De verzorgingsstaat is superieur

Nederlandse hoogleraar stelt vermaatschappelijking in vraag

Samenlevingsopbouw Vlaanderen wil zijn kijk op vermaatschappelijking scherp stellen. Daarom gingen ze praten met Jan Willem Duyvendak, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Duyvendak wil concepten als de participatiesamenleving en eigen kracht-denken minder ideologisch bekijken. Dat maakt zijn inzichten erg relevant voor het debat over vermaatschappelijking van zorg in Vlaanderen.Dit interview verschijnt ook als e-dossier op de website van Samenlevingsopbouw.

verzorgingsstaat
Jan Willem Duyvendak


In een artikel op de Nederlandse website socialevraagstukken.nl stel je dat we in on-sociologische tijden leven als het over sociaal beleid gaat. Wat bedoel je daar precies mee?

Ik geloof dat het Nederlandse decentralisatiebeleid en de transitie – of moet ik het afbraak noemen? – van de verzorgingsstaat op weinig empirische grond gestoeld is. Heel deze evolutie lijkt me voornamelijk door ideologie gedreven. Het beleid gebruikt idealen als autonomie en nabijheid op een manier die de ongelijkheid in de samenleving stevig dreigt te doen toenemen. Zeker wanneer ze, zoals nu het geval is, samengaan met een klimaat van antiprofessionalisme en anti-institutionalisme.

Laten we met autonomie beginnen. Wat is daar mis mee?

Op zich niets. Autogestion is één van de oude linkse idealen: mensen bevrijden van paternalistische sociale verhoudingen. Alleen zie je dat het eigen kracht-discours dat vandaag zo dominant is, uitgaat van middenklassenwaarden en -vaardigheden. Daar is het misverstand ontstaan. Middenklassers denken dat iedereen kan wat zij kunnen. Maar niet iedereen heeft het even goed met zichzelf getroffen. Er zijn mensen die hulp en zorg nodig hebben. Zij hebben recht op professionele ondersteuning. Een beschaafde samenleving laat hen niet over aan de toevallige aanwezigheid van vrijwilligers en mantelzorgers. Het is mede daarom dat we de verzorgingsstaat bedacht hebben.

“Mensen hebben recht op professionele ondersteuning.”

Maar is het niet goed dat mensen zichzelf kunnen helpen?

Soms is dat goed. Alleen zie je dat zelfredzaamheid een doel op zich is geworden. In Nederland hebben sociaal werkers constant een zelfredzaamheidsmatrix bij de hand. Zorg is verworden tot het maximaliseren van de zelfredzaamheid van mensen. Ik vind dat van een grote treurigheid. Het doel moet zijn mensen die zorg nodig hebben, de best mogelijke zorg te bieden. Bovendien leidt het ertoe dat mensen niet meer voor hun rechten durven opkomen.

Hoezo?

Sinds de participatiesamenleving wordt iedereen die om welke reden dan ook niet participeert met een scheef oog aangekeken. Het is de bezegeling van een ideologisch momentum waar het geloof heerst dat we in een meritocratische maatschappij leven. Iedereen zou er naar vrije wil en met gelijke kansen aan mee kunnen doen. Doe je dat niet, ligt dat enkel aan jezelf. In haar proefschrift toont Judith Elshout hoe zelfs werklozen lotgenoten niet meer respecteren omdat ze geloven dat deze zelf verantwoordelijk zijn voor hun onfortuinlijke situatie. Maar ook in de zorg leidt het tot bittere situaties. In ‘Too ashamed to complain’ laat ik samen met Ellen Grootegoed zien dat mensen die hun recht op zorg gekort zien, niet tegen die beslissing in beroep durven gaan. Ze zijn bang om als niet-zelfredzaam bekeken te worden.

“Mensen willen geen beroep doen op familie, buren of vrienden.”

Maar misschien kan dit sommigen een duwtje in de rug geven om de touwtjes in eigen handen te nemen?

Opnieuw laat de empirie zien dat dit een wensdroom is. Het onderzoeksproject ‘De belofte van nabijheid’, dat we momenteel uitvoeren, laat zien dat het ideaal van burgers die het zonder hulp van de overheid redden, al te vaak niet opgaat. Soms heeft het zelfs schadelijke effecten. Hulpverleners merken steeds vaker dat mensen helemaal geen beroep willen doen op familie, buren of vrienden. Ze vrezen dat deze waardevolle relaties onder druk zullen komen te staan als ze eenzijdig en langdurige hulp van hen moeten krijgen. Dat is trouwens een gerechtvaardigde vrees. In dit soort relaties is wederkerigheid van groot belang. Daardoor komt het ideaal van autonomie zorgbehoevenden vaak in de weg te zitten. Op de duur hebben ze liever een professional, waar betaling voor een zekere wederkerigheid zorgt.

Dat brengt ons als vanzelf bij het tweede ideaal waar de participatiesamenleving en vermaatschappelijking van zorg zich op beroepen: nabijheid.

Voor de duidelijkheid. Dit ideaal draagt twee facetten in zich: de idealisering van de thuissituatie en de decentralisering van het beleid.

“Thuis is niet per definitie beter dan een tehuis.”

Wat bedoel je met de idealisering van de thuissituatie?

Ik denk dat het anti-institutionalisme overal de wind in de zeilen heeft. Mijn collega Evelien Tonkens stelde in haar Socrateslezing in 2014 dat we in een tijd leven waarin we formele verbanden wantrouwen. Let wel: in de zorg- en welzijnssector was dat voor een deel terecht. Er waren problemen met instellingen die vooral het belang van de professionals dienden, die verweesd zijn geraakt. In eerste instantie heeft men dat willen oplossen door ze te vermarkten. Dat heeft niet gewerkt. Door de daarop volgende besparingen is de kwaliteit soms zo achteruit gegaan dat op de duur alles beter leek dan een professionele oplossing; in de zorg leidde dit tot het verfoeien van de instelling, het ‘tehuis’. Sommigen hebben daaruit besloten dat instellingen op zich slecht zijn. Dat is natuurlijk niet zo. Thuis is niet per definitie beter dan een tehuis; mantelzorgers en vrijwilligers niet per se beter dan professionals.

Waarom niet?

Veelgehoorde kritiek op instellingen zegt dat patiënten er eenzaam zijn en dat de kwaliteit van de zorg te wensen overlaat. Alleen blijkt uit empirisch onderzoek dat wanneer mensen zelfstandig wonen, ze zich heel vaak alleen voelen. Zeker op lange termijn zijn buurtbewoners niet geneigd diepgaande relaties met hen aan te knopen. Bovendien is het maar de vraag of de kwaliteit van de zorg zo veel beter is. Uit onderzoek blijkt dat wanneer mensen thuis verblijven, er zich vaker problemen voordoen. Mensen worden bijvoorbeeld vaker vastgebonden. Thuis staat de hulpverlener er alleen voor. Hij wil dus geen risico’s nemen. Dat is logisch. Alleen merk ik dat politici en een groot deel van het werkveld zulke empirische vaststellingen niet graag horen. De afkeer voor instellingen zit er zo diep in. Het is haast ideologisch.

Maar thuis verzorgd worden door mantelzorgers is toch niet uitsluitend slecht?

Uiteraard niet. Die zaken zijn niet zwart wit. Dat is net mijn punt. Alleen is er in Nederland nooit een echte discussie geweest over de condities waaronder het beter is om vrijwilligers en mantelzorgers in te schakelen, en wanneer het verstandiger is om professionals te gebruiken. Dit kan land per land verschillen. Ook in de tijd kunnen er zich veranderingen voor doen. Neem de organisatie van de zorg voor jonge kinderen. We zijn het er stilaan over eens zijn dat peuters veel voordeel genieten door naar de kinderopvang te gaan. Als samenleving hebben we geleerd dat informeel georganiseerde zorg op dit vlak beter professioneel geregeld kan worden.

“Willen familieleden intieme handelingen bij elkaar uitvoeren?”

Maar dat geldt dus niet automatisch voor alle vormen van zorg?

Nee, ik denk dat het van domein tot domein verschilt. De gehandicaptensector heeft andere noden dan de geestelijke gezondheidszorg. Maar het heeft ook met de aard van het werk te maken. Bijvoorbeeld: als het over handelingen aan het lichaam gaat. Willen familieleden en mantelzorgers de meest intieme handelingen bij hun ouders uitvoeren of hebben ze liever dat professionals dat doen? Dat lijkt me toch een zeer relevante vraag waarmee je niet klaar bent met het mantra ‘mantelzorg is beter’.

En wat als het over minder ingrijpende handelingen, zoals poetswerk, gaat?

Mantelzorgers zouden dat inderdaad kunnen doen. Maar zou je dat per definitie moeten willen? Je kunt er ook voor zorgen dat laaggeschoolde mensen het doen en er een salaris voor krijgen. Hiermee schep je banen en stel je andere mensen – mantelzorgers en vrijwilligers – vrij om zich te richten op sociale activiteiten. Het is dus een vraag die we ons met zijn allen beter hardop zouden stellen. Het gaat over de vraag hoe we onze samenleving willen organiseren.

“Sociaal werkers hebben een deskundigheid die vrijwilligers niet hebben.”

Dat zijn allemaal aspecten die betrekking hebben op zorg. Hoe zit het met armoedebestrijding en opbouwwerk?

We hebben veel onderzoek gedaan naar de nieuwe verhoudingen tussen professionals en vrijwilligers. Daaruit blijkt dat er nogal wat taken bestaan die op het eerste gezicht door vrijwilligers uitgevoerd kunnen worden. Na een tijdje blijkt echter dat dit helemaal niet zo evident is. Ik geef vaak het voorbeeld van de uitbating van een speeltuin. Dat kan iedereen, beweren politici. En de eerste maanden blijkt dat ook. Kous af, zou je denken, dan organiseren we dat zo. Alleen zien we dat na verloop van tijd de dominante cultuur van een bepaalde groep zeer actieve vrijwilligers bepaalde gebruiken gaat opleggen, waardoor andere mensen wegblijven. De gevoeligheid en de mogelijkheid om dat te corrigeren, is groter bij een professional. Bovendien blijkt dat er toch nood is aan een zekere onafhankelijke actor die beslissingen kan afdwingen, bijvoorbeeld het feit dat er in een speeltuin in de buurt van kinderen niet gerookt wordt.

Toch maar opletten met de-professionalisering dus?

Het is opnieuw een genuanceerd verhaal. Je hebt niet voor alles een hoogopgeleide professional nodig, maar sociaal werkers mogen ook niet te bescheiden zijn. Zij hebben vaak een deskundigheid die vrijwilligers niet hebben. In die zin vind ik ook dat we moeten waken voor verdoken vormen van de-professionalisering. We doen veel onderzoek naar het werk van sociale wijkteams. Veel professionals zitten daar met de handen in het haar omdat ze te veel verschillende problemen over zich heen krijgen. Mensen met een beperking, psychische problemen, situaties van armoede… Ze moeten er allemaal mee om kunnen, zowel op het vlak van diagnose als van uitvoering. Ze kunnen daarvoor wel een beroep doen op de tweede lijn, maar het probleem ligt natuurlijk bij een te brede, te generalistische beroepsopvatting. Dat is ook een vorm van de-professionalisering en vooral een onderschatting van de complexiteit van de realiteit. Ik snap niet dat de beroepsgroepen en opleidingen dat niet meer aankaarten.

“Sociaal werkers zijn te bescheiden.”

Waar heeft dat anti-professionalisme wortel kunnen schieten?

Opnieuw: ik denk dat sociaal werkers te bescheiden zijn. Ze durven te weinig zeggen waar ze voor staan en welk enorm maatschappelijk nut ze hebben. Ze beweren ook te vaak dat hun doel is om zichzelf overbodig te maken. Daarmee diskwalificeer je jezelf. Als je dat maar vaak genoeg herhaalt, lijkt het al snel alsof je nooit nuttig bezig bent geweest. Dan moet je niet verbaasd zijn dat de buitenwereld dat op de duur ook vindt.

Je zei daarnet dat de verregaande decentralisatie van het zorg- en welzijnsbeleid in Nederland ook doorgevoerd wordt onder het mom van nabijheid.

Dat klopt. Het hele idee is dat de lokale overheid nabijer zou zijn dan de centrale overheid. Ik weet niet waarom dat per se zo zou zijn, maar het gevolg is wel dat de ongelijkheid stijgt. Gemeenten bieden namelijk verschillende vormen en niveaus van zorg. Gijs Vonk en zijn team van de Universiteit Groningen hebben daar net een heel mooi rapport over uitgebracht. Hun stelling is dat vanuit juridisch oogpunt de ongelijkheid tussen gemeenten niet te verantwoorden is. Mensen zijn immers niet in staat om zomaar te verhuizen als ze in een stad wonen waar de meerderheidspartijen opeens zeggen: ‘zoek het zelf maar uit’.

Zie je dat dan vaak?

We merken in ieder geval dat sommige gemeenten de keukentafelgesprekken uitdrukkelijk gebruiken om 30% minder zorg te moeten spenderen.

“De overheid dicteert hoe mensen zorg moeten organiseren.”

Wat zijn keukentafelgesprekken?

Sinds de decentralisering moet iedereen die zorg aanvraagt, een gesprek hebben met de gemeente. Er wordt besproken welke belemmeringen iemand tegenkomt in het dagelijks leven en wat hier aan gedaan kan worden. De term doet vermoeden dat het om een gezellig, informeel gesprek bij de mensen thuis gaat, maar dat is het allesbehalve.

Waarom niet?

Om te beginnen omdat het frame van huiselijkheid de doelstelling verhult: het netwerk van de persoon in kwestie meer laten doen en de overheid minder. Dat gaat ver. De ambtenaren kijken tijdens het gesprek rond om te zien of er in huis foto’s van mensen hangen. Misschien kunnen die dan ingeschakeld worden om zorg te verlenen. Daaruit blijkt een vreemde paradox. Materieel gezien herverdeelt de overheid minder, maar tegelijk dicteert ze moreel steeds meer hoe de zorg georganiseerd moet worden.

Zijn de participatiesamenleving en de vermaatschappelijking van zorg verdoken manieren om een besparingsbeleid door te drukken?

Ik geloof alleszins niet in een complottheorie waarbij een aantal communicatiespecialisten ingezet zijn om een bezuinigingsbeleid ingang te doen vinden. Achter deze politiek zit een cluster van argumenten. Enerzijds is er het ideologische aspect met een doorgedreven antiprofessionalisme en anti-institutionalisme, anderzijds zit er ook een besparingslogica achter. Martin Van Rijn, de Nederlandse staatssecretaris voor Welzijn, is ervan overtuigd dat vrijwillige, ‘warme’ zorg per definitie beter is dan professionele zorg. Als je aantoont dat dat niet altijd waar is, antwoordt hij: ‘Ok misschien is het niet zo, maar professionele, geïnstitutionaliseerde zorg op de oude voet is hoe dan ook niet meer betaalbaar’. De gelaagdheid van de argumentatie maakt het moeilijk praten. Als het ideologische verhaal niet aanslaat, schakelt men gewoon over op het financiële plaatje.

Maar ik hoor je wel zeggen dat we het over dit beleid moeten hebben?

Absoluut. Het succes van Thomas Piketty heeft aangetoond dat veel mensen ongelukkig zijn over de stijgende ongelijkheid tussen mensen, tussen wijken, tussen steden, tussen groepen. Dat probleem moet je op nationaal en institutioneel niveau aanpakken. Je hebt daar publieke diensten en sociale voorzieningen voor nodig.

“Vroeger had je recht op ondersteuning, nu moet je geluk hebben.”

Begrijp ik goed dat je er dan voor pleit de verzorgingsstaat te behouden?

Ik zeg niet dat de verzorgingsstaat perfect is, verre van. Maar het is niet omdat een systeem niet perfect is, dat je radicaal voor de afschaffing moet pleiten. Misschien moeten we toch nog eens in herinnering brengen waarom we dit systeem van indirecte solidariteit opgezet hebben. Politici horen dat niet graag, maar met de verzorgingsstaat wilden we individuen onafhankelijk maken van knellende familieverbanden. Dat is een andere invulling van het idee autonomie. Nu betekent het dat je moet terugvallen op je netwerk. Een netwerk dat vaak ondersteunt, maar waarvan we vaststellen dat het op sommige mensen een negatieve invloed heeft. Vroeger had je recht op ondersteuning, nu moet je toch wel geluk hebben dat je veel en sterke familieleden en vrienden hebt.

En is de verzorgingsstaat dan nog betaalbaar?

Dat is de foute vraag. Betaalbaarheid is in onze rijke samenleving geen gegeven zoals het weer. De juiste vraag is of je het wil betalen. Daarover zou het politieke debat moeten gaan.

Je krijgt waarschijnlijk vaak te horen dat je conservatief bent?

Ik breng geen populair verhaal. Een van de problemen van het links-progressieve discours is de idee dat verandering goed zou zijn. Dat wordt automatisch als iets positief gezien terwijl je toch zou moeten kijken naar de richting waarin iets verandert. Daarom is het belangrijk om telkens weer te tonen wat de resultaten van de verzorgingsstaat zijn. We mogen niet bang zijn te benoemen wat goed gaat. Laten we naar de feiten kijken. Hoeveel mensen helpt de verzorgingsstaat vooruit? Hoezeer verkleint de verzorgingsstaat de ongelijkheid? Als je dat doet, kan je enkel concluderen dat dit systeem superieur is aan het nieuwe. Ook wat het aantal mantelzorgers betreft. De cijfers spreken voor zich: in landen met een sterke verzorgingsstaat, heb je meer mantelzorgers.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen