Kinderrechten onder druk
Het Kinderrechtencommissariaat maakte zich in haar jaarverslag vorige maand behoorlijk ongerust over de kinderrechten in asielcentra in Vlaanderen. Op basis van vijf jaar actie-onderzoek in Belgische asielcentra kunnen we dat alleen maar bevestigen.
‘Het is hoog tijd om te stoppen met wegkijken.’
Voor meer dan 10.000 kinderen in ons land lijken de kinderrechten vandaag eerder niet dan wél te gelden. Het asiel- en opvangbeleid vertrekt vandaag allesbehalve vanuit de ‘best interest of the child’. Zelfs de fysieke en emotionele integriteit van kinderen in opvang is te vaak niet gegarandeerd. Het is hoog tijd om te stoppen met wegkijken en andere keuzes te maken in de asielopvang.
Steeds meer kinderen en gezinnen in asielopvang
Vele mensen hebben een verkeerd beeld van asielzoekers. In de media en de politieke debatten gaat het vaak over alleenstaande, jonge mannen. Die kunnen wel tegen een stootje, wordt gedacht, dus moet asielopvang niet te veel comfort bieden.
De werkelijkheid is dat vandaag meer dan 30 procent van de bewoners van asielcentra minderjarig zijn. Dat zijn meer dan 10.000 kinderen, waarvan twee op drie jonger zijn dan twaalf. Voor deze kinderen vormt het opvangcentrum een vervang-thuis voor een belangrijk deel van hun kindertijd. Of beter gezegd: het opvangcentrum zou dat moeten vormen.
‘Meer dan 30 procent van de bewoners van asielcentra zijn minderjarig.’
Wanneer bijna de helft van de bewoners van het opvangnetwerk vandaag bestaat uit kinderen en gezinnen, zouden kinderrechten tot de kern moeten behoren van ieder humaan opvangbeleid.
Dat staat in schril contrast met de realiteit van vandaag, waar die kinderrechten, de veiligheid en zelfs integriteit van kinderen in opvang onvoldoende gegarandeerd zijn. Dat leert het rapport ‘Kinderrechten en veiligheid: basics voor het opvangbeleid. Lessen uit 5 jaar onderzoek naar kinderen in asielopvang.’
Opvangmedewerkers doen nochtans hun uiterste best. Ze proberen al bricolerend het institutioneel geweld van het beleid te compenseren, maar dat is te vaak een onhaalbare last op hun schouders.
Onaangepaste opvanginfrastructuur
Bewoners en opvangmedewerkers leven en werken in gebouwen die zelden ontworpen zijn als opvanginfrastructuur, en die voor andere bevolkingsgroepen als ongeschikt zouden worden beschouwd. Te vaak zijn het oude en afgeschreven kazernes, ziekenhuizen, rusthuizen, vakantiecentra of kloosters. Opvangmedewerkers worden hierdoor dagelijks geconfronteerd met heel uiteenlopende en specifieke noden, terwijl hun werking en de beschikbare middelen beperkt zijn.
De kwaliteitsnormen zijn minimaal. Zo moeten kinderen en jongeren samen met hun ouders slapen op een kamer van 16 vierkante meter. En soms laat men twee gezinnen kleine kamers delen met enkel wat lakens als afscheiding.
In het Jaarverslag van het Kinderrechtencommissariaat getuigt een mama: “Ik ben Gaza ontvlucht met mijn vier kinderen. Mijn man is achtergebleven. Begin 2024 kregen we in het Fedasilcentrum een kamer die we delen met nog een ander gezin. Onze gezinnen zijn van elkaar gescheiden door kasten en een gordijn, maar het is onleefbaar om zo al meer dan een jaar te moeten wonen. Er is lawaai, onveiligheid en geen privacy. Mijn dochter durft alleen ’s nachts te douchen omdat de douches niet gescheiden zijn en er mannen rondhangen. Mijn zoon moet meegaan om haar te beschermen.”
‘Mijn dochter durft alleen ’s nachts te douchen omdat de douches niet gescheiden zijn en er mannen rondhangen.’
Niet alle kinderen hebben vlot toegang tot onderwijs en in veel centra ontbreekt een rustige ruimte om huiswerk te maken. Toegang tot geestelijke gezondheidszorg is vaak niet gegarandeerd, hoewel trauma door ervaringen in het land van herkomst of uit de vluchtperiode veelvuldig voorkomen. In veel centra kunnen bewoners niet zelf koken, wat het gezinsleven bemoeilijkt.
Integriteit bedreigd
Maar vooral: de fysieke en emotionele integriteit van kinderen is binnen het opvangnetwerk vandaag niet gegarandeerd. Bijna alle kinderen die we de voorbije vijf jaar interviewden, vertelden over geweldervaringen: van vechtpartijen zien of gepest worden, tot slachtoffer worden van familiaal geweld of grensoverschrijdend gedrag.
Met trajectbegeleidingen ondersteunden we de voorbije twee jaar meer dan honderd opvangmedewerkers en hun teams in twaalf opvangcentra, samen goed voor meer dan 120 dagen van vorming en intervisies op de werkvloer. In elk van de centra die we de afgelopen vijf jaar bezochten stelden we ook zelf vast dat de fysieke, seksuele en emotionele integriteit van kinderen geregeld bedreigd is.
‘In elk van de centra die we bezochten stelden we vast dat de fysieke, seksuele en emotionele integriteit van kinderen geregeld bedreigd is.’
Voor kinderen met een vluchtverhaal zorgt dit voor een continuüm aan geweld, met extra schadelijke gevolgen. De destructieve menselijke kost van de huidige werking van de asielcentra is groot.
Onderrapportering van incidenten
Dit heeft ook een zware impact op de opvangmedewerkers die zich dagelijks inzetten voor het welzijn van hun bewoners, maar niet de middelen krijgen om dit te verwezenlijken. Bijzonder confronterend was dat opvangmedewerkers in ieder van de trajectbegeleidingen casussen ter sprake brachten waarbij er ernstige vragen waren over de veiligheid van kinderen.
Ook in de vormingen rond veiligheid getuigden opvangmedewerkers zeer geregeld over pijnlijke casussen. In vele gevallen ging het om spanningen of incidenten die niet in de officiële incidentenregistratie waren opgenomen.
De trajectbegeleidingen maakten een sterke onderrapportering duidelijk, wat impliceert dat de incidentenregistratie leidt tot een structurele onderschatting van de situatie, zeker voor incidenten waar kinderen bij betrokken zijn.

“Bijna alle kinderen die we de voorbije vijf jaar interviewden, vertelden over geweldervaringen.”
© Unsplash + / Lia Bekyan
Procedures vaak niet gekend of toegepast
Procedures om geweld of grensoverschrijdend gedrag te signaleren en te bespreken, blijken bij veel opvangmedewerkers onvoldoende gekend of zijn onvoldoende gedragen.
De vele personeelswissels en het stop-en-go beleid met openen en sluiten van asielcentra spelen daarin een rol. Bij afgelegen asielcentra ontbreekt ook een netwerk van gespecialiseerde partners of organisaties in de omgeving.
‘Procedures om geweld of grensoverschrijdend gedrag te signaleren en te bespreken, blijken bij veel opvangmedewerkers onvoldoende gekend.’
Fedasil probeert ondertussen stappen vooruit te zetten, ondanks de opvangcrisis. We waren vanuit deze ervaringen betrokken bij de uitwerking van een aantal fiches rond seksueel grensoverschrijdend gedrag, familiaal geweld en gesprektechnieken met kinderen en ouders die betrokken zijn in die situatie.
Maar er is meer nodig. Er is nood aan een structureel ingebed aanbod van vorming en intervisies om de huidige situaties van handelingsverlegenheid en onderrapportering te verminderen, en om het aantal incidenten te voorkomen of beperken.
Waardengedreven
De waardengedrevenheid van de opvangmedewerkers waarmee we hebben mogen werken in de trajectbegeleidingen en vormingen, is zeer hoog. Respect, menselijke waardigheid, sociale rechtvaardigheid, empathie, betrokkenheid zijn kernwaarden die we bij veel medewerkers hebben gevoeld.
Werken in een opvangcentrum betekent werken in een sector waar vormen van institutioneel geweld wegen op bewoners en opvangmedewerkers. Soms worden opvangmedewerkers ongewild het gezicht van dat institutioneel geweld.
Om empathisch te kunnen zijn, vraagt dit een inzicht in de institutionele gewelddadige dimensies van de opvang- en migratiecontext. Tegelijk is er, om te kunnen blijven werken in deze sector, een bepaalde gewenning nodig.
Toxische gewenning
Dit brengt een moeilijk evenwicht met zich mee: is er te veel gewenning aan de ‘abnormale’ setting van de asielopvang, dan zullen blinde vlekken en onmenselijke praktijken zich vermenigvuldigen.
Is men zich hyperbewust van het institutioneel geweld van de sector, dan kan men het gevoel hebben dat de uitdagingen te groot en oneindig zijn. Het gevoel van machteloosheid of het idee dat men zelf een doorgeefluik wordt van institutioneel geweld, wordt dan destructief voor de opvangmedewerker zelf, met hoog ziekteverzuim en hoog personeelsverloop als gekende gevolgen.
‘Waar gevangenisdirecteurs en vakbonden de onhoudbare overbevolking van gevangenissen publiek aanklagen, blijft het in het opvangnetwerk oorverdovend stil.’
De toxische gewenning aan werken in opvangcentra maakt dat weinig opvangcentra deze situaties signaleren naar de hoofdzetels, naar buitenwereld of naar het beleid. In deze tijden van een geïnstitutionaliseerde opvangcrisis probeert men er voor de bewoners het beste van te maken, achter de schermen.
Waar gevangenisdirecteurs, advocaten, vakbonden en zelfs de directrice-generaal van het gevangeniswezen de onhoudbare overbevolking van gevangenissen publiek aanklagen en opkomen voor de minimale rechten van de gedetineerden en cipiers, blijft het in het opvangnetwerk oorverdovend stil. Noch voor de bewoners, noch voor de opvangmedewerkers is dat een goede zaak.
En nu?
De voorbije vijf jaar stelden we op vraag van Fedasil een visietekst op over kinderen en gezinnen in de opvang, in co-creatie met de opvangpartners. We ontwikkelden een analyse-instrument om centra te screenen en een methodiekbrochure rond participatie van kinderen die in asielcentra verblijven.
Met een onderbouwd pakket aan vormingen bereikten we de afgelopen vijf jaar ruim 750 opvangmedewerkers. Met intense trajectbegeleidingen konden we de operationalisering van de kindvisie in twaalf opvangcentra mee ondersteunen.
De afgelopen vijf zijn er jaar duidelijke stappen vooruit gezet, maar dat maakt van de huidige asielcentra nog steeds geen plaats die geschikt is om kinderen vele maanden en soms jaren van hun kindertijd te laten doorbrengen.
Structurele garanties ontbreken
Het ontwikkelde materiaal biedt perspectief, maar is vandaag nog onvoldoende verankerd in het opvangbeleid, onvoldoende gekend door opvangmedewerkers, die onvoldoende ruimte en middelen krijgen om structurele stappen vooruit te zetten. Nu dit onderzoeksproject afloopt, is een overdracht allesbehalve gegarandeerd.
‘Zou het niet wenselijk zijn om de kinderrechten door een externe commissie te laten opvolgen?’
Structurele garanties ontbreken, net zoals extern toezicht. Zou het – net zoals in het gevangeniswezen of in de bijzondere jeugdzorg – niet wenselijk zijn om de kinderrechten, de kindvriendelijkheid en de naleving van minimale normen in de asielcentra, op een onafhankelijke en gestructureerde manier door een externe commissie te laten opvolgen?
De keuze is aan het beleid
De internationale kinderrechten die ook België goedkeurde, en het internationaal erkende principe van ‘the best interest of the child’ zouden het uitgangspunt van een humaan opvangbeleid moeten zijn. Daarvoor is een fundamentele paradigmawissel nodig.
Hoedanook zijn asielcentra geen goede opvangcontext voor gezinnen. Maar zolang politici ze noodzakelijk vinden, moeten opvangcentra meer zijn dan tijdelijke verblijfplaatsen die vaak zelfs niet voldoen aan minimale vereisten uit de eigen kwaliteitshandboeken.
Opvangcentra moeten veilige en stimulerende verblijfsplaatsen zijn waar kinderen kunnen leven, leren en herstellen. Kind- en gezinsvriendelijkheid zou een expliciet criterium moeten zijn bij het ontwerpen, evalueren en bijsturen van diensten, procedures, functieprofielen, infrastructuur en renovatieprojecten.
‘Opvangcentra moeten veilige en stimulerende verblijfsplaatsen zijn waar kinderen kunnen leven, leren en herstellen.’
Ruimtes moeten worden herbekeken en aangepast met het oog op veiligheid, het gezinsleven en het bevorderen van positief samenleven tussen bewoners en personeel. Of Fedasil daar vandaag binnen de opgelegde besparingen enige ruimte voor krijgt, valt helaas te betwijfelen.
Kinderrechten zouden tot de kerntaken van asielopvang en van het opvangbeleid moeten behoren. Na vijf jaar actie-onderzoek dragen we hiervoor de tools over aan het beleid en de opvangpartners. Zij staan nu voor cruciale keuzes.


Reacties