Aanpak van grensoverschrijding in gezagsrelaties

Zwijgen is geen zilver, spreken is goud

Geweld is alomtegenwoordig. Dagelijks worden we geconfronteerd met beelden van oorlog en terrorisme, er is geen stad of dorp zonder straatcriminaliteit en ook achter de coulissen van gezin of hulpverlening schuilen misbruik en geweld. De voorbije jaren kwam die laatste geweldsvorm prominent in beeld. Denk maar aan verwaarlozing, mishandeling en seksueel misbruik binnen de katholieke kerk of voorzieningen voor jeugdhulp. Hoe kunnen we hiermee corrigerend en preventief omgaan? Door de kop niet in het zand te steken maar meteen in te gaan op geruchten. Dat vraagt gerichte initiatieven op niveau van praktijkwerkers, leidinggevenden en beroepsgroepen.

 

oog
© Lali Masriera

 

Gedeelde schuld

Wanneer situaties van grensoverschrijding losbarsten in de media, is het verdere verloop vaak voorspelbaar. Eens de duivel uit het doosje, wordt ijverig gezocht naar een schuldige. Wie kan met de vinger gewezen worden voor het aangedane leed? Wie is aansprakelijk? Iedereen die aangekeken wordt, minimaliseert zijn aandeel en schuift de zwarte piet door naar andere betrokkenen of het slachtoffer zelf. Alle energie gaat naar de schuldvraag en iedereen probeert het eigen aandeel uit het vizier te houden.

Toch lost die defensieve houding weinig op. Eens de gemoederen bedaard zijn en de media haar camera’s verschuift, komt er ruimte voor meer genuanceerde analyse. Dan blijkt het ongemoeid laten van misbruik te vertrekken vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid. Eerder dan alle zonden op één nek te schuiven, is het zinvoller om zicht te krijgen op al wie voor dat lange stilzwijgen moreel medeverantwoordelijk is. Door die schuld te delen, zullen de betrokkenen meer geneigd zijn om actief te zoeken naar herstelmogelijkheden.

Gerucht exploreren

Nog een opvallende vaststelling: getuigenissen van slachtoffers in de media leiden zelden tot totale verbijstering. De onmiddellijke omgeving van slachtoffer en pleger geven regelmatig aan al eerder één of ander gerucht opgevangen te hebben.Van Dale omschrijft een gerucht als: “bericht dat rondgaat maar waarvan de waarheid onzeker is”.Maar blijkbaar bestaat bij een gerucht de spontane neiging om het te laten voor wat het is. Iets waarvan de waarheid onzeker is. Niemand voelt zich aangesproken om het gerucht te exploreren. Integendeel, men kiest voor het voordeel van de twijfel ten aanzien van de vermeende pleger.

“Een gerucht over grensoverschrijdend gedrag moet je steeds verder exploreren.”

Maar met die struisvogelpolitiek is niemand gediend. Een gerucht over grensoverschrijdend gedrag moet je steeds verder exploreren. Wellicht bestaat er een zekere schroom om dit te doen. Want meestal gaat het over onprettige aantijgingen waarbij de gevolgen voor de betrokkenen aanzienlijk kunnen zijn. Het is een aanslag op het vertrouwen om te erkennen dat een priester,  psychiater, hulpverlener of gevangenisdirecteur in staat is om grensoverschrijdend gedrag te stellen tegenover mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Temeer omdat het gaat om functies met maatschappelijk aanzien en moreel gezag. Wellicht zijn reacties als “dit kan niet waar zijn”, “zoiets doet men toch niet” of “het zullen wel valse geruchten zijn” zeer menselijke ontkenningen van een waarheid die het daglicht niet kan verdragen.

In ieders belang

Een gerucht verder onderzoeken doet zowel recht aan slachtoffers als vermoedelijke plegers. Zeker omdat het van belang is om feiten en veronderstellingen van elkaar te scheiden. Stel dat het om valse geruchten gaat, dan heeft de vermeende pleger er belang bij dat zijn reputatie beschermd wordt. Er kan dan snel en gepast gereageerd worden door een verwerping van de aantijgingen. In dat geval komt er wel een andere vraag boven drijven: waarom wil men iemand vals beschuldigen? Ook als het terechte aantijgingen betreft, heeft de pleger er belang bij dat er adequaat ingegrepen wordt zodat hij geen verdere schade meer kan aanrichten. Het indijken en voorkomen van verdere schade is ook vanuit het perspectief van de pleger belangrijk.

“Het voorkomen van verdere schade is ook vanuit het perspectief van de pleger belangrijk.”

Vanzelfsprekend heeft het slachtoffer er alle belang bij dat het grensoverschrijdend gedrag onmiddellijk stopt. Nadien kan er een begin van verwerking én herstel gemaakt worden. Beveiliging en bescherming van het slachtoffer is prioritair. Bovendien riskeert, wie de lippen wetens en willens op elkaar houdt, vervolgd te worden voor de gevolgen van dat stilzwijgen. Door een gerucht ongemoeid te laten, dreigt een veroordeling wegens schuldig verzuim.Herbots, K. en Put, J. (2013), Omgaan met beroepsgeheim, Mechelen, Kluwer, 24.Men bood immers geen hulp aan iemand in nood.

Morele moed

Het vraagt morele moed om geruchten te onderzoeken en constructief af te handelen. Ondersteuning en advies vragen bij collega’s kan helpen om die moed op te brengen. “Om een verschil te maken is morele moed nodig: de moed om moreel te handelen, om te doen wat je moreel juist acht”.Karssing, E. (2011), De oplossing is het probleem niet: reflecties op ethiek, integriteit en compliance, Nederlands Compliance Instituut, Capelle aan den IJssel, 233.Elkaar aanspreken op mogelijk ontsporend gedrag is een vaardigheid die je kan leren. “Door elkaar aan te spreken, kun je elkaar corrigeren zodat het ongewenste gedrag ophoudt.”Bureau integriteitsbevordering openbare sector (2010), Handreiking: Aanspreken en aangesproken worden, CAOP, 11.De meeste mensen willen  aangesproken worden wanneer ze gedrag stellen dat schade toebrengt aan de integriteit van anderen. Maar wanneer hen gevraagd wordt of ze op hun beurt collega’s aanspreken op niet-integer gedrag, zegt de meerderheid dat niet te doen. Wellicht speelt hier schroom om anderen aan te spreken want “misschien zie ik het verkeerd”. Bovendien moet men over twee deugden beschikken om iemand aan te spreken: moed om een mogelijk negatieve reactie te incasseren en verstandigheid om de betrokkene zodanig aan te spreken dat die er iets mee kan.

“Elkaar aanspreken op mogelijk ontsporend gedrag is een vaardigheid die je kan leren.”

Met dit aanspreken van collega’s op geruchten en vermoedens, zitten we in de preventieve sfeer. Gaat het daarentegen om duidelijk misbruik, mishandeling of verwaarlozing, is aanspreken niet meer zinvol en zelfs gevaarlijk. Het zou de pleger ertoe kunnen aanzetten om bewijzen te vernietigen. Dan kan men beter het vermoeden meteen melden, bij voorkeur bij een leidinggevende. Deze heeft de morele plicht om gepast te reageren. Melden bij justitie kan dan de juiste stap zijn. Daarenboven koppelt de leidinggevende het verdere verloop van de melding terug. Blijft die feedback afwezig, dan bestaat het risico dat de melder vertwijfeld raakt, zich terugplooit en vervalt in stilzwijgen.

Integriteitsbeleid

Leidinggevenden moeten bij grensoverschrijdend gedrag meteen in actie schieten. Collega’s aanspreken op mogelijk grensvervagend gedrag vraagt om een cultuur van aanspreekbaarheid. Zo’n cultuur komt niet uit de lucht gevallen. Een organisatie die integer is, stimuleert een aanspreekcultuur. Die beseft dat integriteit een verantwoordelijkheid is van de hele organisatie. Reacties als: “het is mijn afdeling niet”, “het zijn mijn cliënten niet”, “ik weet het maar kijk opzij”, wijzen op een organisatie waar medewerkers zich niet genoeg betrokken voelen op het integriteitsbeleid.

“Leidinggevenden moeten bij grensoverschrijdend gedrag meteen in actie schieten.”

Vanuit een organisatie kan men op dit vlak personeel ondersteunen op verschillende manieren.Stas, K. (2013), Omgaan met beroepsgeheim, Kluwer, 145-148.Zo kunnen werknemers meebouwen aan een integer beleid via vorming, collegiaal overleg, consult, intervisie en supervisie, handzame procedures, een ethische code of een adviescommissie. Zo’n ondersteuning heeft enkel zin als leidinggevenden het goede voorbeeld geven. Hebben zij de neiging om schendingen van integriteit toe te dekken, dan kan men moeilijk verwachten dat werknemers het voortouw nemen. Trappen worden immers van boven naar beneden schoongemaakt.

Het voeren van zo’n integriteitsbeleid garandeert geen integriteit op de werkvloer. Men kan procedures uitwerken, beraadslagen en casussen bespreken, maar dit garandeert niet dat gebruikers zich integer benaderd voelen. Daarom moeten gebruikers participeren aan het integriteitsbeleid van een organisatie. Hebben ze voldoende kanalen om hun ervaringen kenbaar te maken? Wordt er voldoende gewicht toegekend aan hun opmerkingen en belevingen? Zijn de wegen om iets aan te kaarten helder en betrouwbaar? Worden klachten adequaat opgevolgd? Daarnaast kunnen eigen medewerkers in een organisatie hierop bevraagd worden. Met al dit materiaal bijeen kan men het beleid op vlak van grensoverschrijding inschatten en bijsturen. Trouwens, men hoeft niet te wachten op incidenten om hiermee te starten.

Machtsmisbruik voorkomen

Gezagsfuncties gaan vaak samen met reële macht. Een arts, priester, sportmonitor of therapeut kan macht uitoefenen op zijn cliënt, gelovige of sporter. Die macht kan tot machtsmisbruik leiden. Het is belangrijk dat proces te verhelderen om er vervolgens op te kunnen ingrijpen. Plegers misbruiken de kwetsbare afhankelijkheidspositie van gebruikers vooral in situaties waar geen toehoorders of pottenkijkers zijn. Werkt een therapeut bijvoorbeeld niet als solist, maar wel in ruimer dienstverband, dan moet de cliënt dat weten. Zo weet de cliënt waaraan hij zich kan verwachten en is hij op de hoogte van uitvalswegen indien hij zich niet comfortabel voelt bij de begeleiding. De gebruiker van een organisatie moet ingelicht zijn over de plek waar hij terecht kan met klachten over ongepast gedrag van de zorgverstrekker. Dit vraagt om een helder informatiebeleid over rechten voor gebruikers.

“Een professional die zich afschermt van toezicht en controle is een ongeleid projectiel.”

Werkt een hulpverlener in een één-op-één relatie en buiten de context van een ruimere organisatie, dan moet hij vooraf zijn professioneel handelen en het toezicht daarop kunnen duiden vanuit een beroepsvereniging, intervisie- of supervisiegroep. Een professional die zich afschermt van toezicht en controle is een ongeleid projectiel. Dat zet het licht op groen voor eventueel misbruik. Toezicht toelaten in het eigen werk is een teken van integriteit, werkrelaties afschermen een alarmsignaal. Zeker bij geruchten moet inzage in werk mogelijk gemaakt worden. Bij geruchten wordt geïsoleerd werken ontoelaatbaar, ongeacht of klachten al dan niet gegrond zijn. Door in die situaties isolement te doorbreken, geeft men een daadkrachtig signaal aan alle partijen.

Wie corrigeert?

Aandacht voor beroepsethiek is in opmars. De voorbije jaren ontstonden er heel wat deontologische codes en adviesraden voor specifieke beroepsgroepen. Dat is goed: het benadrukt de ethische dimensie van een beroepsgroep. Vaak wordt dit zelfs per sector specifiek uitgewerkt. Beroepsgroepen willen uitstralen dat ze als ‘beroep’ ethisch verantwoord handelen. Professionaliteit wordt niet alleen vorm gegeven door methodische inzichten en vaardigheden, maar ook door integer te handelen. Op ethisch vlak wil een beroepsgroep een kwaliteitslabel dragen. Grensoverschrijdend gedrag van dienst- en zorgverleners besmet de uitstraling.

“Aandacht voor beroepsethiek is in opmars.”

Zo’n beroepsethiek biedt een kader bij het nadenken over én het handelen bij grensoverschrijdend gedrag. Maar ethiek toont zich in de actie, niet enkel in de reflectie. Handelt men zoals men voorschrijft of eindigt het bij goede intenties? “Moreel nadenken is niet genoeg, je moet je oordeel ook in handelen omzetten. Moed slaagt de brug tussen denken en doen.”Karssing, E. (2011), De oplossing is het probleem niet: reflecties op ethiek, integriteit en compliance, Nederlands Compliance Instituut, Capelle aan den IJssel, 234.En daar nijpt het schoentje. Het is nog wachten op doeltreffende instrumenten die in de feiten corrigerend optreden. Zo volstaat het niet om gesloten adviesraden te installeren die ver verwijderd staan van de gebruikers. Neem de Orde van geneesheren, een intern rechtscollege met tuchtrechtelijke bevoegdheden. Bij zwaarwichtige feiten kan deze orde een collega verbieden om het medisch beroep verder uit te oefenen. Het is zeer de vraag of patiënten het gevoel hebben dat hun integriteit hierdoor beter beschermd wordt. “De orde wordt eerder gepercipieerd als een orgaan dat vooral aan de beroepsgroep bescherming biedt. De patiënt die een klacht heeft ingediend tegen een arts of apotheker wordt geen partij in de tuchtzaak. De rol van de patiënt is beperkt tot ‘klokkenluider’. De klagende patiënt moet zelfs niet op de hoogte worden gebracht van wat er met zijn klacht is gebeurd.”Nys, H. (2010), Recht en bio-ethiek, LannooCampus, 208-209.

De juiste deur

Het is moreel niet verdedigbaar dat de positie van de gebruiker ondergeschikt is aan die van de beroepsbeoefenaar. Het volstaat niet om patiënten of gebruikers bij wet rechten toe te kennen als ze bij klachten het pleit al bij voorbaat verliezen. Ook een sectoraal bewaakte beroepsethiek houdt gevaren in. De neiging kan bestaan om grensoverschrijding kost wat kost binnen eigen rangen te houden. Dan wordt het snel een doofpotoperatie. Ombudsfuncties of ethische adviesraden staan of vallen met de onafhankelijkheid die ze uitstralen. Hier valt bijvoorbeeld veel te leren uit de ervaringen van de ombudsdiensten in de ziekenhuizen. Doordat deze diensten ingebed zijn in een ziekenhuis komt de perceptie van onafhankelijkheid in gevaar. De patiënt voelt zichzelf geremd om hen aan te spreken vanuit de veronderstelling dat hun oordeel partijdig gekleurd is. Hoewel de onafhankelijkheid van deze ombudsfunctie wettelijk geregeld is, ervaart de gebruiker dat vaak anders.

“Een sectoraal bewaakte beroepsethiek houdt gevaren in.”

Al kloppen moedige slachtoffers op verschillende deuren aan om de grensoverschrijding aan te kaarten, toch wordt er maar zelden ’actief’ geluisterd en daadkrachtig opgetreden.Goris, P. (2014), ‘Als hulpverleners over de schreef gaan. Debatteren over melden, aanspreken en sanctioneren’, Alert, 3, 10-17.Er moet dringend een overkoepelend ‘front-office’ aanspreekpunt komen waar slachtoffers hun klacht kunnen formuleren. Vervolgens kan ‘back-office’ een afhandeling van de klacht opgestart worden. Zo kan een aanspreekpunt de klacht over een sportmonitor beluisteren, om vervolgens de verdere afhandeling toe te wijzen aan een meer specifiek orgaan dat een aangepaste afhandeling voorstelt en uitvoert. Dat samenspel staat of valt met vlotte communicatie tussen slachtoffer en diensten in de front- en backoffice. Telkens moet helder teruggekoppeld worden wat er verder met de klacht gebeurt. De zorginspectie kan hier een rol opnemen. Zij worden aangesproken door gebruikers en hebben vanuit die contacten een goed zicht op in het integriteitsbeleid van voorzieningen.

No zero risk

Aandacht voor beroepsethiek kan nooit sluitend voorkomen dat er binnen gezagsrelaties grensoverschrijding plaatsvindt. Wel kan er gezocht worden naar werkwijzen die het fenomeen voorkomen en indijken. Vindt dan toch grensoverschrijding plaats, dan bestaat de morele plicht om adequaat op te treden in het belang van gebruikers. Dit is trouwens in het belang van de geloofwaardigheid van een beroepsgroep. Er zijn namelijk geen argumenten om niets te ondernemen. Het is moreel onaanvaardbaar om op de vraag van een slachtoffer of pleger “Waarom ondernamen jullie niets?”, het antwoord schuldig te moeten blijven.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen