Maandcommissaris
Soms worden jongeren om veiligheidsredenen begeleid in gesloten vormen van jeugdhulp. Dat zijn bijvoorbeeld de gesloten gemeenschapsinstellingen, de instellingen voor Veilig Verblijf of de voorzieningen voor jongeren met ernstige gedrags- en emotionele problemen (GES+).
‘Jongeren beslissen zelf of ze met me in gesprek willen gaan.’
In deze instellingen gelden strakke regels, deuren kunnen op slot en in uitzonderlijke situaties kunnen jongeren er ook afgezonderd worden. Om te beoordelen of deze bescherming en beveiliging niet botst met kinderrechten, zet het Kinderrechtencommissariaat de ‘Commissie van Toezicht voor Jeugdinstellingen’ in: een groep van vrijwilligers die minstens een keer per maand bij deze instellingen op bezoek gaan. Ze worden ook wel ‘maandcommissarissen’ genoemd.
Pedagogisch Centrum Wagenschot is zo’n jeugdhulpvoorziening. Jongeren die omwille van de eigen veiligheid niet in een open setting kunnen verblijven, kunnen hier terecht in de zorggroep Veilig Verblijf. Er zijn ook individuele hulpprogramma’s voor jongeren die ernstige gedrags- en emotionele problemen (GES+) hebben.
Kaat Overmeire (26) komt hier als maandcommissaris geregeld over de vloer. Ze leerde er Brit (15)Brit is niet de echte naam van dit meisje. Om privacyredenen gebruiken we een pseudoniem.kennen: een van de jongeren waarmee ze een bijzondere band heeft. We brachten hen samen rond de tafel.
Wat doet een maandcommissaris?
Kaat: “Maandelijks kom ik hier als vrijwilliger op bezoek en praat ik met jongeren en hun begeleiders over het welbevinden van de jongeren. Jongeren beslissen zelf of ze met me in gesprek willen gaan. Sommigen zoeken me op bij elk bezoek, anderen houden liever wat afstand.”
“Ik vraag de jongeren meestal of ze zin hebben om met mij een activiteit te doen. Ik daag hen bijvoorbeeld uit voor een potje basketbal, we wandelen naar de speeltuin of wagen ons aan karaoke. Niet iedereen heeft hier steeds zin in, maar ik merk dat de meeste jongeren het fijner vinden om op deze manier in gesprek te gaan. Ik vraag hen dan hoe hun dag was of hoe ze zich de afgelopen week voelden.”
Wat heeft dat met kinderrechten te maken?
Kaat: “Het dagelijks leven van deze jongeren is permanent verweven met kinderrechten. Als ik tijdens de schooluren zie dat er jongeren in de leefgroep zijn, vraag ik hen waarom zij niet op school zijn. Vaak volgt dan een gesprek over schorsingen, weigeringen en drempels. Of ze vertellen me hoe fijn ze het vonden dat hun ouders op bezoek kwamen, ze op daguitstap konden met oma en opa of hoe verdrietig ze zijn omdat een gepland bezoek van een grote broer plots afsprong.”
‘Het dagelijks leven van deze jongeren is permanent verweven met kinderrechten.’
“Dat zijn zaken die alles te maken hebben met kinderrechten. Kinderen hebben recht op onderwijs en hebben recht op contact met hun familie. Het is echt niet zo moeilijk om vanuit het luisteren naar deze jongeren kinderrechten op tafel te leggen.”
Waarom besliste je om maandcommissaris te worden?
Kaat: “Ik ben iemand die zich graag engageert in de samenleving. Toen ik zag dat het Kinderrechtencommissariaat nieuwe vrijwilligers zocht, heb ik eigenlijk niet lang getwijfeld. Ook als juriste en onderzoeker naar internationale kinderbescherming vind ik dit een heel zinvol engagement.”
“Dit vrijwilligerswerk vraagt een behoorlijke tijdsinvestering. Naast de aanwezigheid in de instelling, schrijf je ook verslagen en heb je intervisies met andere maandcommissarissen. Het Kinderrechtencommissariaat biedt ook coaching en vormingsdagen aan.”
Een maandcommissaris is slechts een tijdelijke passant in het leven van deze jonge mensen. Vind je dat erg?
Kaat: “Het mandaat van een maandcommissaris loopt drie jaar en kan eenmaal verlengd worden. Ik kan dus maximaal zes jaar in deze instelling aanwezig zijn.”
‘Ik ben iemand die zich graag engageert in de samenleving.’
“Sowieso is het niet de bedoeling dat jongeren voor zo een lange tijd in Veilig Verblijf of GES+ verblijven. Ik zie dus verschillende jongeren komen en gaan. Velen zal ik nadien niet meer zien en dat vind ik helemaal oké. Ik ben er om tijdens hun verblijf een luisterend oor te bieden en erop toe te zien dat hun rechten gerespecteerd worden. Voor mij hoeft daar geen langdurige persoonlijke relatie uit voort te komen.”
“Ik denk dat alle partijen dat ook zo aanvoelen. Al heb je met sommige jongeren toch een bijzondere connectie, zoals met Brit.”
Brit, was voor jou meteen duidelijk wat Kaat hier komt doen?
Brit: “Ik verbleef eerder ook al in de gemeenschapsinstellingen van Mol en Beernem, waar eveneens maandcommissarissen actief zijn. Maar ik had toen weinig contact met hen.”
“Kaat zie ik wel vaak. Ze bewaakt mee dat hier in de instelling alles goed verloopt. Ik vind het fijn om als jongere een volwassene rond je te hebben die vanuit een vrijwillig engagement naar je luistert. Eindelijk eens geen jeugdrechter of begeleider die ervoor betaald wordt. Gewoon iemand die voor ons tijd maakt. Mocht ze hier ook werken, dan zou dat heel anders zijn.”

Kaat: “Ik zie mezelf niet als een afstandelijke toezichthouder, eerder als een bondgenoot.”
© ID / Simon Clément
Waar ligt het verschil met je begeleiders?
Brit: “Net als bij vele begeleiders, voel ik ook bij Kaat betrokkenheid. Ze wil dat het beter gaat met mij, met ons. Dat we de kansen krijgen waarop we recht hebben. Maar bij Kaat riskeer ik geen sancties. Bij Kaat heb ik nooit het gevoel dat ze geen tijd heeft voor mij. Zij komt naar Wagenschot om naar ons te luisteren. Natuurlijk kan ze mijn situatie niet zomaar veranderen, maar ik vind haar zeker een meerwaarde.”
“Ik vertrouw er ook op dat wat ik haar vertel kan bijdragen aan een sterkere jeugdhulp. In ons eerste gesprek vertelde Kaat me wat ze met al die informatie doet en hoe haar verslagen ook bij beleidsvoerders terecht komen. Ik heb al een lange instellingsloopbaan achter de rug en ik vind echt dat we meer gehoord moeten worden.”
Zag je dan al veel dingen gebeuren die niet oké zijn?
Brit: “Ik herinner me een meisje dat niet naar haar kamer wou gaan. Ze ging in gesprek met begeleiders om te vertellen waarom ze dat niet wou. Toch zat ze binnen de kortste keren in de afzonderingsruimte. Een tijdje later deden twee andere meisjes exact hetzelfde. De situatie escaleerde en ze begonnen met spullen te gooien. Zij moesten niet naar de afzonderingsruimte.”
‘Bij Kaat heb ik nooit het gevoel dat ze geen tijd heeft voor mij.’
“Dat verschil vind ik onrechtvaardig. Ik begrijp dat dit mensenwerk is, maar als het gaat over afzondering vind ik dat er meer duidelijkheid moet zijn.”
Ervaar je ook zelf dat je rechten onder druk staan?
“Bij elke opname werd me gezegd hoeveel maanden ik in de instelling zou verblijven. Maar die termijnen werden nooit gerespecteerd: in elke instelling zat ik veel langer. Soms omdat ik mijn gedrag beter onder controle moest krijgen, soms omdat er gewoon nergens anders plaats voor mij was.”
“Door mijn problemen, miste ik ook veel schooljaren. Toch wil ik graag een diploma halen. Daarvoor moet ik een stage doen. Maar die zoektocht naar een geschikte stageplaats sleept al maanden aan. Hoe kan ik dan aan mijn toekomst bouwen?”
“De jeugdrechter besliste dat ik mijn ouders tijdelijk niet meer mocht zien omdat ze een negatieve invloed op mij hadden. Het idee was dat het contact tijdens mijn verblijf geleidelijk opnieuw zou worden opgebouwd. Maar in de praktijk heb ik weinig kansen gekregen om te leren hoe ik op een gezonde manier met mijn ouders kan omgaan. Ik ben maar zelden samen met begeleiders naar hen gegaan. Wat als ik straks zelfstandig op een studio woon? Hoe moet ik dan zelf uitzoeken hoe ik contact kan hebben met mijn ouders?”
“Als je geplaatst bent in een instelling, dan heerst er veel onzekerheid en dan is het moeilijk om als jongere je eigen toekomst uit te stippelen. Waar zal ik volgend jaar zitten? Vind ik ooit een stageplaats? Hoe ga ik aan mijn diploma geraken?”
Maakt dit verblijf in de jeugdhulp je vooral boos en verdrietig?
Brit: “Je gaat hier weinig jongeren vinden die vrolijk worden van hun verblijf in de jeugdhulp. Dat is ook logisch. Er is boosheid omwille van gemiste kansen, onbegrip omdat je ter plaatse blijft trappelen en verzet omdat je hier tegen je zin verblijft, mede door de problemen van je ouders.”
‘Je gaat hier weinig jongeren vinden die vrolijk worden van hun verblijf in de jeugdhulp.’
“De jeugdhulp tekent mijn leven. Ik heb heel andere ervaringen dan mijn leeftijdsgenoten die niet in een instelling opgroeien. Ik zag dingen die ik op mijn leeftijd niet zou mogen zien: automutilatie of agressie naar begeleiders. Als veertienjarige kopieer je het gedrag van een zeventienjarige met wie je samen in de leefgroep zit. Dus, ja, ik draag make-up, valse wimpers en een kort topje. Als je hoort dat er een vriendinnetje is weggelopen, wil je dat ook wel eens proberen. Door een jointje mee te roken hoor je er meer bij.”
“Begeleiders proberen zo’n instellingsgedrag onder controle te krijgen. Maar bij mij lukte dat niet en dus volgt er een escalatie van sancties en verzet. Het gedrag dat ik stelde en waarvoor ik telkens gesanctioneerd werd, heb ik voor een stuk geleerd in de instelling.”
Verzet van jongeren zit ingebakken in de jeugdhulp?
Brit: “In de jeugdhulp bots je op veel mensen die in jouw plaats beslissingen nemen. Soms heb je een beetje inspraak, vaak ook niet. Je leven ligt in handen van vreemden die hun job doen. Ze hebben eigenlijk te weinig tijd om jou echt te leren kennen, maar tekenen vervolgens wel je traject uit. Iedereen doet zijn best, maar dat helpt jongeren niet genoeg vooruit.”
‘In de jeugdhulp bots je op veel mensen die in jouw plaats beslissingen nemen. Soms heb je een beetje inspraak, vaak ook niet.’
“Toch is er ook dankbaarheid voor al die mensen die steeds nieuwe kansen geven en mee blijven zoeken naar oplossingen. Dankzij geduldige begeleiders begrijp ik nu beter dat ik dingen deed die echt niet oké waren. Uiteindelijk had ik extreme regels en een gesloten structuur tijdelijk nodig om opnieuw te landen.”
“Ook ten aanzien van mijn jeugdrechter heb ik datzelfde dubbele gevoel. Ze nam veel beslissingen waarvan ik dacht: dit doet ze gewoon om mijn leven te verpesten. Ik begrijp nu beter dat die vrouw oprecht wil dat het goed gaat met mij.”
Brit legt heel wat problemen op tafel. Wat kan een maandcommissaris hieraan veranderen, Kaat?
Kaat: “Op individueel vlak probeer ik vooral een luisterend oor te bieden. Door telkens opnieuw de aandacht te vestigen op de frustraties, bezorgdheden en wensen van deze jongeren, kan er op organisatieniveau ook wel wat bewegen. Van elk bezoek maak ik een verslag en dat stuur ik door naar de zorgcoördinatoren van Wagenschot. Op basis daarvan komen we om de drie maanden samen met de directie en de stafleden. Dan gaan we samen in gesprek over de zaken die ik gehoord en gezien heb.”
“Helaas loopt verandering meestal traag en moeilijk. Vanzelfsprekend is de voorziening niet van slechte wil, maar werkdruk en personeelstekorten eisen hun tol. Het gebrek aan een stageplaats zet voor Brit niet alleen het recht op onderwijs onder druk, ook haar diploma en haar toekomstige kansen op de arbeidsmarkt komen in het gedrang. Iemand moet daar mee de schouders onder zetten. Maar dat lukt dus niet: een begeleider belooft om er werk van te maken en valt vervolgens langdurig uit. Of er is een overleg gepland, maar net op dat moment moet de begeleider plots met een andere jongere naar de spoeddienst.”
“Hier moeten met weinig mensen en middelen heel veel brandjes geblust worden. Die harde dagelijkse realiteit zet kinderrechten onder druk.”
Dat is geen makkelijke boodschap. Voel je je als toezichthouder hier altijd welkom?
Kaat: “Ik ben een buitenstaander die vanuit kinderrechten kritisch naar de dagelijkse werking van de organisatie kijkt. Dat is geen evidente positie. In het begin hield de organisatie mij wat op afstand. Dat is ook logisch. Maar ik ervaar dat ik steeds meer ruimte krijg om mijn rol op te nemen.”
“Als maandcommissaris probeer ik niet alleen een vertrouwensrelatie op te bouwen met de jongeren, maar ook met hun begeleiders. Zij kennen de jongeren veel beter dan ik en willen net als ik het beste voor hen. Ik zie mezelf dan ook niet als een afstandelijke toezichthouder, maar eerder als een bondgenoot. We streven hetzelfde doel na: ervoor zorgen dat jongeren de kansen en ondersteuning krijgen waar ze recht op hebben.”
‘Hier moeten met weinig mensen en middelen heel veel brandjes geblust worden. Die harde dagelijkse realiteit zet kinderrechten onder druk.’
“Ik heb enorm veel waardering voor het werk dat begeleiders hier verrichten in moeilijke omstandigheden. Maar dat begrip houdt me niet tegen om ook kritische vragen te stellen.”
Problemen zijn complex, maar zijn er soms toch makkelijke oplossingen?
Kaat: “Wagenschot is een zelfkritische organisatie. Makkelijke oplossingen hebben ze zelf al uitgewerkt. De pijnpunten die ik aankaart, zijn voor hen niet nieuw, maar raken telkens ondergesneeuwd door de dagelijkse werkdrukte. Er is niet meteen een oplossing, dus wordt het geparkeerd. Niet omdat de wil ontbreekt, wel omdat de organisatie botst op haar organisatorische limieten.”
“Jongeren zijn daar de dupe van. Dat moet ik als maandcommissaris op tafel blijven leggen.”

Kaat: “Het is onze taak om beleidsvoerders wakker te schudden als kinderrechten niet gerespecteerd worden.”
© ID / Simon Clément
Zijn er problemen die je wakker houden?
Kaat: “Jongeren zitten erg vaak op hun kamer, bijvoorbeeld omdat de leefgroep voor hen te druk is, ze geen zin hebben in de aangeboden activiteit of er door personeelstekort geen activiteit is. De hoeveelheid tijd die ze op hun kamer doorbrengen, vaak slapend, tv-kijkend of gamend, vind ik erg confronterend. Al brengt een prikkelarme omgeving voor deze jongeren rust, toch zie ik ook veel verveling.”
‘Ik vraag me vaak af: is dit echt het beste dat we als samenleving deze jongeren kunnen bieden?’
“Ik vraag me vaak af: is dit echt het beste dat we als samenleving deze jongeren kunnen bieden? In de zorggroep wordt er een soort micro-samenleving gecreëerd, met jongeren in heel verschillende levensfases en met elk hun eigen rugzak. Het gaat soms om kinderen van twaalf jaar. Wat zij daar dagelijks zien en meemaken, ook bij de andere jongeren, staat ver af van wat je als een normale context voor kinderen en jongeren beschouwt. En toch wordt het gaandeweg hun ‘normaal’.”
Het Kinderrechtencommissariaat maakt van jullie bevindingen een jaarverslag met beleidsaanbevelingen. Heeft dat impact?
Kaat: “Alle maandcommissarissen botsen op dezelfde hardnekkige problemen: personeelstekorten, wachtlijsten, gebrek aan doorstroomplaatsen, weinig aansluiting bij onderwijs, veel uitsluiting buiten de jeugdhulp … Wij zijn er om de vinger aan de pols te houden en, waar nodig, steeds op dezelfde nagels te kloppen.”
‘De kinderrechtencommissaris zet zich sterk in om ook op politiek niveau kinderrechten af te dwingen.’
“Maar we gaan zelf geen stenen verleggen in de rivier. Voor meer kracht in de jeugdhulp of een betere afstemming met onderwijs, kijken we in de richting van politici. Vandaar dat het jaarverslag van de Commissie van Toezicht voor Jeugdinstellingen ook altijd besproken wordt in het Vlaams Parlement. De kinderrechtencommissaris is voorzitter van onze commissie en zet zich sterk in om ook op politiek niveau kinderrechten af te dwingen. Soms volgen beleidsvoerders, soms nog niet.”
Vind je dat dan niet bijzonder lastig?
Kaat: “Als onderzoeker en vrijwillig maandcommissaris heb ik geleerd te aanvaarden dat de inzichten die je vol overtuiging op tafel legt, niet meteen toegepast worden door politici. Iedereen moet zijn job doen. Het is onze taak om beleidsvoerders wakker te schudden als kinderrechten niet gerespecteerd worden. Dat vraagt geduld en volharding. Maar ik ben nog jong en strijdvaardig.”


Reacties [2]
Waardevol werk van de vrijwilliger . Ik stel me vooral de vraag of er ook wordt nagekeken of de Rechten niet geschonden worden bij de beslissing. Als we naar Nederland kijken , kunnen we niet anders toegeven Dat er heel wat kinderen jarenlangr onterecht in gesloten instelling zijn geraakt die ernstig extra geschaad zijn doordat gesloten instelling niet de gepaste hulp was . Heel pakkende getuigenissen ..
Wat mij in dit artikel vooral bijblijft, is dat kinderrechten niet alleen een rol spelen op het moment waarop een beslissing wordt genomen, maar ook in de manier waarop die beslissing vervolgens uitwerkt in het leven van een jongere.
Een maatregel kan vanuit bescherming noodzakelijk zijn, terwijl onderweg nieuwe vragen ontstaan over onderwijs, familiecontact, perspectief, voorspelbaarheid of de wisselwerking tussen sancties en verzet.
Voor mij raakt dit aan een belangrijk uitgangspunt in professionele besluitvorming: een beslissing is niet het eindpunt van de analyse. Ook wat een jongere vervolgens daadwerkelijk ervaart, moet informatie worden voor opvolging en herbeoordeling.
Net daarin lijkt mij de positie van de maandcommissaris bijzonder waardevol.