Verboden te roken bij kinderen

Industrie en samenleving blijven buiten beeld

In opdracht van Kom op tegen Kanker hielden onderzoekers de uitbreiding van het rookverbod tegen het licht.Samoy I. en Coutteel, E. (red.) (2016), Het rookverbod uitbreiden? Juridisch onderzoek, casussen en aanbevelingen, Leuven, Acco.Hoe een gezond leven promoten zonder de keuzevrijheid onnodig in te perken? Zo gaan bijvoorbeeld stemmen op om ook het roken in bijzijn van minderjarige kinderen af te blokken. Is dat een stap te ver?

rookverbod
Marlboro advertenties, 1951

Rookvrije kinderen

Een verdere uitbreiding van het rookverbod is een actueel strijdpunt van Kom op tegen Kanker. In die strijd tegen roken verschoven de accenten doorheen de jaren, onder andere door de toegenomen kennis over de schadelijke gevolgen van het passief meeroken door kinderen.

De strijd tegen roken is, aldus Kom op tegen Kanker, een strijd tegen verslaving. De strijd tegen gedwongen meeroken is een strijd tegen onrecht.VLK (2011), Kinderen hebben recht op een rookvrije leefomgeving. Achtergrondinformatie bij het VLK-standpunt ‘Roken in het bijzijn van kinderen is eigenlijk mishandeling’, Brussel, VLK, 2.Het doel van Kom op tegen Kanker is om ouders te overtuigen om te stoppen met roken omdat rokende ouders hun kinderen leren dat roken normaal is. Bovendien lopen die kinderen een verhoogd risico om later zelf roker te worden.

“Kinderen hebben recht op een rookvrije omgeving.”

Volgens Kom op tegen Kanker hebben kinderen recht op een rookvrije omgeving. Rokende ouders moeten op hun verantwoordelijkheid worden gewezen. Roken in het bijzijn van kinderen moet volgens Kom op tegen Kanker dan ook bij wet worden verboden. Zo’n wet is niet zozeer een sanctiemiddel, maar eerder een geloofwaardig signaal dat roken in het bijzijn van kinderen niet langer kan en dat de samenleving dat ook niet langer tolereert.

Groeiend rookverbod

Dit verbod zou een volgende stap zijn in de strijd tegen roken en passief meeroken. Die startte met een rookverbod op het openbaar vervoer (1976). Nadien volgde een verdere uitbreiding naar bepaalde openbare plaatsen (1987) om enkele jaren later uit te monden in een rookverbod in alle gesloten ruimten die toegankelijk zijn voor het publiek (2005). Werknemers werden tegen passief meeroken op de werkplaats beschermd (2005) en ook in restaurants werd een rookverbod ingesteld (2007).

“Dit verbod zou een volgende stap zijn.”

Om al die aparte regelgeving op elkaar af te stemmen, kwam er een ‘algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook’ (2009). Daarbij werd ook een verbod op roken op cafés waar eten werd geserveerd, ingesteld.Samoy I. en Coutteel, E. (red.) (2016), Het rookverbod uitbreiden? Juridisch onderzoek, casussen en aanbevelingen, Leuven, Acco, 36-38

Sedert 1 juli 2011, een voorlopig eindpunt, is er een algemeen rookverbod in de horeca. Momenteel ligt in de Kamer het anti-rookplan van minister van Sociale Zaken Maggie De Block voor, waarin onder andere gepleit wordt voor een rookverbod in de auto wanneer er kinderen onder de zestien jaar meerijden.

Voorkomen erger dan genezen

Een verbod op het roken door ouders thuis in het bijzijn van hun minderjarige kinderen zou een volgende stap zijn in het streven naar een rookvrije samenleving.

In wat volgt, ga ik er vanuit dat zo’n wettelijk verbod inderdaad eerder een symbolisch doel dient dan een daadwerkelijk sanctiemiddel kan zijn. Het verbod op het roken in het bijzijn van kinderen, zoals door Kom op tegen Kanker voorgesteld, is in de eerste plaats gericht op het sensibiliseren en bewustmaken. Het is eerder preventief dan repressief of sanctionerend bedoeld.

“Preventie kan ook onbezonnen zijn.”

Dat lijkt verstandig: preventie heeft in onze samenleving een positieve connotatie. Het vertrekt immers van een eenvoudige en overtuigende premisse: ‘voorkomen is beter dan genezen’.Pleysier, S. (2014), ‘Emancipatorische preventie: weerstaan aan de lokroep van pre-pressie’, in Burssens, D., Goris, P., Melis, B. en Vettenburg, N. (red.), Preventie morgen. Bouwstenen voor een goede praktijk, Antwerpen, Garant, 33-40.Maar preventie kan ook voortvarend en onbezonnen zijn. Niet alle preventie is wenselijk en soms is het voorkomen erger dan de kwaal die men wil genezen.

Grenzen aan preventie

Daarom worden pogingen ondernomen om preventie onder controle te houden door kosten en baten af te wegen. Zo wordt gesproken over ‘proportionele preventie’, waarbij men zich, in navolging van het strafrechtelijke proportionaliteitsbeginsel, afvraagt “welke preventiemaatregelen we verantwoord vinden om welke problemen aan te pakken?”Burssens, D. (2014), ‘Preventie in balans. Handvatten voor proportionele preventie’, in Burssens, D., Goris, P., Melis, B. en Vettenburg, N. (red.). Preventie morgen. Bouwstenen voor een goede praktijk, Antwerpen, Garant, 67-82.

“Deze vraag verwijst naar een ethisch debat.”

Deze vraag verwijst naar een normatief en ethisch debat over de grenzen van preventie. In dat debat wordt gezocht naar werkbare principes die de keuzevrijheid van individuen waarborgen en beschermen tegen al te ingrijpende interventies ‘in the name of preventing harm’.Ashworth, A. and Zedner, L. (2012), ‘Prevention and criminalization: justifications and limits’, New Criminal Law Review, 15, 4, 549.

De gekozen preventievorm moet altijd de minst ingrijpende interventie zijn die de grootst mogelijke keuzevrijheid aan het individu laat. Dit pleidooi loopt sterk gelijk met de keuze voor ‘emancipatorische preventie’. Het is een zoektocht naar een evenwicht tussen sociale verantwoordelijkheid, maximale keuzevrijheid en ruimte voor zelfontplooiing.Vettenburg, N. (2014), ‘Emancipatorische preventie in vijf dimensies’, in Burssens, D., Goris, P., Melis, B. en Vettenburg, N. (red.), Preventie morgen. Bouwstenen voor een goede praktijk, Antwerpen, Garant, 14-23.

Weegschaal boven halen

Wanneer we bovenstaande principes toepassen op de vraag naar bescherming tegen schadelijke effecten voor meerokende kinderen, dan komen enkele tegenstrijdigheden bovendrijven.

Een wettelijk verbod op roken in het bijzijn van kinderen beschermt de gezondheid van kinderen tegen de schadelijke effecten van meeroken. Maar het beperkt de individuele vrijheid van de rokende ouder. Je kan ook kiezen voor het omgekeerde en de autonomie van de roker laten primeren. Je ‘schaadt’ dan wel de gezondheid van het minderjarige kind dat zich niet of moeilijk kan onttrekken aan het passief meeroken.

Dit evenwicht tussen het recht op zelfbeschikking van de rokende ouder en het recht op gezondheid van meerokende kinderen is een delicate oefening.Samoy I. en Coutteel, E. (red.) (2016), Het rookverbod uitbreiden? Juridisch onderzoek, casussen en aanbevelingen, Leuven, Acco, 33.Nog wat breder bekeken, stelt zich dan de vraag of je ouders kan aanspreken of straffen voor een tekort in het creëren van een gezonde leefomgeving voor kinderen (door te roken, door vet- of suikerrijke voeding…).

“Afwegen doe je niet in zeven haasten.”

Dat afwegen en balanceren van de kosten en baten van een wetgevende, preventieve maatregel is een complexe oefening die niet zomaar ‘in zeven haasten’ hoort te gebeuren.Burssens, D. (2014), ‘Preventie in balans. Handvatten voor proportionele preventie’, in Burssens, D., Goris, P., Melis, B. en Vettenburg, N. (red.). Preventie morgen. Bouwstenen voor een goede praktijk, Antwerpen, Garant, 67-82.

Individuele schuldvraag primeert

Bij deze complexe afweging is het van belang te wijzen op een bredere maatschappelijke tendens die deze oefening dreigt te verstoren.

Verschillende auteurs wijzen op een trend waarbij het debat rond gezondheidsproblemen zich in toenemende mate richt op de individuele schuldvraag. Het is echter niet correct, of in ieder geval wat simplistisch, om mensen eenzijdig en persoonlijk verantwoordelijk te stellen voor hun leefstijl. Je schuift daarmee de verantwoordelijkheid van de samenleving naar de achtergrond.Devisch, I. en Van Lancker, W. (2013), ‘Moeten de dronkenlap en de roker hun ziektekosten terugbetaald krijgen?’, De Morgen, 14 maart 2013.

In veel gezondheidskwesties is het volgens deze auteurs simpelweg niet mogelijk om de maatschappelijke context en persoonlijke verantwoordelijkheden strikt te scheiden. Om dezelfde reden plaatsen ze vraagtekens bij een vet- of suikertaks in de strijd tegen obesitas: zo’n taks treft de individuele gebruiker maar miskent dat ook de samenleving een bepaalde omgang met voeding opdringt. Maar ook de voedingsindustrie is zelf, bedreigd door een toenemend aantal schadeclaims en rechtszaken, zwaarlijvigheid en obesitas gaan kaderen als een persoonlijke verantwoordelijkheid en individuele keuze.Thomson, D.M. (2009), ‘Big Food and the Body Politics of Personal Responsibilty’, Southern Communication Journal, 74, 1, 2–17.

Samenleving mee verantwoordelijk

Een parallel tussen de strijd tegen obesitas en roken is vlug getrokken. Ook hier heeft de tabaksindustrie het geweer van schouder veranderd. Autonomie en zelfbeschikking werden het centrale argument van de rooklobby die zo anticipeerde op grootschalige schadeclaims.

Het ‘framen’ van roken als vrije keuze en persoonlijke verantwoordelijkheid van de consument, miskent echter het verslavend karakter van het product. De industrie en de maatschappij hebben een verantwoordelijkheid in het tot stand brengen en onderhouden van deze verslaving.

“Autonomie werd hét argument van de rooklobby.”

Deze individualisering van verantwoordelijkheden negeert het feit dat kinderen en jongeren vaak beginnen te roken wanneer ze de risico’s van het roken nog niet goed kunnen inschatten.Royal College of Physicians (2010), Passive Smoking and Children, London, A Report by the Tobacco Advisory Group of the Royal College of Physicians, 147.

Kinderen en jongeren die opgroeien in een gezin waar gerookt wordt, lopen een dubbel risico. Niet alleen ontwikkelen ze door het passief meeroken een fysieke afhankelijkheid, de confrontatie met rokende rolmodellen zet ook aan tot roken. De kans dat kinderen met roken beginnen indien één van de ouders rookt, is 60% hoger in vergelijking met kinderen zonder rokende ouders. Als beide ouders en eventuele andere familieleden roken, is deze kans nog veel groter.Royal College of Physicians (2010), Passive Smoking and Children, London, A Report by the Tobacco Advisory Group of the Royal College of Physicians, 121.

Geen vrije keuze

De stelling dat roken een vrije keuze van autonome individuen is, valt daarom moeilijk vol te houden. Nicotine en tabak zijn extreem verslavend en die verslaving wordt aan volgende generaties doorgegeven. Een grote groep rokers ontwikkelde haar rookgedrag en verslaving tijdens de kinder- en adolescentiejaren.

Die ‘vrije keuze’ wordt nog verder ondermijnd door de sluikse marketingstrategieën van de tabaksindustrie. Daarbij mogen we ook niet vergeten dat strenge anti-tabakmaatregelen en wetgevende initiatieven eigenlijk pas echt voet aan grond kregen in het afgelopen decennium.

Tabakslobby volgen

Om die reden is een bij wet bepaald verbod op roken door ouders (in privéruimtes) in het bijzijn van minderjarige kinderen, ook wanneer dit verbod louter een symbolisch doel dient, eigenlijk een opvallende keuze.

Zo’n wettelijk verbod wil in de eerste plaats de individuele rokende ouders op hun verantwoordelijkheid wijzen. Het kadert in een strategie om het rookgedrag verder te problematiseren.

“Dit verbod wil rookgedrag verder problematiseren.”

Daarmee zet men de individuele keuze en persoonlijke verantwoordelijkheid centraal, en volgt men zo paradoxaal genoeg het discours van de tabaksindustrie en -lobby.

De keuze van de individuele roker viseren en strafbaar stellen, leidt de aandacht af van de verantwoordelijkheid van maatschappij en industrie. Zo wordt een belangrijk gezondheidsprobleem opnieuw verder verengd tot een individuele schuldvraag.

Ongelijkheid verscherpt

Deze strategie is niet zonder gevaar. Roken verder denormaliseren en de schuld bij de individuele roker leggen, helpt rokers niet bij het stoppen met roken. Het leidt eerder tot ongewilde negatieve effecten op de mentale gezondheid van de roker.Colgrove, J., Bayer, R. and Bachynski, K.E. (2011), ‘Nowhere Left to Hide? The Banishment of Smoking from Public Spaces’, New England Journal of Medicine, 364, 25, 2375-2377.

“Schuldinductie helpt niet bij het stoppen met roken.”

Naar analogie met het debat rond obesitas dreigt de roker geportretteerd te worden als een ‘object of disdain and ridicule’, waarmee de verantwoordelijkheid van de industrie steeds verder op de achtergrond verdwijnt.Thomson, D.M. (2009), ‘Big Food and the Body Politics of Personal Responsibilty’, Southern Communication Journal, 74, 1, 2–17.

Bovendien zijn deze preventiestrategieën selectief. Schuldinductie treft niet iedereen op dezelfde wijze. Niet alleen zijn in onze samenleving de kansen op gezondheid ongelijk verdeeld, het straffen voor ongezonde ‘keuzes’ kan die ongelijkheid nog verder aanscherpen.Devisch, I. en Van Lancker, W. (2013), ‘Moeten de dronkenlap en de roker hun ziektekosten terugbetaald krijgen?’, De Morgen, 14 maart 2013.

De individualisering van verantwoordelijkheden eist dat de meest kwetsbaren in onze samenleving zelf oplossingen vinden voor hun (gezondheids)problemen. Lukt dat niet, dan ligt de schuld daarvan bij henzelf, en worden ze aanzien als lui en onwillig.Thomson, D.M. (2009), ‘Big Food and the Body Politics of Personal Responsibilty’, Southern Communication Journal, 74, 1, 2–17.

Ongewenst signaal

Een uitbreiding van het rookverbod in het bijzijn van kinderen geeft een ongewenst signaal. Door de manier waarop zo’n rookverbod wordt beargumenteerd, verschuift het zwaartepunt van een maatschappelijk gezondheidsprobleem naar een individuele keuze en verantwoordelijkheid.

“De uitbreiding van het rookverbod geeft een ongewenst signaal.”

De tabaksindustrie en -lobby blijft opnieuw buiten beeld en de samenleving wordt ontheven van haar taak om “een gezondheidszorg te organiseren die de verantwoordelijkheid van mensen over hun eigen gezondheid kan versterken, eerder dan de uitsluiting nog erger te maken dan ze nu al is”.Devisch, I. en Van Lancker, W. (2013), ‘Moeten de dronkenlap en de roker hun ziektekosten terugbetaald krijgen?’, De Morgen, 14 maart 2013.

Bovendien raakt dit niet enkel aan de vraag hoe we een gezonde samenleving met gezonde individuen kunnen stimuleren, maar ook hoe we onze samenleving in de bredere zin organiseren.

Dit brengt ons opnieuw bij de grenzen van preventie. In 2008 zei Robert Rabin, voormalig directeur van het Tobacco Policy Research and Evaluation programma daarover het volgende: ‘We should not lose perspective on the question of how restrictive a society we want to create (…); this question should be central as we pursue the critically important goal of reducing rates of smoking’.Colgrove, J., Bayer, R. and Bachynski, K.E. (2011), ‘Nowhere Left to Hide? The Banishment of Smoking from Public Spaces’, New England Journal of Medicine, 364, 25, 2377.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen