem dat moet aangepakt worden. Een ‘geïntegreerd breed onthaal’ wordt ingezet als middel om dat probleem aan te pakken. Maar is het vormen van een netwerk voldoende om sociale onderbescherming te bestrijden en te voorkomen?

“Curatieve hulp pakt sociale onderbescherming niet aan.”

Hoezeer samenwerking ook loont, het pakt de onderliggende maatschappelijke problemen niet per sé aan. Sociale problemen dragen altijd een maatschappelijke dimensie met zich mee. Mensen zijn kwetsbaar en onvoldoende sociaal beschermd door omstandigheden in de samenleving die dat mee in de hand werken. Veel minder omdat hulpverlening op individueel niveau faalt.

Hoe het geïntegreerd breed onthaal er op het terrein zal uitzien, is allesbepalend om het doel te bereiken. Om sociale onderbescherming weg te werken, zal hulpverlening veel preventiever moeten werken. Blijft hulpverlening veelal curatief, dan pak je sociale onderbescherming niet structureel aan.

De samenwerking tussen de verschillende organisaties moet dus ook, en vooral, in het belang van een rechtvaardige en solidaire samenleving zijn.

Ambitieus

In de beleidsnota van minister Vandeurzen lezen we op dit vlak wel wat ambitie.

“In een geïndividualiseerde samenleving is het cruciaal te blijven inzetten op een stevig en dragend sociaal weefsel, ook in welzijn en zorg. Dat veronderstelt een samenleving die mee zorg draagt, waar zorg in de maatschappij is ingebed en waaraan iedereen kan participeren (…) Dit zorgmodel vereist een creatief samenspel tussen de zelfredzame burger, zijn gezins- en sociale context, vrijwilligerswerk en professionele hulp waarbij de noden van de cliënt centraal staan. Dat structureel waarmaken veronderstelt het faciliteren van een netwerkbenadering van de hulp- en dienstverlening en de ondersteuning van mantelzorg en vrijwilligers. Op deze manier streven we naar een inclusief Vlaanderen.”

“Streven naar een inclusief Vlaanderen.”

Dit citaat gaat over vermaatschappelijking van zorg. Vermaatschappelijking slaat op het streven naar een samenleving waarin elke burger betrokken is, waarin niemand uitgesloten wordt en waarin de krachten van mensen worden aangegrepen om samen te bekijken of professioneel ingrijpen gewenst en nodig is.

Er wordt dus eerst vertrokken van de sterktes van mensen, en de ondersteuning door familie en vrienden. Waar nodig springt de professionele hulp bij.

Dit is uiteraard een heel mooi principe, maar er zijn ook valkuilen aan verbonden.De Maeyer, J. e.a. (2015), ‘Vermaatschappelijking. Laveren tussen kansen en bedreigingen’, Sociaal.Net, 1 december 2015; Everaert, E. e.a. (2015), ‘Vermaatschappelijking van zorg. De kracht van verandering of een holle slogan’, Sociaal.Net, 14 september 2015.Als de samenleving zich hierop niet organiseert, dan dreigt men bij vermaatschappelijking vooral een beroep te doen op de burger (die nog meer onder druk komt te staan), en niet op de verantwoordelijkheid van de overheid.

Het idee dat naasten de zorg en ondersteuning opnemen voor elkaar is een heel mooi principe, maar is het ook haalbaar?

Vechten tegen individualisering

We leven in een individualistische samenleving. Die trend lijkt niet meteen te keren. Het solidariteitsprincipe wordt steeds meer in vraag gesteld. Mensen komen onder druk te staan om meer en langer te presteren op individueel niveau. Wie niet werkt, heeft minder aanzien. Het ‘trek-je-plan’ gehalte is hoog.

Als deze trends zich voordoen, kunnen we dan tegelijkertijd vermaatschappelijking en inclusie realiseren?

Als andere beleidsdomeinen niet mee zijn in dit verhaal, wordt vermaatschappelijking een hol concept. Hetzelfde geldt voor het geïntegreerd breed onthaal. Zolang we maatschappelijke problemen niet structureel bekijken en aanpakken, is het vormen van een netwerk geen oplossing voor sociale onderbescherming.

“De kaarten voor vermaatschappelijking liggen niet goed.”

We citeren filosoof Ignaas Devisch: “De wijze waarop de samenleving zich organiseert, produceert bepaalde sociale problemen, en de naam sociaal werk heeft maar zin indien hij ingezet wordt om dit tegen te gaan en sociale discriminaties mee tot een minimum te beperken. Sociaal werk is bijgevolg alleen dan verbindend indien het deze bepalende factoren van onze leefomstandigheden in rekening brengt en zich niet beperkt tot empowerment van de cliënt.”Thienpont K. (red.) (2014), Sociaal Werk verbindt, Gent, Academia Press.

Droom en daad

Als puntje bij paaltje komt, gaat het ook steeds om de financiële en materiële middelen die nodig zijn om een vooropgezet doel te bereiken.

De Vlaamse overheid bespaart op welzijn en onderwijs. Tegelijk wordt de groep kwetsbare mensen groter, ook door overheidsbeleid. Dat maakt dat de kaarten voor vermaatschappelijking niet goed liggen, hoe groot en sterk het gevormde netwerk ook mag zijn. Het geïntegreerd breed onthaal zal hierop niet het antwoord zijn.

Hoewel de ambities niet ontbreken, doen de middelen dat wel. Een geïntegreerd breed onthaal kan alleen sociale onderbescherming tegengaan als er ook structurele veranderingen in de samenleving plaatsvinden. Anders blijft het dweilen met de kraan open.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen