Mensenrechten als goodwill
Meer dan tien jaar geleden schreven we het manifest ‘Stel mensenrechten centraal in het sociaal werk!’. De context was er toen een van besparingen en groeiende druk op de welvaartsstaat. Vandaag moeten we vaststellen dat die druk niet is afgenomen. Integendeel. Zonder te willen vervallen in paniekzaaierij valt het moeilijk te ontkennen dat mensenrechten vandaag niet alleen onder druk staan, maar steeds vaker uitgehold worden.
‘We willen sociaal werkers mobiliseren voor een strijdvaardige mensenrechtenagenda.’
Dat heeft grote gevolgen voor de mensen met wie sociaal werkers werken en voor het sociaal werk zelf. De vraag stelt zich of mensenrechten de voorbije jaren wel een echte hefboom zijn geweest voor structurele herverdeling, sociale rechtvaardigheid en politieke tegenmacht. Zijn ze niet te vaak mee opgeschoven in een logica van filantropisering? In zo’n logica staan rechten niet langer garant voor een samenlevingsmodel met collectieve verantwoordelijkheden, maar worden ze eerder gezien als tegemoetkomingen die afhangen van goodwill, al dan niet gekoppeld aan moraliserende of zelfs sanctionerende voorwaarden.
Opnieuw strijden voor rechten
We vrezen dat het sociaal werk diezelfde richting opschuift. Dat is niet onschuldig: het raakt de kern van wat sociaal werk is.
Wie mensenrechten en sociale rechtvaardigheid ernstig neemt, kan zich daar niet bij neerleggen. Daarom hebben we een geactualiseerde agenda voor mensenrechten in het sociaal werk nodig. Niet als herhaling van wat we tien jaar geleden al schreven, maar als een noodzakelijke aanscherping van onze rol en opdracht.
Als sociaal werk zichzelf wil blijven begrijpen als mensenrechtenberoep, dan vraagt dat om een scherpe analyse en de bereidheid om de strijd voor rechten centraal te blijven plaatsen. Omdat de ernst van de situatie daarom vraagt. We willen daarmee niet alleen het debat openen en verdiepen, maar ook sociaal werkers mobiliseren voor het opstellen van een actuele en strijdvaardige mensenrechtenagenda.
Voedselhulp als alarmsignaal
We kunnen er niet omheen: materiële ondersteuning van mensen heeft de voorbije jaren sterk aan belang gewonnen, zeker sinds de covidpandemie. Het aantal mensen dat aangewezen is op voedselhulp blijft stijgen. Wat ooit als uitzonderlijke noodhulp gold, dreigt stilaan een normaal en structureel onderdeel van het sociaal beleid te worden.
‘Gedragen we ons niet al te vaak als een makelaar die de vraag afstemt op het aanbod?’
Dat is geen detail, maar een alarmsignaal. Zeker omdat lokale besturen in de geest van het decreet lokaal sociaal beleid de opdracht kregen om sociale dienstverlening toegankelijker te maken en onderbescherming tegen te gaan. De uitbouw van de voedselhulp van een residueel naar een structureel onderdeel van een lokaal sociaal beleid is geen afdoend antwoord op het vraagstuk van onderbescherming.
Sociale bescherming wordt liefdadigheid
Zeker, op het vlak van onderbescherming is er de voorbij tien jaar veel gebeurd in praktijk, beleid en onderzoek. We weten beter dan ooit waar rechten vastlopen. We kennen de bureaucratische en digitale drempels. Om onderbescherming tegen te gaan, ontstonden praktijken als automatische rechtentoekenning, proactieve dienstverlening, outreach en rechtenverkenning.
Maar gedragen we ons niet al te vaak als een makelaar die de vraag afstemt op het aanbod? Onderbescherming is niet gewoon een technisch of organisatorisch probleem. Het is in de kern een maatschappelijk machtsvraagstuk waarbij drempels ingebouwd worden, de noodzaak aan hulp bewezen moet worden, en armoede of kwetsbaarheid telkens opnieuw moet aangetoond worden om toegang te krijgen tot wat eigenlijk vanzelfsprekend zou moeten zijn.
En dus verglijdt sociale bescherming langzaamaan naar liefdadigheid. Wordt artikel 23 van de grondwet, die de sociale grondrechten garandeert, ter discussie gesteld. De verantwoordelijkheid voor het realiseren van rechten wordt steeds meer doorgeschoven van overheid naar individu, van een collectieve garantie naar een individuele gunst, van noodhulp onder protest naar humanitaire bijstand.
Mensenrechten als beleidsoptie
Het wantrouwen tegenover mensen in een kwetsbare leefsituatie krijgt vandaag ook vorm vanuit de almaar verdergaande conditionalisering van sociale rechten. Taalbereidheid, werkbereidheid, ouderbetrokkenheid, begeleidingsbereidheid, afspraken nakomen, beschikbaar zijn, bewijzen voorleggen: het lijstje voorwaarden groeit voortdurend.
Uiteraard zijn er legitieme voorwaarden: wie bijvoorbeeld geen kinderen heeft, kan ook geen Groeipakket ontvangen. Het probleem ontstaat wanneer sociale rechten systematisch worden vastgeknoopt aan gedragsvoorwaarden. Dan verschuift een recht van bescherming naar disciplinering.
‘Het lijstje voorwaarden groeit voortdurend.’
Recente Vlaamse beleidskeuzes illustreren die evolutie scherp. De koppeling van schoolbonus en schooltoeslag aan ouderbetrokkenheid en schoolaanwezigheid vertrekt niet vanuit vertrouwen of ondersteuning, maar vanuit controle, moralisering en sanctionering. Ook andere gedragsvoorwaarden passen in diezelfde logica: wie onvoldoende ‘meewerkt’, wie te laat op een afspraak komt, wie administratief struikelt… riskeert financiële gevolgen. Alsof armoede een individueel falen is dat eerst gecorrigeerd moet worden vooraleer iemand recht heeft op bescherming. Dat is niet alleen vernederend, het is ook gevaarlijk.
Hoe meer voorwaarden, formulieren, controles en sanctiemechanismen er worden ingebouwd, hoe hoger de drempel en uitsluitingsmechanismen om rechten effectief op te nemen. En precies daar groeit onderbescherming: mensen haken af, raken het overzicht kwijt, worden uitgesloten of geven het op. Niet omdat zij geen rechten hebben, maar omdat het systeem hen wantrouwt, test, actief ontmoedigt en tegenhoudt.
Criminalisering van solidariteit
Maar het kan nog cynischer. Waar burgers met de Belgische nationaliteit tenminste in theorie nog een beroep kunnen doen op het uitgeholde vangnet van de verzorgingsstaat, worden mensen op de vlucht haast volledig doorgeschoven naar de willekeur van liefdadigheid. Zij zijn niet eens tweederangsburgers, maar eerder ‘non-citizens’: mensen zonder volwaardig lidmaatschap van de natiestaat en dus ook zonder volwaardige aanspraak op sociale rechten.
De gevolgen van die aanpak zijn heel zichtbaar: mensen belanden op straat, in ontbering, in permanente onzekerheid. Er lijkt geen beterschap op komst. Integendeel. Ondanks herhaalde veroordelingen van de Belgische staat wegens het structurele tekort aan opvang, blijft deze opvangcrisis aanslepen. Sterker nog: de overheid legt rechtelijke uitspraken gewoon naast zich neer. Hier worden mensenrechten uitgehold. Zonder meer.
Wereld op zijn kop
Tegenover die georganiseerde onverschilligheid staat een andere realiteit: die van burgers, vrijwilligers en burgercollectieven die de belofte van menselijkheid toch proberen waar te maken met een slaapplaats, een warme maaltijd, juridisch advies of eenvoudigweg een gebaar van erkenning.
‘Solidariteit hoort niet verdacht te zijn.’
Dat men deze warme solidariteit dreigde te criminaliseren en humanitaire hulp aan vluchtelingen strafbaar probeerde maken, is helemaal de wereld op zijn kop. Niet solidariteit hoort verdacht te zijn, wel een systeem dat overleving afhankelijk maakt van liefdadigheid en vervolgens ook die liefdadigheid viseert.

“Sociaal werk heeft de opdracht structureel onrecht zichtbaar te maken, de publieke stem van uitgesloten groepen te versterken en, waar nodig, een luis in de pels van het beleid te zijn.”
© Unsplash / qi
Inkrimping van de civiele ruimte
De criminalisering van solidariteit staat niet op zichzelf. Ze maakt deel uit van een zorgwekkende inkrimping van de civiele ruimte: de ruimte waarin burgers, middenveldorganisaties en sociaal werkers onrecht benoemen, machtsmisbruik aanklagen en mensenrechten verdedigen.
Precies die ruimte is nochtans de zuurstof van het sociaal werk. Sociaal werk is immers niet louter begeleiden, doorverwijzen of pleisters kleven op sociale wonden. Sociaal werk heeft ook de opdracht structureel onrecht zichtbaar te maken, de stem van uitgesloten groepen te versterken en, waar nodig, een luis in de pels van het beleid te zijn.
Net daarom is het veelzeggend dat uit het rapport van 2024 van het Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens bleek dat een meerderheid van de bevraagde organisaties te maken krijgt met intimidatie en bedreigingen, terwijl ook steunpunt Socius waarschuwt voor signalen dat de vrije meningsuiting in de publieke ruimte onder druk staat. Dat is geen detail, maar een democratisch alarmsignaal.
Netjes in de pas lopen
Wie vandaag opkomt voor mensen zonder papieren, voor dakloze gezinnen, voor jongeren in armoede of voor bewoners zonder stem, wordt steeds vaker verdacht gemaakt of weggezet als woke, naïef, vooringenomen of te activistisch.
Tegelijk hangt boven organisaties die niet netjes in de pas lopen met het beleid steeds nadrukkelijker het zwaard van Damocles: wie zich niet ‘gedraagt’ kan inhoudelijke inmenging en aansturing verwachten. De autonomie van het middenveld dreigt zo langzaamaan te verdwijnen.
‘Wat overblijft, is een publieke ruimte die steeds minder publiek wordt.’
Ook de toegang tot onafhankelijke informatie verschraalt, inspraak in beleidsvorming wordt uitgehold en dissidente stemmen worden systematisch gemarginaliseerd. Wat overblijft, is een publieke ruimte die steeds minder publiek wordt: proper, beheerst, gesubsidieerd op voorwaarde van gehoorzaamheid. Dat is nefast voor een pluralistische samenleving en ronduit gevaarlijk voor de democratie. Want waar kritiek verdacht wordt, wordt conformisme de norm.
Sociaal werk als crisisbeheer
Waar staat het sociaal werk in dit alles? Het antwoord is ongemakkelijk.
Veel sociaal werkers zijn vandaag verontwaardigd en boos omdat ze in hun job mensenrechten niet langer kunnen realiseren. Maar sociaal werkers staan vandaag niet alleen naast mensen in een mensenrechtencrisis. We zien ook dat sociaal werkers die crisis steeds vaker mee beheren. Noodgedwongen, vaak met de beste intenties, maar daarom niet minder problematisch. We compenseren, herstellen, overbruggen… wat politiek wordt afgebouwd.
‘We worden de sector die de gaten in het sociaal vangnet dicht rijdt terwijl dit vangnet alsmaar meer gaten vertoont.’
Daar schuilt het risico: zonder het te willen, geeft het sociaal werk mee vorm aan de filantropisering van mensenrechten. We worden dan de sector die de gaten in het sociaal vangnet dicht rijdt terwijl dit vangnet alsmaar meer gaten vertoont.
Neem bijvoorbeeld de wooncrisis: sociaal werkers bemiddelen tussen huurders en verhuurders, zoeken noodoplossingen, onderhandelen over tijdelijk onderdak en nachtopvang, begeleiden mensen in een oververhitte en discriminerende woonmarkt en proberen het onmogelijke toch enigszins leefbaar te maken. Maar hoe noodzakelijk ook, het blijft crisisbeheer in een context waarin betaalbaar wonen steeds minder als recht en steeds meer als privilege wordt behandeld.
Mensenrechten als moreel decor
We bouwen bruggen tussen sectoren, diensten en loketten, terwijl we misschien vaker muren moeten slopen. We helpen kwetsbare mensen bij digitale procedures, formulieren en online afspraken, en compenseren zo de digitale ongeletterdheid, terwijl die digitale loketten problematisch zijn wanneer ze rechten ontoegankelijk maken. Het geeft sociaal werkers het gevoel van machteloosheid en zo dreigen mensenrechten te verworden tot een moreel decor: ze zijn nog aanwezig in onze taal, missies en visieteksten, maar daar stopt het dan ook.
Dat kan niet de rol van het sociaal werk zijn als het zichzelf ziet als een mensenrechtenberoep. Sociaal werk kan niet stilzwijgend de brokstukken van falend beleid opvangen. Want zodra sociaal werk als een stille kracht begint te fluisteren, beginnen mensenrechten hun stem te verliezen.
Sociaal werk als mensenrechtenberoep: quo vadis?
We schreven het in de inleiding en we herhalen het graag aan het einde: dit is geen pleidooi voor paniekzaaierij. Wij zijn geen onheilsprofeten. Maar wie vandaag ernstig wil nadenken over de plaats van mensenrechten in het sociaal werk, kan zich ook niet verschuilen achter geruststellende boodschappen.
‘Wie vandaag ernstig wil nadenken over de plaats van mensenrechten in het sociaal werk, kan zich niet verschuilen achter geruststellende boodschappen.’
Een scherpe analyse is een voorwaarde om verdere richting te kiezen. De tendensen die we hier hebben benoemd zijn niet volledig. Ze vragen nuancering, verdieping en tegenspraak. Maar dat mag geen excuus zijn om niet vooruit te kijken. De vraag dringt zich op: wat heeft sociaal werk te doen in het licht van deze mensenrechtencrisis?
Assemblagepraktijk
We hebben daarop geen pasklare antwoorden. Hooguit een aanzet. Die aanzet begint met de erkenning dat er niet één centraal strijdtoneel is, maar vele. De strijd voor de realisatie van mensenrechten voltrekt zich als een assemblagepraktijk langs minstens zes met elkaar verbonden fronten. Op elk front heeft sociaal werk een eigen rol te spelen.
Op het institutionele front van beleidsstructuren en organisaties betekent dit actief werk maken van toegankelijke dienstverlening en onderbescherming aanpakken. Sociaal werkers ijveren dan om het systeem of organisatie waarin ze werken van binnenuit rechtvaardiger te maken.
Op het informele front tonen burgerinitiatieven en collectieven hoe onderbescherming ook van onderuit kan worden bestreden, dicht bij de leefwereld van mensen. Sociaal werkers kunnen dergelijke initiatieven ondersteunen en samen met burgers als bondgenoten het verschil maken.
Op het politieke front moet sociaal werk structurele problemen zichtbaar maken door signalen te bundelen, onrecht te agenderen, coalities met medestanders te smeden, acties op te zetten en publieke druk te organiseren.
‘Op elk front heeft sociaal werk een eigen rol te spelen.’
Op het juridische front gaat het om het afdwingen van rechten en het trekken van grenzen, zoals initiatieven die het recht op wonen niet alleen moreel maar ook juridisch activeren. Sociaal werkers dienen dan oog te hebben voor de juridische mogelijkheden en die samen met experts uit te putten.
Op het onderwijsfront moet aan toekomstige sociaal werkers expliciet worden geleerd wat het betekent om een mensenrechtenberoep uit te oefenen.
En op het kennisfront, tot slot, moeten onderzoek, data, ervaringskennis en praktijkkennis zichtbaar maken waar uitsluiting, wachttijden en onderbescherming mensen systematisch raken.
Werken met mensen
Met het benoemen van mensenrechten als assemblagepraktijk bedoelen we dan: niet kiezen voor één spoor, maar tegelijk werken op deze zes fronten en de bruggen ertussen bouwen en bewaken. Alleen zo kunnen signalen uit de praktijk doorstromen naar beleid, kan onderzoek juridische en politieke actie voeden, kunnen opleidingen sociaal werkers toerusten voor publiek handelen, en kunnen lokale initiatieven mee druk uitoefenen voor structurele verandering.
‘Als sociaal werk werkelijk een mensenrechtenberoep wil zijn, dan kan het zich niet tevreden stellen met praten over mensen.’
Deze strijd kan bovendien niet zonder ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid. Niet als vriendelijke luis in de pels, maar als wezenlijk onderdeel van een democratische mensenrechtenpraktijk. Ervaringskennis toont hoe systemen daadwerkelijk aanvoelen, waar ze vernederen, vertragen of mensen uitsluiten. Ze corrigeert de blinde vlekken van professionals, onderzoekers, organisaties en beleid.
Als sociaal werk werkelijk een mensenrechtenberoep wil zijn, dan kan het zich niet tevreden stellen met praten over mensen. Dan moet het werken met mensen, en vooral met wie het hardst met rechtenschendingen geconfronteerd wordt.
Eigentijds manifest
Daarom willen we deze discussie niet afronden, maar openen. We willen dit debat verder voeden, aanscherpen en concretiseren met praktijkwerkers, onderzoekers, ervaringsdeskundigen, middenveldactoren en andere stakeholders die kunnen helpen om deze aanzet te vertalen in een eigentijds manifest voor mensenrechten in het sociaal werk. Niet nog een tekst voor in de kast, maar een document dat richting geeft, verbindt en mobiliseert.
‘Mensenrechten zijn kwetsbaarder dan we vaak beseffen.’
Want dat is finaal de inzet. Mensenrechten zijn kwetsbaarder dan we vaak beseffen. Ze blijven niet vanzelf overeind omdat ze op papier staan, in beroepscodes circuleren of in visieteksten opduiken. Ze moeten telkens opnieuw politiek, institutioneel, juridisch en sociaal werkend worden gemaakt. Dat vraagt herpositionering. Sociaal werk moet mensenrechten niet alleen onderschrijven, maar realiseren: van binnenuit en van buitenaf. Met geëngageerd vakmanschap en publieke moed. Dat is de kern van het mensenrechtenberoep.



Reacties [8]
Als ervaringsdeskundige in de GGZ sta ik reeds een 4-tal jaar in het werkveld, meer bepaald in de psychiatrie. Vroeger werkte ik daar als verpleger. Na meerdere crashes stuitte ik via verslaving en depressies op mijn diagnose autisme. Ook de samenleving heeft hier een aanzienlijk aandeel in hoe alles is gelopen. Ik sta 100 % achter deze tekst, het is een fraai uitgangspunt voor verdere reflexie èn actie naar het beleid toe. Samen in solidariteit moeten we een vuist maken tegen de verzuring en bittere verrechtsing in onze maatschappij. Ik wil ook helpen meedenken en strijden tegen dat bijna intrinsiek geworden onrecht.
Beste, als student sociaal cultureel werk afstandsonderwijs wil ik wel meedenken. Dagelijks schrijf ik op mijn eigen sociale media net over dezelfde bezorgdheden. Het zou fijn zijn mijn schrijven af te stemmen op dit initiatief. Soms kruip ik ook in de pen en mail ik effectief ministers, parlementsleden, …
Sedert ruim 12 jaar, merk ik geïnstitutionaliseerde schendingen van het EVRM. Omdat ik ontdekte dat deze mensenrechten niet alleen niet beschermd werden, maar ze met voeten getreden werden met schadelijke gevolgen, besloot ik sociaal werk te studeren. De rechten zijn meer dan ooit niet meer dan woorden op papier. De praktijk toont duidelijke hiaten. Mensen botsen meer en meer op muren die verhinderen dat hun rechten gerespecteerd worden. Zwijgen is voor mij geen optie. Niets doen ook niet. Ik spreek en handel.
Dat er regels, grenzen, voorwaarden en controles worden ingesteld tav mensen die sociale hulp vragen of nodig hebben, is de normaalste zaak van de wereld. Zulke hulp kost de overheid een massa geld en de staatskas is leger dan leeg. Natuurlijk zijn mensenrechten erg belangrijk, maar dat geldt net zo goed voor de mensen die een groot deel van hun soms al zuurverdiende inkomen moeten afstaan aan belastingen en sociale zekerheidsbijdragen. Het leven is moeilijk en brengt pijn met zich mee voor hele grote aantallen mensen. maar er zijn er helaas heel wat die een overlast voor de samenleving betekenen door hun wangedrag, de manier waarop ze de sociale zekerheid misbruiken voor oneigenlijke doeleinden, een foutieve manier van opvoeden en een totaal gebrek aan respect voor culturele waarden en erfgoed. Zulke mensen hoeven niet in de watjes gelegd worden. Voor wat hoort wat, dat is een stevige wijsheid die ook sociale werkers beter zouden koesteren.
Dit lijkt me een prima uitgangstekst voor een programmaverklaring voor de volgende sociaalwerkconferentie. ;)
Én dit manifest verbreden: naast het sociaal werk moet al het publiek werk gefundeerd zijn op de mensenrechten én het sociaal model van het VN-verdrag handicap.
Het gaat de verkeerde kant op met mensenrechten. Dat zie je aan het wetsvoorstel van cd&v, gesteund door NVA, waarmee ze willen bekomen dat zogenaamde “overlastplegers” (mensen die drugs gebruiken) door een burgemeester in verplichte afkickcentra gestoken kunnen worden. De VN heeft de verplichte afkick kampen in Azië reeds veroordeeld omdat ze de mensenrechten schenden. Er is sowieso al geen plaats voor mensen die vrijwillig afkicken. Wat gaan ze dan doen met degenen die ze verplicht willen laten afkicken? Concentratiekampen voor mensen die drugs gebruiken?
En in deze realiteit worden er biljoenen verspild aan oorlog en vernietiging. De menselijkheid is totaal zoek. Politici hebben lak aan de gewone burger. Ze steunen liever multinationals dan de wooncrisis, de inflatie, energiecrisis, etc… op te lossen. Ze creëren crisis na crisis en zijn dan verwonderd dat mensen ziek worden. De hele maatschappij is ziek. Uiteindelijk wordt echt duidelijk waar de nva voor staat en dat is niet de democratie of het volk! Ze haten het gewone volk. Nog meer welvaart voor de rijken!