Achtergrond

Is het einde van forensisch welzijnswerk nabij?

Wouter Wanzeele, Leen De Roo, Charlotte De Pourcq

Het interview met administrateur-generaal Bob Van den Broeck doet heel wat stof opwaaien. Zijn keuzes voor meer justitie en minder middenveld raken het hart van sociaal werk. Drie medewerkers uit de hulpverlening voor mensen die strafbare feiten pleegden, reageren: “Een topambtenaar heeft zijn visie en beleidsstrategie, maar wij vinden het onze plicht om onze terreinexpertise en onderbouwde kennis aan de andere kant van de weegschaal te leggen.”

Bob Van den Broeck

© Unsplash / Claudio Schwarz

Justitie een sociaal project?

In zijn interview met Sociaal.Net windt Bob Van den Broeck, administrateur-generaal van het agentschap Justitie en Handhaving, er geen doekjes om: volgens deze topambtenaar is justitie een sociale opdracht. Justitie heeft als taak ervoor te zorgen dat mensen veilig kunnen samenleven met elkaar. Een meer sociaal project kan je je volgens hem moeilijk voorstellen.

‘Wat vinden wij, vanuit forensische hulpverlening, van deze verschuivingen?’

Hij juicht dan ook toe dat steeds meer opdrachten en functies verhuizen van het welzijnsdepartement naar ‘zijn’ agentschap. Zo verwelkomde het agentschap recent nog de gemeenschapsinstellingen, de gesloten jeugdinstellingen waar jongeren verblijven die een delict pleegden. In 2027 kantelen ook onderwijs, sport en cultuur in de gevangenissen in.

En als het van de administrateur–generaal afhangt, dan mag ook de forensische hulpverlening – hulp aan mensen die delinquente feiten plegen – zijn richting uitkomen. Wat vinden wij van deze verschuivingen?

We schreven eerder al dat we dit geen goed idee vinden. Dat standpunt is niet gebouwd op “ideologische vooringenomenheid” of “een oubollige kijk op justitie”, zoals de administrateur-generaal dat noemt, wel op onze mature praktijk- en wetenschappelijke expertise: we werken immers vanuit autonome, gesubsidieerde welzijnsorganisaties binnen en buiten de muren van de gevangenis aan hulp en ondersteuning van mensen die delicten plegen. En we hopen en verwachten dat die werksetting in de toekomst overeind blijft. 

Er is een verschil

Het maakt namelijk wel degelijk een verschil of je werkt vanuit welzijn of vanuit justitie.

Wie strafbare feiten pleegt, wordt – terecht – gestraft en opgevolgd door een instituut dat bewaakt wat wel en niet kan in de samenleving: justitie. Iemand die voor justitie werkt, moet zich inschakelen in die opdracht. Dat heeft belangrijke gevolgen. Vertrouw je bijvoorbeeld aan je justitie-assistent toe dat je nieuwe strafbare feiten pleegde dan moet die medewerker, vanuit diens opdracht om de veiligheid in de samenleving te bewaken, dat steeds melden.

‘Het maakt wel degelijk een verschil of je werkt vanuit welzijn of vanuit justitie.’

Dat loopt anders als je hetzelfde verhaal vertelt aan een hulpverlener van bijvoorbeeld een Centrum voor Algemeen Welzijnswerk of een Centrum Geestelijke Gezondheidszorg. Hier kan je, beschermd door je beroepsgeheim, in vertrouwen ook spreken over probleemgedrag zonder dat dit steeds gemeld moet worden. Dat beroepsgeheim is niet absoluut: de wet omschrijft verschillende uitzonderingen waarbij je dat beroepsgeheim kan of moet doorbreken, bijvoorbeeld door vertrouwelijke informatie toch te melden aan het parket.

Wie feiten pleegt is – net zoals slachtoffers – gebaat bij dit vertrouwelijk kader. Door goed geïnformeerd te zijn over deze geldende afspraken kan de persoon die strafbare feiten pleegde volop werken aan niet hervallen. Er is immers de mogelijkheid om vrij te vertellen over strafbaar gedrag en welke risicosituaties zich vandaag nog aandienen. Zo kunnen de problemen aangepakt worden. Wanneer uit verhalen blijkt dat er nog slachtoffers zijn, voorziet hulpverlening de nodige zorg, inclusief de mogelijkheid om juridische stappen te ondernemen.

We werken al goed samen

Het kader en de positie waarin wij als forensisch hulpverleners met die mensen werken, maken dus wel degelijk een verschil. Zowel hulpverleners als justitiemedewerkers hebben doorheen de strafuitvoering contacten met cliënten, elk vanuit een eigen rol.

Als bijvoorbeeld een justitie-assistent na een gesprek met een cliënt verontrust is over voorwaarden en veiligheid, dan kan dat met ons gedeeld worden. Wij gaan dan verder met de cliënt in gesprek over die situatie of organiseren een overleg tussen de cliënt, diens justitie-assistent en onszelf om samen te bekijken welke ondersteuning verder nodig is. Soms is hulpverlening nog niet betrokken en volgt een netwerkoverleg, samengeroepen door de justitie-assistent.

‘Op het terrein worden die verschillen vandaag gerespecteerd en gewaardeerd.’

Als de hulpverlener verontrustende signalen opmerkt, dan bespreken we dit met de cliënt en gaan we aan de slag in het kader van hervalpreventie. De cliënt is goed op de hoogte van de verschillende perspectieven én de samenwerking. De rollen op een overleg worden goed gescheiden, en vanuit dat verschil vinden we elkaar. Zo kunnen we samen toewerken naar het gemeenschappelijke doel: een veiligere samenleving.

We hebben elkaar dus nodig, zodat we elk ten volle onze rol kunnen opnemen. Op het terrein worden die verschillen gerespecteerd en gewaardeerd. Kortom, we werken vandaag goed samen.

Loopje nemen met mensenrechten

Als forensisch hulpverleners morgen een variant van justitie-assistenten worden, dan stelt zich een fundamentele vraag: hebben mensen die strafbare feiten plegen nog recht op hulp zonder dat die voorwaardelijk is?

In de context van het internationale mensenrechtenkader behoudt een persoon die strafbare feiten pleegt zijn rechtsburgerschap. Dat betekent dat recht op hulp, welzijn en gezondheid integraal deel uitmaken van re-integratie. Deze mensenrechtenbenadering leidde tot de gegronde keuze om forensische hulp hoofdzakelijk binnen de domeinen van welzijn en gezondheid te ontwikkelen.

Bovendien zorgde de maatschappelijke verontwaardiging naar aanleiding van de zaak Dutroux voor een structurele verankering van die forensische hulp in het welzijnswerk en de geestelijke gezondheidszorg. Waar justitie als hoofdtaak het begrenzen en bestraffen van strafbaar gedrag kreeg, ontwikkelde hulpverlening een aanbod om dit gedrag te voorkomen. Heel wat gespecialiseerde voorzieningen schoten als paddenstoelen uit de grond.

Wetenschap

Hoe kijken wetenschappers naar deze ontwikkeling? In een recente bijdrage op Sociaal.Net wijst Randy Haers er terecht op dat hulpverleners niet op basis van aannames, mythes, volkswijsheden en buikgevoel mogen vertrekken om criminaliteit aan te pakken en herval te voorkomen. Het is cruciaal om hulpverlening te baseren op wat we weten uit wetenschappelijk onderzoek.

‘Het is cruciaal om hulpverlening te baseren op wat we weten uit wetenschappelijk onderzoek.’

Wat werkt als je mensen die strafbare feiten plegen wil re-integreren en herval wil voorkomen? Onder wetenschappers heerst daarover een behoorlijke consensus: kijk voorbij het gedrag en zie de individuele persoon die het gedrag pleegt, benader strafbaar gedrag vanuit menswetenschappen en zet maximaal in op hulpverlening in de samenleving.

Wie pakt risico’s aan?

Die principes werden verder uitgewerkt in het ‘Good Lives Model’. In dat theoretisch en praktijkkader worden risicofactoren voor recidive aangepakt door de hiermee verbonden probleemdomeinen en de invloed ervan in iemands leven terug te dringen.

Inzetten op onderliggende levensbehoeften is hierbij cruciaal. Als bij iemand bijvoorbeeld ‘slechte vrienden’ (een antisociaal netwerk) als risicofactor wordt weerhouden, wordt ingeschat welke levensbehoeften deelname aan die groep voor deze unieke persoon invult. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om ‘bij een groep horen’, ‘verbinding kunnen maken’, ‘autonomie ervaren’, of een andere levensbehoeften.

Voor die onderliggende behoeften zoeken hulpverleners vervolgens een andere sociale invulling, waardoor risico’s worden teruggedrongen. Risico’s worden aangepakt vanuit een welzijnsbenadering. Er wordt actief gezocht naar manieren waarop risicofactoren omgebogen kunnen worden naar veilige gedragsalternatieven. En zoals gezegd: dat delicate proces van vallen en opstaan gebeurt het meest effectief door hulpverleners die werken vanuit autonome welzijns- en gezondheidsdiensten.

Hoewel we graag nog wat verder op die theorie zouden ingaan: het leidt ons te ver om uit de doeken te doen dat wij Randy Haers’ analyse grotendeels, maar toch niet hélemaal volgen. Kort: ondertussen is er meer onderbouwing voor het Good Lives Model en hoe dit welzijnsgericht kader ‘wat werkt’ verder uitdiept, terwijl hij nog steeds focust op risico’s zonder inclusie van een welzijnsbenadering. Wie benieuwd is naar onze toevoeging, kan die vinden in de reacties onder zijn artikel.

Verschuiving naar justitie

Terug naar de verschuiving van welzijn naar justitie. Tot voor kort leefde er veel steun voor het belang van een onderscheid tussen sociaal werk en justitie. De verhuis van verschillende welzijnsdiensten en -opdrachten naar het Vlaams Agentschap Justitie en Handhaving wijzen op een belangrijke verschuiving, krachtig geïllustreerd door de titel van het interview met de administrateur-generaal: ‘Justitie is sociaal werk’.

‘Hulpverleners komen in conflict met fundamentele waarden van het beroep waarvoor ze opgeleid zijn.’

Die verschuiving leidt tot verwarring op het terrein. Hulpverleners komen in conflict met fundamentele waarden van het beroep waarvoor ze opgeleid zijn, denk maar aan het vertrouwelijk kader en het beroepsgeheim. Kunnen jongeren die strafbare feiten plegen dan niet meer vanuit een pedagogische benadering aangesproken worden op hun gedrag? Zien we mensen in detentie nog als rechtendragers of hoort het bij hun straf dat ze enkel vanuit de positie ‘justitiabele’ kunnen benaderd worden? Wie zijn we dan nog als hulpverleners? Hoe moeten we ons verhouden tot de gevraagde verantwoording ten aanzien van justitie? Zal hulpverlening gebouwd worden op angst in plaats van vertrouwen?

Onvoorwaardelijk recht op hulp

Door de uitbreidingsdrift van het Vlaams Agentschap voor Justitie en Handhaving wordt hulp steeds meer voorwaardelijk: de hulpverlener wordt een agent van justitie die hulp koppelt aan plichten. Wanneer die niet vervuld zijn, is er geen recht meer op hulp. Stel bijvoorbeeld dat geestelijke gezondheidszorg voor mensen die in de gevangenis verblijven een justitiële bevoegdheid wordt, heb je dan nog recht op die hulp op als je niet instemt met de verwachtingen van justitie?

‘Door de uitbreidingsdrift van het Vlaams Agentschap voor Justitie en Handhaving wordt hulp steeds meer voorwaardelijk.’

Hulp vanuit justitie vertrekt vanuit een juridisch perspectief, gebaseerd op een strafbeleid. In hulpverlening kijken we in eerste instantie vanuit een pedagogisch, psychologisch of sociologisch perspectief naar de mens. Die is meer dan ‘gestrafte’ of ‘verdachte’.

Op haar website drukt het Vlaams Agentschap Justitie en Handhaving dat als volgt uit: “Door een strikte opvolging van daders willen we zoveel mogelijk voorkomen dat er in de samenleving nieuwe slachtoffers gemaakt worden”. Deze opvolging is zeker en vast haar taak. De focus van forensische hulpverlening verschuift echter naar een risicodenken wanneer het een onderdeel van justitie wordt.

Die bril kan praktijkwerkers verblinden voor de mogelijkheden die er zijn tot positieve gedragsverandering van deze mensen die meer zijn dan alleen de daden die ze pleegden. Slachtoffers voorkomen, doe je niet door hulpverlening aan wie strafbare feiten pleegt te beschouwen als de opdracht van justitie.

Zeggenschap over verandering

Vanuit onze expertise in gespecialiseerde hulp aan mensen die strafbare feiten plegen, stellen we ook vast dat het belangrijk is om de betrokkene zo veel mogelijk zeggenschap te geven over het proces tot verandering. Dat wordt aan banden gelegd als je als hulpverlener tegelijkertijd opgelegde voorwaarden of justitiële regels moet controleren.

‘Mensen zullen niet meer praten over hun pedofiele gevoelens voor ze betrapt worden.’

Pas als we als hulpverlener de ruimte krijgen om de mens ten volle te ontmoeten, kunnen we de behoeften die achter risico’s schuilgaan constructief, humaan en sociaal helpen invullen. Binnen een vertrouwelijk kader en zonder meldingsplicht is het mogelijk om te praten over die risico’s en eventueel ander strafbaar gedrag, zodat dit gedrag bijgestuurd kan worden. Dit maakt een sterke hulpverleningsrelatie mogelijk, waarvan aangetoond is dat die kan bijdragen aan hervalpreventie.

Bovendien betekent vrijuit kunnen spreken dat hulpverleners zo vroeg mogelijk kunnen tussenkomen en maximaal op preventie kunnen inzetten. Of om dat heel concreet te maken: iemand die in deze justitiële hulpverleningswereld via Stop it Now! hulp zou zoeken omwille van pedofiele gevoelens en het kijken naar beelden van kindermisbruik zal zich eerst moeten aangeven. Deze mensen zullen niet meer praten voor ze betrapt worden.

Waarom tabula rasa?

Waarom zouden we tabula rasa maken van een complexe praktijk die goed loopt? Er is een verdere professionalisering van forensische hulpverlening nodig, daar is wellicht iedereen het over eens. De wetenschappelijke inzichten zijn de afgelopen decennia toegenomen. Ook wij, forensisch hulpverleners, moeten zelfkritisch zijn en durven zeggen dat we een update nodig hebben. Maar dat mag niet ten koste gaan van cruciale randvoorwaarden voor die hulp.

Daarbij dient de samenwerking tussen justitiële diensten en hulpverlening met respect voor de verschillende posities te gebeuren zonder de één in opdracht van de ander te stellen. Zo kan iedere partner maximaal vertrekken vanuit de eigen sterktes, waarbij de globale focus het werken aan hervalpreventie is. Degene die strafbare feiten pleegt én het slachtoffer moeten veilig ergens terecht kunnen zodat er hulpverleningsgericht gewerkt kan worden aan de signalen die ze beiden brengen.

Dit versterkt de rol van sociaal werk in de kern van haar bestaan, namelijk: sociale verandering en ontwikkeling, sociale cohesie, empowerment en bevrijding van mensen bevorderen, door mensen en structuren bij te staan in het aanpakken van problemen en het realiseren van welzijn. Als de randvoorwaarden van hulpverlening en de kern van sociaal werk worden weggenomen door een inkanteling in justitie, wat rest er dan nog van forensisch welzijnswerk?

Hulp en recht

Al deze inzichten helpen ons verder in de keuzes die we moeten maken als welzijns- en gezondheidssector. Wanneer we forensische hulpverlening bieden, begeven we ons op het terrein waar hulp en recht elkaar ontmoeten en uitdagen. Als samenleving willen we minder slachtoffers. We weten ondertussen dat klassieke straffen geen positief effect op veiligheid hebben en dat wetenschappelijk onderbouwde hulpverlening wel het verschil kan maken.

Zo komen we bij het dilemma van zorg en controle. Belangrijke vragen hierbij zijn: wie staat in voor controle en wie voor hulpverlening? Hoe kan hulpverlening een veilige omgeving zijn om geholpen te worden? Kan dit zonder dwang?

De verhouding tussen justitiële diensten en hulpverlening bevindt zich steeds in dit spanningsveld. We kunnen iets ten goede veranderen wanneer er enerzijds risicomanagement en anderzijds een sterk en discreet zorg- en hulpverleningsaanbod is. Het eerste is de prioriteit van justitiële diensten, het tweede van de hulpverlening.

Waardering, geen instrumentalisering

Laten we het streven naar een humane justitie niet inruilen voor een uitholling van sociaal werk. Samen met (forensische) (ortho)pedagogiek, forensische psychologie en psychiatrie en andere menswetenschappen, is onze input essentieel om re-integratie op basis van de groeiende wetenschappelijke inzichten te doen slagen en slachtoffers zo veel mogelijk te voorkomen.

‘Laten we het streven naar een humane justitie niet inruilen voor een uitholling van sociaal werk.’

Dit maatschappelijke doel bereiken, vraagt een inspanning van autonome welzijns- en gezondheidsdiensten, alsook van het Vlaamse Departement Zorg, om zich nog duidelijker te positioneren in het forensische werkveld. De vooruitgang die we maakten na de zaak Dutroux biedt de mogelijkheid om verder te groeien. We mogen niet terug naar af. Ieder moet zijn rol spelen.

Het welzijnswerk en de geestelijke gezondheidszorg zijn beschermingsinstrumenten voor veiligheid in onze samenleving die we moeten koesteren. Hernieuwde samenwerkingsverbanden tussen justitiële diensten en de hulpverlening die de randvoorwaarden en de kernopdracht van hulpverlening respecteren, kunnen dit versterken. Dat vraagt een beleidskeuze die hulp niet instrumentaliseert maar wel waardeert, zodat we samen kunnen werken aan een veilige en sociale toekomst.

Reacties [7]

  • Danijel

    Ik werk als ervaringsdeskundige in de forensische zorg
    en ben jurist van opleiding. Vanuit die combinatie zie ik
    hoe belangrijk het is om de verschillende rollen helder
    te houden. Justitieassistenten hebben een duidelijke
    taak: de informatie die zij krijgen, moeten zij doorgeven
    aan de rechtbank. Dat is hun opdracht.
    In mijn werk zie ik elke dag hoe groot de angst,
    schaamte en het wantrouwen kunnen zijn bij clienten.
    Mensen leven al onder zoveel controle. Als ze dan ook
    nog het gevoel krijgen dat wat ze in therapie zeggen zo-
    maar kan doorstromen naar justitie, dan klappen ze
    dicht. Dat herken ik ook uit mijn eigen herstelproces: als
    je bang bent dat je woorden tegen je gebruikt worden,
    dan ga je zaken achterhouden.
    En net die eerlijkheid is nodig om te kunnen spreken
    over risico’s, impulsen, triggers. Daarom is het beroeps-
    geheim in deze context cruciaal. Het is de basis waarop
    therapie kan werken. Zodra clienten voelen dat therapie
    een verlengstuk van justitie wordt, stopt het sprek

  • Henri Heimans

    Als Ex-magistraat voorzitter van de CBM Gent, thans Kamer voor de Bescherming van de Maatschappij, was ik vele jaren bevoegd voor de opvolging en begeleiding van geïnterneerde personen. Ik had zowel contacten met de justitiehuizen (toen nog behorend tot de FOD Justitie) en de GGZ en diensten voor de hulp- en begeleiding van gedetineerden en ook bv straathoekwerkers. De samenwerking liep perfect én in het belang van de samenleving én in het belang van het individu, mét respect voor ieders opdracht en beroepsgeheim. We gingen zeer voorzicht en genuanceerd om met de ‘meldingsplicht’ met wederzijds respect.
    Indien nu een administratieve herschikking wordt gepland, hoeft dat op zich geen aantasting te zijn van elkaars onafhankelijkheid en autonomie op het vlak van individuele opvolging maar grote waakzaamheid is geboden.
    Het evenwichtig model zoals het tot op heden liep, heeft zeker zijn vruchten afgeworpen en blijft zeer waardevol, ook voor de maatschappelijke veiligheid.
    Geen dogma’s

  • CARDINAELS AN

    In se willen zowel de sociale werkers van justitie als deze van welzijn gewoon hetzelfde: dat het goed gaat met onze cliënten, dat ze een fijn leven kunnen uitbouwen, dat ze niet meer ‘in problemen’ belanden en ze niet hervallen in feiten. Ook in de aanpak denk ik dat er vaak meer gelijkenissen zijn dan verschillen. Ook wij kijken vooral naar de persoon naast de feiten en wat deze nodig heeft. Op basis van het artikel heb ik de indruk dat er nog steeds veel (voor)oordelen zijn over de manier van werken van de justitieassistenten, hetgeen ik jammer zou vinden. Meerdere uitspraken in het lange artikel (ik ga ze niet allemaal opsommen) zoals: ‘Zal hulpverlening gebouwd worden op angst in plaats van vertrouwen?’ komen wel binnen. Ik denk oprecht niet dat mijn cliënten schrik (moeten) hebben van mij. Het is spijtig dat vanuit de ‘hulpverlening’ hier blijkbaar wel zo nog naar gekeken wordt? Misschien leven er bij sommige hulpverleners nog te veel vooroordelen en/of veralgemeningen ?

    • Sybiel Verstraete

      Volgens mij gaat het niet zozeer om (voor)oordelen over elkaars werk, wel eerder over de perceptie van de aangeboden hulpverlening door de dader/het slachtoffer/hun omgeving. Voor betrokken personen maakt het m.i. een groot verschil vanuit welke hoek de hulpverlening opgezet wordt. Hulp krijgen vanuit het welzijnswerk is in de beleving van betrokkenen absoluut niet hetzelfde als hulp krijgen vanuit justitie, ookal weten en zien wij als hulpverleners vooral gelijkenissen. Ik denk dat we dit niet mogen onderschatten en beter rekening mee houden willen we effectieve ondersteuning bieden.

    • Leen De Roo

      Dag Ann, bedankt voor je reactie! Fijn dat het gelezen wordt. En helemaal met je eens: we werken samen aan hetzelfde doel! En we werken heel fijn samen op het terrein met verschillende justitieassistenten en andere justitiepartners. Het gaat ons om het fundamentele verschil in werkgeverschap en verantwoording naar de opdrachtgever, waardoor medewerkers van justitie moeten rapporteren. En -zeker weten- ook die rapportage en begeleiding daarrond gebeurt op humane wijze, rekening houdend met wie de persoon is, met de omstandigheden, de context en met mogelijkheden tot kansen, steeds opnieuw. Het blijft echter een verschil voor cliënten te weten dat er gerapporteerd wordt en moet worden. En het is goed dat die rapportage er is en dat er opvolging vanuit justitie is om duidelijkheid te bieden rond wat justitie en de samenleving verwacht inzake veiligheid en samenlevingsregels. We hopen dat het artikel op dat mesoniveau gelezen wordt en we tegelijk op cliëntniveau blijven fijn samenwerken!

    • Veerle Pasmans

      Dag Leen en andere auteurs. Ik werk al bijna 30 jaar samen met de collega’s van de forensische hulpverlening en evenveel jaren in een justitiehuis. Ik heb niet de ervaring dat, omdat je onder een ander dak werkt, je praktijk fundamenteel wijzigt. De justitiehuizen zijn de afgelopen jaren regelmatig van dak veranderd: FOD Justitie, Departement Welzijn en Volksgezondheid, Agentschap Justitie en Handhaving. Dat heeft de dagelijkse rol en het takenpakket van de justitieasssistent niet fundamenteel veranderd. Alle actoren in de keten van de forensische trajecten zijn broodnodig om de doelen van re-integratie en recidivebeperking te bereiken. In die zin vind ik het wat jammer dat er wordt gesteld dat wij een loopje nemen met de mensenrechten. Ook als geen enkele actor een begeleiding wil/kan opstarten, moet de justitieassistent het gerechtelijk mandaat opvolgen. In die zin zijn wij dikwijls de ‘last woman standing’ en beschermen wij altijd de rechten op hulp en begeleiding van de cliënten.

    • Leen De Roo

      Dag Veerle,
      Dat laatste begrijp ik zeker en we zien dit met lede ogen aan. We kaarten dit ook aan bij onze overheden. Dat we zouden stellen dat justitieassistenten een loopje nemen met mensenrechten, klopt zeker niet. We geven net aan dat we heel goed en fijn samenwerken met justitieassistenten! Jammer dat het voor jou zo overkomt. Wat wij schetsen zijn de onderbouwde randvoorwaarden voor een geslaagde, effectieve forensische hulpverlening met het oog op hervalpreventie. Voor dit soort werk heeft een verandering van dak wel degelijk ernstige gevolgen en het raakt aan de fundamenten van sociaal werk. Waardevolle diversiteit verdwijnt. Wel kunnen we begrijpen dat dit voor een justitiehuis de afgelopen decennia anders was. Het gaat immers fundamenteel over de positie in de samenleving en de positie ten opzichte van de persoon die pleegde. Mocht je hierover verder van gedachten willen wisselen, graag!

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

 

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.