Geen vermaatschappelijking zonder krachtig sociaal werk

Voer voor een offensieve sociaalwerkconferentie

De Gentse ‘Academische Werkplaats Vermaatschappelijking’ nodigde een bontgekleurde groep sociale professionals uit voor een dialoogdag over vermaatschappelijking. Het werd een boeiende bijeenkomst. Voer voor de sociaalwerkconferentie 2018.

vermaatschappelijking
©Lena Dara Liaskou @flick

Sociaal werk uitgedaagd

Sociaal werkers worstelen met vermaatschappelijking van zorg. De tendens om de zorg voor kwetsbare mensen meer op te nemen in de samenleving zorgt voor fricties.

“Sociaal werkers worstelen met vermaatschappelijking.”

Vermaatschappelijking biedt heel wat elementen waarin sociaal werkers zich kunnen vinden. Het is een pleidooi voor inclusief burgerschap en samenlevingsopbouw, voor de effectuering van grondrechten en voor een krachtiger sociaal werk.

Maar sociaal werkers zijn ook bezorgd. Op het terrein stellen ze vast dat uitgerekend de meest kwetsbare burgers door vermaatschappelijking nog meer kopje onder gaan.Meer lezen over vermaatschappelijking kan op Sociaal.Net.

Tegenstrijdige emoties

Vermaatschappelijking wringt. Het roept tegenstrijdige emoties op, van enthousiasme tot verontwaardiging. Vermaatschappelijking is prima. Maar als ze op een foute manier ingevuld wordt en als de randvoorwaarden niet vervuld zijn, loopt het uit op een fiasco.

Welke randvoorwaarden? Is onze samenleving wel klaar voor vermaatschappelijking? En waar zit de stem van de hulpvragers?

Individuele vraagsturing

HoGent nam vanuit haar Academische Werkplaats Vermaatschappelijking het initiatief om tijdens een dialoogdag deze vragen en twijfels verder uit te klaren. Dat bleek niet zo eenvoudig, want soms gaat het ook over andere evoluties die aan vermaatschappelijking gelinkt worden.

Die moeilijkheid rees al bij de opener van het debat: de persoonsvolgende financiering van de zorg voor mensen met een beperking. Jeroen De Weerdt van Onafhankelijk Leven, een bijstandsorganisatie die opkomt voor de rechten van mensen met een handicap, maakte duidelijk dat die financieringsvorm er gekomen is op vraag van mensen met een handicap.

“Subsidiestromen worden verlegd.”

Die nieuwe financieringsvorm is niet meteen een uiting van vermaatschappelijking, wel in de eerste plaats een verschuiving in de relatie tussen zorgvrager en zorgaanbieder. Subsidiestromen worden verlegd van de voorziening naar de gebruiker. Die kan nu met een eigen budget de zorg en ondersteuning inkopen waar en wanneer hij dat zelf wil.

Begrensd budget

Dat klinkt allemaal eenvoudig. Niets is minder waar. Want om zo’n eigen budget te kunnen ontvangen, moet de zorgzwaarte gemeten worden. Daarnaast is er een ondersteuningsplan nodig. In dit laatste werd wel een stukje vermaatschappelijking verrekend. In zo’n plan kijkt men immers ook naar de eigen mogelijkheden, die van het omringende netwerk en van niet-gespecialiseerde diensten, zoals thuiszorg en poetshulp.

Eens het budget toegekend is, kan men met cash of een voucher de markt op, op zoek naar mogelijke zorgaanbieders. Voor heel wat mensen zal dat de voorziening zijn waarop ze al een beroep deden. Maar mensen kunnen ook kiezen om de zorg elders in te kopen of door mantelzorgers te betalen.

Toch zijn er grenzen aan de vrije besteding van dit budget. Je kan er bijvoorbeeld niet de huur van je woning mee betalen. Uitgaven moeten aan de overheid verantwoord worden.

Eigen regie niet evident

Voorzieningen die werken met mensen met een handicap, hebben vragen bij die doorgedreven individuele vraagsturing. Het standpunt van Mario Vanhaeren (vzw Oostrem) is duidelijk.

“Men gaat er snel van uit dat de gebruiker met z’n persoonlijk budget een eigen regie voert. Maar niet iedereen is in staat om de juiste keuzes te maken. De rol van de hulpverlener raakt ondergesneeuwd door een marktgerichte klantgerichtheid. De persoonsvolgende financiering vertrekt van het individu en zet de collectief georganiseerde zorg in het verdomhoekje.”

“De rol van de hulpverlener raakt ondergesneeuwd.”

Niet iedereen volgt die redenering. Want mensen kunnen beroep blijven doen op de collectief georganiseerde zorg. En dat zijn al lang niet meer alleen de klassieke instellingen. Het is dus niet ofwel de instelling met begeleiding, ofwel thuis zonder professionele hulp.

Zorgboerderij

Toch duwt de hele hervorming mensen met een beperking meer in de richting van informele en niet-gespecialiseerde zorg. Zo komen bijvoorbeeld ook zorgboerderijen in het aandachtsveld. Volgens Mario Vanhaeren installeert dat het gevoel dat iedereen zorg kan bieden: ouders, mantelzorgers en gewone burgers.

Sommige ouders nemen het heft in handen en leggen middelen samen om voor hun zorgbehoevende kinderen een voorziening te creëren. Gaan zij dat kunnen volhouden zonder professionele ondersteuning?

Middenklasse

Is die persoonsvolgende financiering toch niet vooral een verhaal voor de middenklasse? Zijn mensen met meervoudige problemen, mensen in armoede of met een migratieachtergrond er wel mee gebaat? Die vraag is terecht, zeker omdat hun mantelzorgers ook vaak in armoede leven.

“Toch kunnen mensen in armoede, mits de nodige ondersteuning van sociaal werkers, perfect aan de slag met hun budget,” aldus Jeroen De Weerdt. Wel moet hier bijzondere aandacht gaan voor drempels naar hulp en een onderbenutting van hun grondrechten.

Weinig boodschap

Kwestie is om de lat op de juiste hoogte te leggen. Persoonsgebonden budgetten zullen de armoedeproblematiek niet oplossen. Dit is een handicapspecifiek budget dat enkel besteed wordt aan specifieke ondersteuning. Vermaatschappelijking betekent ook dat mensen met een beperking beroep moeten doen op algemene voorzieningen en op de realisatie van hun grondrechten via de sociale zekerheid.

“Het is geen antwoord op armoede.”

Maar daar knelt het schoentje. De armoede daalt niet, de uitkeringen blijven onder de armoedegrens, een woning huren is duur en er wordt bespaard op gezondheidszorg en mobiliteit. Wie zijn grondrechten niet kan realiseren, heeft weinig boodschap aan vermaatschappelijking van de zorg.

Meer mantelzorg, sterker sociaal werk?

Het verleggen van de financieringsstroom van de voorziening naar de gebruiker leidt hoe dan ook tot een verschuiving van bepaalde zorgtaken van de erkende voorzieningen naar mantelzorgers, vrijwilligers en niet-gespecialiseerde zorg.

“Kunnen mantelzorgers dat wel aan?”

Ook voorstanders van deze vermaatschappelijking houden hun hart vast. Kunnen die mantelzorgers dat wel aan? Onderzoek naar de belasting van mantelzorgers geeft aan dat hun draagkracht tegen de limiet zit. En kan het generalistisch, niet-gespecialiseerd sociaal werk de hoge verwachtingen inlossen? Een goed uitgebouwd en krachtig sociaal werk is een belangrijke kritische succesfactor voor elke beweging naar vermaatschappelijking.

vermaatschappelijking
Dialoogdag ‘Vermaatschappelijking’

Verontruste opbouwwerkers

Vermaatschappelijking of zorg inbedden in de samenleving: dat moet als muziek in de oren klinken van opbouwwerkers die dagelijks aan samenlevingsopbouw doen.

Toch hebben zij vragen. Opbouwwerkers stellen vast dat door de vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg er meer mensen met ernstige psychische problemen in het straatbeeld en in buurthuizen verschijnen. Er zijn aanwijzingen dat patiënten naar buurthuizen worden doorgestuurd, om ze op die manier te verwijderen van de wachtlijst.

“Opbouwwerkers hebben vragen.”

Opbouwwerkers signaleren dat ze onvoldoende competenties hebben om met deze groep mensen, die soms het evenwicht in de buurtwerking verstoren, goed om te gaan. Bovendien komt de structurele opdracht van het opbouwwerk in het gedrang, zeker wanneer men voortdurend op individuele situaties moet reageren.

Opbouwwerkers staan achter de idealen van vermaatschappelijking. Maar vanuit hun praktijk hebben ze grote bedenkingen. Men vreest nog meer ongelijkheid in het recht op zorg omdat de mazen in het zorgsysteem groter worden en het gebrek aan sociaal kapitaal in de omgeving van kwetsbare mensen onderschat wordt. De vermaatschappelijking dreigt daardoor een ramp te worden voor mensen aan de onderkant van de samenleving.

Kwartiermaken

Om de eerste lijn beter te wapenen, werken opbouwwerkers aan geïntegreerde basisvoorzieningen die buurtgericht en laagdrempelig schakelen naar de nodige hulp en ondersteuning voor deze uiterst kwetsbare mensen.

Zo’n buurtwerking staat of valt met het engagement van hulpverleners om die broodnodige ondersteuning te bieden. Dit lukt bijvoorbeeld bij Dinamo in Deurne. Toch blijft het engagement van de betrokken sectoren broos. Het gevoel bestaat dat kwetsbare mensen nog te veel gedropt worden op een onbeslagen eerste lijn. Dat mondt uit in situaties waarbij buurthuizen ook een ontmoetingsplek worden voor mensen met ernstige psychiatrische problemen. Is dat wel de juiste weg?

Zet ervaringsdeskundigen in

Deze bedenking wekte irritatie bij mensen uit de geestelijke gezondheidszorg. Nieuwe functies en methoden zoals kwartiermaken worden ingezet om ook mensen met psychische problemen te doen aansluiten bij buurtwerkingen en andere basisvoorzieningen. Het vertrekpunt is dat deze mensen een warme plek moeten vinden in de samenleving, ook in buurthuizen.

Jasper Stevens van het Gentse Cliëntenbureau, is goed geplaatst om hier de focus te zetten op het belang van ervaringsdeskundigheid. Hij ondersteunt ervaringsdeskundigen in de geestelijke gezondheidszorg. Vanzelfsprekend is hij voorstander van een zorg die zich nestelt in de samenleving. Ook hij tekent voor een sterke en goed ondersteunde eerste lijn. Maar om al die bruggen te bouwen, heb je ook ervaringsdeskundigen nodig. Hun expertise en meerwaarde wordt nog te vaak over het hoofd gezien.

Meer sociaal werk

Iedereen beaamt het belang van sterke en gevarieerde professionele ondersteuning op de eerste lijn. Het appel op omgevingsfiguren en instituties die grondrechten moeten verzekeren, is terecht. Maar dat kan maar met meer professionele ondersteuning voor mantelzorgers of buurt- en inloopcentra. Ook het werken aan sociale cohesie en aan structurele veranderingen moet meer aandacht krijgen.

“Vermaatschappelijking leidt tot meer sociaal werk.”

Vermaatschappelijking moet dus onvermijdelijk leiden tot meer sociaal werk. De eerste lijn heeft nog een serieuze inhaalbeweging te maken. Lukt dat niet, dan stevent vermaatschappelijking van zorg af op een mislukking.

“Sociaal werkers moeten opletten dat ze zich niet in de eigen voet schieten, door het vanzelfsprekend te vinden dat hun beroep zomaar kan overgedragen worden aan een zorgboer, een vrijwilliger of een mantelzorger”, zo klonk het in de zaal.

Nieuwe vormen van solidariteit

Kan historicus en filosoof Thomas Decreus meer lijn brengen in dit wankelen tussen geloof en twijfel? Volgens Decreus moet je vermaatschappelijking beoordelen vanuit de evolutie van de Westerse marktsamenleving. Sociale relaties en sociale solidariteit worden steeds meer vervangen door marktrelaties. Dat voorspelt weinig goeds: zelfs zorgrelaties dreigen herleid te worden tot een commerciële ruilwaarde.

“Nostalgisch teruggrijpen, is geen oplossing.”

Nostalgisch teruggrijpen naar de klassieke verzorgingsstaat is geen oplossing. We moeten nadenken over nieuwe vormen van solidariteit. We hebben een sociaal systeem nodig dat aan elke burger materiële middelen maar ook zorg ter beschikking stelt als ‘gebruikswaarde’.

Laboratoria voor verandering

De verantwoordelijkheid om nieuwe vormen van solidariteit te ontwikkelen, mag je niet uitsluitend bij de overheid leggen. Decreus wijst erop dat onze sociale zekerheid niet ontsproten is aan het brein van de staat, maar gegroeid is uit praktijken in de samenleving. De samenleving is het labo voor verandering. Daarom biedt vermaatschappelijking aan terreinwerkers kansen om mee te sleutelen aan die samenleving.

Die oproep wordt op gemengde gevoelens onthaald. Want het wringt bij sociaal werkers en mantelzorgers dat de verantwoordelijkheid voor het welslagen van vermaatschappelijking steeds meer op hun schouders gelegd wordt. Wat als het mislukt? Mogen we nog experimenteren en falen? Loert hier het individueel schuldmodel om de hoek? Wat met doelgroepen en problemen die maatschappelijk niet goed ‘in de markt’ liggen?

Te veel voor Korneel

Toch zullen we het samen en van onderuit moeten waarmaken. Dat vraagt de nodige ruimte en slagkracht. Die geeft de overheid ons niet, zo klonk het op de dialoogdag. Integendeel, de overheid legt ons bepaalde samenwerkingsmodellen op en creëert steeds nieuwe regels en procedures. Ze geeft ons niet de middelen en ruimte om creatief aan de slag te gaan om de zorg in de samenleving vorm te geven.

“De overheid geeft onvoldoende ruimte.”

Eerstelijnswerkers zitten op hun tandvlees en moeten vaak meedraaien in uiteenlopende intersectorale concepten zoals het geïntegreerd breed onthaal, huizen van het kind, krachtgerichte jeugdhulp, vermaatschappelijking van de psychiatrie, eerstelijnszones en nog veel meer. Dat wordt te veel voor sociaal werker Korneel.

De positivo’s roeren zich. Toch zal verandering van onderuit moeten komen, door samen de verantwoordelijkheid op te nemen om kwetsbare mensen een plek te geven in de samenleving, over de grenzen van sectoren en doelgroepen heen. Sociaal werkers kunnen die verantwoordelijkheid niet ontlopen.

Duidelijke essentie

Het slotwoord was voor die gecontesteerde overheid. Wim Wouters, raadgever van Vlaams minister Jo Vandeurzen, pikte meteen in.

“Vermaatschappelijking van zorg is geen uitvinding van minister Vandeurzen. Het is ontstaan vanuit de samenleving, met vele initiatieven die niet altijd goed samenhangen en ook niet altijd gesitueerd zijn in een lange termijnvisie.” Voor Wouters is de essentie van vermaatschappelijking duidelijk: “Mensen met hun kwetsbaarheden een inclusieve plek geven in de samenleving.”

“We willen mensen een inclusieve plek geven.”

Binnen het beleidsdomein welzijn, gezondheid en gezin ziet Wim Wouters alvast drie niveaus van actie. Op het macroniveau wordt aan een nieuw beleidskader gewerkt voor concepten van geïntegreerde en vraaggestuurde zorg. Op mesoniveau is het de uitdaging om de zorg zo dicht mogelijk bij de mensen te organiseren en een link te leggen naar andere beleidsdomeinen. Op microniveau is het zaak om mensen en hun omringende netwerken te versterken. Aan zij die het moeilijk aankunnen, moeten we voldoende ondersteuning bieden.

Welke overheid?

Een welzijnsminister heeft niet alle touwtjes in handen om vermaatschappelijking in goede banen te leiden. De belangrijkste succesfactoren liggen bij werk, wonen, vrije tijd, ruimtelijke ordening en mobiliteit. Allemaal buiten het beleidsdomein van welzijn en gezondheid…

Het is dus maar de vraag over welke overheid we het hebben in het kader van vermaatschappelijking: de welzijnsminster, zijn Vlaamse collega’s, de federale overheid die verantwoordelijk is voor de uitkeringen, de honderden lokale overheden die steeds meer verantwoordelijkheid en steeds minder middelen hebben? En welke impact heeft de welzijnsminister op al die andere overheden?

Geen besparingen

De onvermijdelijke vraag werpt zich dan op: Is vermaatschappelijking een dekmantel voor besparingen? Wouters ontkent met klem. In tegenstelling tot de ons omringende regio’s wordt in Vlaanderen niet bespaard op welzijn en gezondheid. “Het is oneerlijk om te zeggen dat er geknipt werd in het budget en dat mantelzorgers die gaten moeten vullen.”

Wel wijst hij op het belang van wat eerdere sprekers hebben aangehaald: vermaatschappelijking kan maar slagen als mensen ook voldoende basisrechten realiseren. Daarom is het belangrijk om voldoende te investeren in sociale zekerheid en bijstand. Effecten van het gevoerde beleid, zoals het beperken van de inschakelingsuitkering in de werkloosheid of maatregelen met betrekking tot de toegang tot gezondheidszorg, moeten goed opgevolgd worden. Belangrijk hier is ook het optrekken van de minimumuitkeringen tot de Europese armoedegrens.

Minder zichtbaar

Hoe kijkt deze kabinetsmedewerker naar noodkreten om de eerste lijn te versterken? “Er wordt veel verwacht van eerstelijnsdiensten zoals CAW’s en OCMW’s. Die moeten inderdaad versterkt worden. Mantelzorgers zijn niet de enige verantwoordelijken. De uitdaging is om het samen op te nemen, professionals met actieve burgers.”

“De versterking van de eerste lijn is cruciaal.”

Wouters windt er geen doekjes om: “De versterking van de eerste lijn is een belangrijke factor om de vermaatschappelijking te doen slagen.” Een overtuiging die uiteraard door de aanwezigen voluit gedeeld werd. Toch is dat politiek en maatschappelijk geen gemakkelijk debat. Terwijl de maatschappelijke relevantie van die eerste lijn niet altijd even goed zichtbaar is in direct resultaat, staan veel mensen ongeduldig te wachten op de tweede en derde lijn.

Een lange weg

Dure woorden gaan vaak over processen van lange duur, met hoopvolle perspectieven en beangstigende schaduwzijden. Zo ook met het containerbegrip ‘vermaatschappelijking’, dat vaak te gemakkelijk in één adem wordt genoemd met besparing, vermarkting, individualisering, dualisering… Kortom: al het kwaad dat ons door de neoliberale samenleving wordt aangedaan.

De dialoogdag gaf een heldere kijk op deze schaduwzijden, die voor de ene onvermijdelijk en inherent zijn aan vermaatschappelijking en voor de ander eerder randvoorwaarden die de vermaatschappelijking kunnen doen slagen of mislukken.

En wie diep genoeg graaft, vindt consensus. Iedereen beaamt dat kwetsbare mensen recht hebben op een inclusieve plaats in een solidaire samenleving. Dat is een juiste maar lange weg, met vele hindernissen en valkuilen. En vooral veel investeren en timmeren in krachtig sociaal werk op de eerste lijn. Voer voor een offensieve agenda van de sociaalwerkconferentie op 24 mei 2018.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen