Waarom overtreden mensen de wet?
Er bestaan al eeuwenlang verschillende ideeën over waarom mensen crimineel gedrag stellen. In de loop van de geschiedenis wisselden die verklaringen – en dus ook de manier waarop we met daders omgaan – sterk van toon.
Lang gold de klassieke visie: mensen hebben een vrije wil en kiezen bewust om de wet te overtreden. Wie kiest, is verantwoordelijk, en wie verantwoordelijk is, kan gestraft worden. Straffen moesten mensen op andere gedachten brengen door hen af te schrikken: wie voelde dat misdaad pijn deed, zou wel twee keer nadenken.
Geen vrije keuze
Daartegenover kwam in de negentiende eeuw de positivistische school, met als bekendste naam Cesare Lombroso. Deze Italiaanse arts geloofde dat crimineel gedrag niet het gevolg was van vrije keuze, maar van biologische aanleg. Sommige mensen, zo dacht hij, werden geboren als crimineel — herkenbaar aan uiterlijke kenmerken zoals schedelvorm of gelaatstrekken. Crimineel gedrag zat letterlijk in het lichaam.
‘Lang gold de klassieke visie: mensen hebben een vrije wil en kiezen bewust om de wet te overtreden.’
Die overtuiging had verregaande gevolgen. Als gedrag biologisch bepaald is, heeft straffen geen zin: je kan iemand niet afschrikken voor iets waar hij geen controle over heeft. Lombroso pleitte er daarom voor om criminaliteit te bestrijden door gevaar te beheersen in plaats van door schuld te bestraffen. De straf moest niet langer afgestemd worden op de ernst van het feit, maar op het gevaar dat de persoon vormde voor de samenleving.
Waar de klassieke school de dader zag als rationeel en verantwoordelijk, zag Lombroso hem als gedetermineerd en ziek. De eerste school geloofde in straf als moreel antwoord, de tweede in behandeling of uitsluiting als bescherming.
Streng straffen?
Die oude tegenstelling – tussen vrije keuze en sociaal determinisme, tussen straffen en behandelen – is vandaag nog verrassend actueel. Ook nu bepaalt onze visie op menselijk gedrag hoe we met daders omgaan.
‘De een gelooft dat streng straffen helpt, de ander dat gedrag vooral bepaald wordt door afkomst of omstandigheden.’
Over criminaliteit heeft iedereen een mening. Denk aan uitspraken zoals ‘Verhoog de straf, dan zullen ze wel twee keer nadenken’ en ‘Sluit ze op en gooi de sleutel weg’. Of, aan de andere kant: ‘Geef ze werk, dan komt het goed’. En soms ook: ‘Als je ziet uit welk nest hij komt, is het niet raar dat het zo is gelopen.’
Zulke uitspraken klinken vertrouwd en drukken elk een bepaald idee over daderschap uit. De een gelooft dat streng straffen helpt, de ander dat gedrag vooral bepaald wordt door afkomst of omstandigheden. Verrassend genoeg komen deze tegenpolen vaak samen in één en dezelfde persoon. Dezelfde burger die begripvol spreekt over een jongere die drugs dealt nadat hij op school en in de hulpverlening is afgehaakt, kan bij een zedendelinquent pleiten voor hard optreden en zware straffen.
Wat al deze uitspraken gemeen hebben, is dat ze zelden rekening houden met wat onderzoek vandaag leert over daderschap en effectieve manieren om recidive te voorkomen. In wat volgt, kijken we naar enkele van die hardnekkige mythes over daderschap: overtuigingen die onze aanpak blijven sturen, ook al weten we intussen beter.
Mythe 1: Straf als vergelding
Het idee dat straf een kwestie is van rechtvaardigheid zit diep ingebakken. “Oog om oog, tand om tand”, zo staat het al in het Oude Testament. Die redenering is intuïtief en moreel begrijpelijk: mensen willen dat normoverschrijdend gedrag consequenties heeft.
Maar wie straf ziet als een vorm van vergelding, vertrekt vanuit de klassieke gedachte dat misdaad het resultaat is van vrije keuze. Alsof mensen bewust de verkeerde weg inslaan en enkel verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun daden.
‘Onderzoek toont dat streng straffen op zich geen gedragsverandering teweegbrengt.’
Die visie laat weinig ruimte voor de sociale, psychologische en contextuele factoren die gedrag beïnvloeden. Onderzoek toont dat streng straffen geen gedragsverandering teweegbrengt. Straf zonder begeleiding verandert niets aan de oorzaken van het gedrag. Het bevredigt hoogstens ons rechtvaardigheidsgevoel, maar voorkomt geen nieuwe slachtoffers.
Mythe 2: Straf als afschrikking
Een tweede hardnekkige mythe is dat zware straffen afschrikkend werken. Ze ontmoedigen anderen om in de fout te gaan, en doen de dader in de toekomst twee keer nadenken.
Ook dat idee vertrekt uit de veronderstelling dat mensen rationeel kiezen voor crimineel gedrag. In de praktijk ligt dat anders. Veel feiten gebeuren impulsief, onder invloed van emoties, middelengebruik of sociale druk.
Bovendien blijkt uit decennialang onderzoek dat het niet de zwaarte, maar de zekerheid van een sanctie is die gedrag kan beïnvloeden. En precies die zekerheid ontbreekt: de meeste feiten worden nooit ontdekt, laat staan bestraft.
Vrijheidsstraffen ontwrichten levens, maken re-integratie moeilijker en vergroten vaak zelfs het risico op herval. Een straf op zich leert mensen zelden iets nieuws. Ze houdt hoogstens tijdelijk tegen, maar verandert niets aan de onderliggende oorzaken van gedrag.

“Een straf op zich leert mensen zelden iets nieuws. Ze houdt hoogstens tijdelijk tegen, maar verandert niets aan de onderliggende oorzaken van gedrag.”
© Unsplash / Ahmet Demiroğlu
Mythe 3: Herstelrecht lost alles op
Herstelrecht is de voorbije decennia uitgegroeid tot een vaste waarde in justitieel en hulpverleningswerk. Het vertrekt uit een andere visie dan de klassieke straflogica: niet de overtreding van de wet staat centraal, maar de schade die een misdrijf veroorzaakt tussen mensen.
Waar het strafrecht vraagt: ‘Welke wet is overtreden en welke straf hoort daarbij?’, vraagt herstelrecht: ‘Wie is er gekwetst, wat moet hersteld worden, en wie moet daarbij betrokken zijn?’
Achter dat denken schuilt een hoopvolle overtuiging: dat herstel van relaties ook kan leiden tot herstel van gedrag. Door dader en slachtoffer met elkaar in dialoog te brengen, groeit begrip, verantwoordelijkheid en empathie. Die morele bewustwording zou op haar beurt het risico op herval moeten verminderen.
‘Door dader en slachtoffer met elkaar in dialoog te brengen, groeit begrip.’
Het klinkt mooi. De praktijk toont dat herstelrecht inderdaad grote waarde heeft. Slachtoffers krijgen erkenning, voelen zich gehoord en kunnen wat er gebeurd is soms beter achter zich laten. Daders krijgen de kans om verantwoordelijkheid te nemen en de menselijke gevolgen van hun daden te zien.
Maar dat betekent niet dat herstelrecht automatisch leidt tot minder criminaliteit. Onderzoek toont dat het relationele effect van herstel groot is, maar het preventieve effect op recidive beperkt blijft.
Mythe 4: Participeren aan de maatschappij voorkomt criminaliteit
Ook in het sociaal werk leven overtuigingen over waarom mensen crimineel gedrag stellen en hoe we dat kunnen voorkomen. Een veelgehoorde redenering is dat sociale uitsluiting aan de basis ligt van criminaliteit. Meer maatschappelijke participatie zou dus automatisch tot minder herval leiden.
Het klopt dat sociale integratie een belangrijke beschermende factor is. Zonder inkomen, stabiele huisvesting of positieve relaties is het bijzonder moeilijk om niet te hervallen. Het sociaal werk heeft daarin een cruciale rol: deuren openen, drempels verlagen, mensen opnieuw aansluiting laten vinden.
‘Zonder inkomen is het bijzonder moeilijk om niet te hervallen.’
Maar maatschappelijke participatie alleen voorkomt geen criminaliteit. Een dader die werk vindt maar blijft omgaan met antisociale vrienden of die zijn impulsiviteit niet leert beheersen, blijft kwetsbaar voor herval. Om dit te voorkomen, is meer nodig: inzicht in wat crimineel gedrag veroorzaakt én in stand houdt.
Wat werkt wel? Rehabilitatie en begeleiding
Wie echt wil vermijden dat mensen opnieuw in de fout gaan, moet verder kijken dan straf, morele verontwaardiging of maatschappelijke participatie.
Rehabilitatie is het sleutelwoord: een aanpak die focust op gedragsverandering via gerichte begeleiding en ondersteuning. Daarbij bots je als professional al snel op twee invloedrijke denkkaders: het Risk-Need-Responsivity-model (RNR) en het Good Lives Model (GLM).
Het RNR-model vertrekt vanuit de overtuiging dat crimineel gedrag – net als ander menselijk gedrag – aangeleerd is. En het kan met de juiste begeleiding dus ook veranderd worden. Die begeleiding richt zich in de eerste plaats op de factoren die crimineel gedrag in stand houden, zoals middelenmisbruik, antisociale denkpatronen of een omgeving met criminele vrienden. Succesvolle begeleiding vertrekt bovendien van wie iemand is: zijn motivatie, manier van leren en mogelijkheden om te groeien.
Een stevige wetenschappelijke basis
Hoewel het RNR-model soms onterecht wordt weggezet als een aanpak die enkel focust op risico’s, is het in wezen ook gericht op sterktes en beschermende factoren. In een goed begeleidingstraject gaat het dus evenzeer om competenties versterken en kansen creëren die helpen om herval te voorkomen.
Wie de meeste garantie wil dat mensen hun leven op het rechte pad houden, kan niet om het RNR-model heen. Het rust op een stevige wetenschappelijke kennisbasis, opgebouwd uit decennialang onderzoek dat het succes van deze aanpak bevestigt. RNR combineert die empirische onderbouw met een mensgerichte benadering die respect toont voor de persoon achter het gedrag.
Krachtgericht, maar zonder bewijs
Het Good Lives Model (GLM) vertrekt vanuit positieve psychologie. Het beschouwt crimineel gedrag als een verkeerde manier om fundamentele menselijke behoeften te vervullen, zoals autonomie, verbondenheid, rust of betekenis. Het benadrukt sterktes, motivatie en hoop: niet enkel zeggen wat niet mag, maar samen zoeken naar wat wél kan.
Voor sociaal werkers klinkt dat vertrouwd, en terecht. Het sluit aan bij de waarden van empowerment en inclusie. Alleen: ondanks die aantrekkelijke visie, bestaat er nauwelijks empirisch bewijs dat dit model recidive effectief vermindert.
‘Er bestaat nauwelijks empirisch bewijs dat het Good Lives Model recidive effectief vermindert.’
Dat maakt een keuze voor het GLM risicovol. Wie vanuit GLM werkt, kiest — hoe goedbedoeld ook — voor een aanpak waarvan we weten dat ze minder kans biedt op duurzame gedragsverandering. In de praktijk is dat een keuze voor het risico dat iemand opnieuw feiten pleegt.
Weten wat werkt
Op het eerste zicht lijken RNR en GLM dus aanvullend, maar in feite botsen ze op elkaar. Ze vertrekken immers van een ander idee over waar gedrag vandaan komt en dus ook over wat verandering vraagt.
Je kunt het vergelijken met koken: wie een spaghetti bolognese wil maken, kan verschillende recepten gebruiken, maar het blijft hetzelfde gerecht. Bij het voorkomen van recidive ligt dat anders: de keuze voor een theoretische visie op gedrag is geen kwestie van smaak, maar van uitgangspunt. En uitgangspunten zijn niet zomaar te mengen.
Daarom zijn beide modellen niet combineerbaar. Aangezien beide gedrag verschillend begrijpen, leiden ze ook tot een verschillende praktijk. Kiezen is vaak verliezen, maar in deze kwestie is het oordeel helder: RNR biedt alles wat GLM belooft, maar mét de wetenschappelijke evidentie dat het werkt.
Doen wat werkt
We weten intussen goed wat helpt om recidive te voorkomen. De volgende uitdaging is om die kennis ook echt toe te passen in beleid en praktijk. En daar wringt het: we handelen met de beste bedoelingen, maar niet altijd op basis van wat werkt. Nog te vaak vertrekken onze keuzes vanuit aannames over criminaliteit en daderschap die de wetenschap al lang heeft weerlegd.
‘Laten we vertrekken van wat onderzoek aantoont in plaats van van buikgevoel.’
Evidence-based werken betekent net het omgekeerde: vertrekken van wat onderzoek aantoont in plaats van van buikgevoel of volkswijsheden. In de gezondheidszorg vinden we dat vanzelfsprekend. Niemand wil behandeld worden met een therapie die niet werkt. Waarom zouden we in justitie en (forensische) hulpverlening dan genoegen nemen met een aanpak waarvan we weten dat ze het probleem amper oplost?
De brug tussen weten en doen
Het is dan ook positief om te lezen dat de Vlaamse Overheid volop kiest voor het RNR-model. Toch is kiezen voor een model nog iets anders dan het ook effectief toepassen. Want de vertaling van theorie naar praktijk is niet evident. Precies daar biedt actieonderzoek een meerwaarde: het creëert de brug tussen weten en doen, tussen theoretische principes en realiteit op het terrein.
Actieonderzoek is in essentie een samenwerking tussen wetenschap en praktijk. In een proces van probleemoplossend handelen zorgt de onderzoeker ervoor dat wetenschappelijke inzichten bruikbaar worden op de werkvloer. Wetenschappelijke kennis wordt dus niet alleen overgedragen, maar gemobiliseerd, vertaald en ingebed in de context waarin ze moet werken.
Dat betekent niet dat theorie wordt aangepast aan de praktijk. Evidence-based werken is geen buffet waaruit we enkel opscheppen wat past bij onze voorkeuren of overtuigingen. Het gaat erom de wetenschap levend te maken: ervoor zorgen dat wat bewezen werkt, ook echt kan werken binnen de complexiteit van het veld.
Begin bij jezelf
Om dat te bereiken, is een partnerschap tussen onderzoek, beleid en praktijk essentieel. Onderzoekers, beleidsmakers en praktijkwerkers werken samen aan concrete vraagstukken. Dit proces leidt niet alleen tot betere interventies in de praktijk, maar helpt de wetenschap ook beter begrijpen waarom mensen doen wat ze doen en hoe verandering mogelijk wordt. Op die manier ontstaat kennis die niet in boeken blijft hangen, maar onmiddellijk inzetbaar is in de dagelijkse praktijk.
‘Stel jezelf als professional de vraag: Hoe kijk ik naar daderschap?’
Maar je hoeft niet te wachten tot er een actieonderzoek start om te beginnen leren. Stel jezelf als professional de vraag: Hoe kijk ik naar daderschap? Hoe denk ik dat we met daders moeten omgaan? En hoe verhoudt dat zich tot wat we vandaag weten over wat werkt – en wat niet werkt?
De eerste stap? Durf je eigen aannames in vraag te stellen.



Reacties [1]
Mooi beeld van een aantal mythes rond criminaliteit. Ik vrees dat je daar een nieuwe mythe aan toevoegt. Je lijkt er van uit te gaan dat evidence based onderzoek zelf vrij is van overtuigingen, maar dat is natuurlijk niet. “Evidence” vind je steeds terug in een bepaalde context en het vinden van “evidence” is ook altijd gebonden aan interpretaties. Dat lijkt me bij uitstek te gelden voor complexe materies als criminaliteit. Ook evidence based werken kan daarom volgens mij niet ontsnappen aan een van de geschetste mythes.