Verontrust over verontrusting

Juridisering verlamt hulpverleners

Gepast omgaan met verontrustende situaties blijft delicaat. Verontrustende situaties mogen niet escaleren tot drama’s. Maar hulpverleners worstelen met hun verantwoordelijkheid. Kan, mag of moet ik ongevraagd tussenkomen? In dit dubbelgesprek trekken twee experts duidelijke lijnen. Al blijft er twijfel en verontrusting.

verontrusting©Aaron Haney @flickr

Wat is verontrusting?

De Kind&Gezin-conferentie ‘De toekomst is jong’ besteedde eind 2016 heel wat aandacht aan dit thema. Er kwamen aanbevelingen over het omgaan met verontrusting bij jonge kinderen.

Welke situaties zijn ‘verontrustend’? De werkgroep ‘Jong en geborgen’ vertrok op die conferentie van een brede definitie: “Die situaties waarbij een goede ontwikkeling van het kind wordt bedreigd of waarbij er risico is op schade aan die ontwikkeling. Zo’n situatie kan acuut of chronisch zijn en meestal is ze erg complex, omdat meerdere factoren een invloed hebben.”

“Welke situaties zijn verontrustend?”

Ook het Decreet Integrale Jeugdhulp zet bij haar definiëring van verontrusting de bedreiging van de ontwikkelingskansen van een minderjarige centraal. Dat kan omdat de provisie-, protectie- of participatierechten van de minderjarige worden geschonden. Maar ook omdat de psychische, fysieke of seksuele integriteit van een minderjarige of één of meer gezinsleden wordt aangetast.

Maatschappelijke noodzaak

Vervolgens koppelt integrale jeugdhulp verontrusting aan de ‘maatschappelijke noodzaak’ om hulp op te starten of verder te zetten. Die maatschappelijke noodzaak slaat zowel op het recht van de samenleving om in verontrustende situaties te interveniëren, als het recht op hulp in hoofde van de betrokkenen, in de eerste plaats de minderjarige.

Daarmee zit verontrusting op het snijvlak tussen de vrijwillige en de gedwongen hulpverlening. Ook al wil de jongeren of zijn ouders niet meewerken, toch kan de verontruste samenleving het nodig vinden om tussen te komen.

“De samenleving kan het nodig vinden om tussen te komen.”

De Ondersteuningscentra Jeugdzorg (OCJ) en de Vertrouwenscentra Kindermishandeling (VK) hebben het mandaat om in zo’n situaties tussen te komen. Een jeugdhulpverlener kan bij een verontrustende situatie, via het M-document, de stap zetten naar zo’n gemandateerde voorziening.

Newspeak

Is dat allemaal wel zo nieuw? Al in 1965 introduceerde de jeugdbescherming het begrip ‘kind in gevaar’. Daar lag de basis voor interventies die het kind, gevraagd of ongevraagd, moesten beschermen tegen gevaarlijke situaties. Is er een verschil tussen ‘kind in gevaar’ en ‘verontrusting’?

Stef Anthoni, directeur van het Antwerpse Vertrouwenscentrum Kindermishandeling: “Het ‘kind in gevaar’ stond enkel in het teken van het verlenen van bescherming. Verontrusting gaat breder. Het zet het verbeteren van een situatie, het creëren van ontwikkelingskansen en het nadenken over herstel centraal. Die verruiming is maar zinvol als ook de maatschappelijke verantwoordelijkheid in beeld komt. Want omgaan met verontrusting gaat over meer dan de individuele verantwoordelijkheid van een hulpverlener. Verontrustende situaties wijzen ook op de verantwoordelijkheid van onderwijs, huisvesting, jeugdwerk of gezondheidszorg. Voor mij straalt het begrip verontrusting slechts kracht uit als het erin slaagt om al die actoren mee in bad te trekken.”

Maatschappelijke verantwoordelijkheid

Ook Kris Stas, stafmedewerker van het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, vindt dat omgaan met verontrustende situaties een gedeelde maatschappelijke verantwoordelijkheid is. Maar zo ver zijn we nog niet. “Bijvoorbeeld in de kinderopvang weet men vaak geen weg met verontrustende situaties. Dat is pas verontrustend. Men zit met de neus op een verontrustende situatie maar men weet niet wat te doen.”

“Ook de kinderopvang worstelt met verontrusting.”

Er is dus nog werk aan de winkel. De werkgroep leverde alvast haar bijdrage door vast te stellen dat iedereen verontrust kan zijn: het kind, de ouder, buren, artsen, leerkrachten, verpleegkundigen…

Elke burger zou vanuit een morele betrokkenheid die verontrusting moeten uitspreken. De verontrustende situatie doorschuiven naar de professionele jeugdhulp is niet de enige optie. Iedereen kan stappen zetten om er iets mee te doen.

In de praktijk

Verontrusting begint al bij het kunnen, willen en durven zien dat er mogelijk een verontrustende situatie is. Vanaf het moment dat men zich realiseert dat een situatie verontrustend kan zijn, duiken heel wat vragen op. Klopt het wat ik zie? Zijn mijn vermoedens terecht?

“Dezelfde situatie is niet voor iedereen verontrustend.”

In de praktijk is dat niet zo eenvoudig. Verontrusting is een subjectief aanvoelen. Het wordt mee bepaald door je waarden- en normen. Dezelfde situatie is niet voor iedereen verontrustend. Logisch dus dat je soms twijfelt en nog even afwacht.

Verlammend

Ook de maatschappelijke context beïnvloedt de inschatting van verontrusting. Zo zijn hulpverleners steeds meer beducht voor aansprakelijkheidsclaims waarbij zij ter verantwoording worden geroepen over al dan niet gezette stappen. Dat is nefast.

“Zorgethiek ruimt plaats voor regels en procedures.”

“Hulpverleners vragen zich dan vooral af hoe zij hun verantwoordelijkheid kunnen doorschuiven”, zo stelt Stef Anthoni. “Die juridisering van de hulpverlening verlamt hulpverleners. Uit angst om fouten te maken, schroeven ze hun spontaan handelen terug. Ze zijn vooral bezorgd over het naleven van de vele regels en protocollen. De mogelijkheid om zelf verantwoordelijkheid op te nemen, komt in de schaduw te staan. Zorgethiek ruimt plaats voor regels en procedures. Dat leidt tot een soort handelingsverlamming, gevoed door de angst voor de eigen aansprakelijkheid.”

Kris Stas: “Vaak gaat het ook over ongeschreven regels binnen een organisatie, waardoor men onbewust de nadruk legt op wat de hulpverlener kan overkomen en niet op wat er nodig is in de verontrustende situatie.”

Stimulerende instrumenten

Is dat geen eenzijdige lezing? Heel wat regels en procedures zoals een meldcode of het M-document zijn toch bedoeld om hulpverleners in actie te doen schieten?

Stef Anthoni: “Er is niks mis met deze instrumenten, zolang ze hulpverleners daadwerkelijk ondersteunen in hun omgaan met verontrusting. Dat is meer dan het toetsen en afvinken van een aantal regels. Verontrusting is een werkwoord, iets dat voortdurend evolueert. Na een gezinsdrama moet er ruimte blijven om samen te beoordelen waarom bepaalde verontrustende signalen toch niet opgepikt werden. Dat vraagt van hulpverleners veel openheid en kwetsbaarheid. Door hen te beladen met angst en schuld, zetten we geen stappen vooruit.”

“Verontrusting is een werkwoord.”

Dezelfde redenering geldt voor instrumenten van risicotaxatie die hulpverleners aangereikt krijgen. Werken die ondersteunend of hollen ze hulpverleners uit tot calculerende onderzoekers? Kris Stas: “Dat hangt weer samen met die controlereflex die aangewakkerd wordt door het discours van aansprakelijkheid. Als risico-taxatie de neiging versterkt om verantwoordelijkheid door te schuiven, is het een foute boel.”

Dialoog aangaan

Het Decreet Integrale Jeugdhulp wil alle jeugdhulpverleners responsabiliseren in het omgaan met verontrustende situaties. Lukt dat?

Stef Anthoni: “Dat decretaal appel op het omgaan met verontrusting had positieve effecten. Overal, is er meer oog en oor voor verontrustende signalen, ook in de kinderopvang en sportclubs. Zaak is dan om daarmee aan de slag te gaan en niet altijd te verwijzen naar een gespecialiseerde instantie die dat moet oplossen. Soms hoopt men dat een gemandateerde voorziening de hulpvraag overneemt. Maar dan verlies je als initiële hulpverlener de band met de jongere en zijn situatie. De voelsprieten zijn scherper geworden maar aan het handelen schort er nog veel.”

“Eenvoudige communicatie kan al wonderen doen.”

Kris Stas: “Er wordt te weinig kennis gedeeld over wat men kan doen. Eenvoudige communicatie over wat er nodig is, kan al wonderen verrichten. Maar daar knelt het schoentje. Er zijn structuren, maar de verbindingen zijn nog niet sterk genoeg. Een JAC-hulpverlener maakt zich zorgen over een jongen die erg te lijden heeft onder de regeling van co-ouderschap. Hij geeft dat via het M-document door aan het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg. Maar hoe kan hij ondertussen de jongere helpen? Want voorlopig beweegt dat ondersteuningscentrum niet, in afwachting van een uitspraak van de familierechtbank. Iedereen wacht blijkbaar op iedereen. Toch hadden de hulpverleners samen met de jongeren in overleg kunnen gaan. Zowel de jongere als de JAC-hulpverlener voelen zich onnodig in de wachtrij geplaatst.”

Even bellen

Veel hulpverleners klagen erover dat hun verontrusting nu in een formulier moet vertaald worden. Dat M-document staat een echte dialoog in de weg. Vroeger belde men gewoon even met de consulent van het Comité Bijzondere Jeugdzorg.

Stef Anthoni: “Maar dat kan nu nog. Zowel het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg als het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling zijn elke dag bereikbaar, ook zonder M-document. Het Vertrouwenscentrum kan bovendien verder werken, zonder meteen een dwingende interventie te doen.”

Het noorden kwijt

Het is begrijpelijk dat nog niet alles van een leien dakje loopt. Sommige diensten verdwenen, nieuwe structuren zagen het daglicht. De Comités voor Bijzondere Jeugdzorg zijn niet meer. Nu zijn er een intersectorale toegangspoort en twee gemandateerde voorzieningen. Nu eens moet je een A-document invullen, dan weer een M-document.

“Wie helpt de hulpverlener?”

Hulpverleners geraken het noorden kwijt. Wie helpt de hulpverlener? Beide deskundigen pleiten hier voor meer overleg. Het heeft geen zin dat hulpverleners individueel met die vragen blijven zitten. Ga de dialoog aan en zie waar je uitkomt.

En zo komen we weer bij de vrees voor aansprakelijkheid die van hulpverleners verwijsrobotten dreigt te maken. Dialoog is iets anders dan doorverwijzen. Stef Anthoni: “Die documenten kunnen een pervers effect hebben als men ze louter ziet als een administratieve aanvraag om een cliënt te verwijzen.”

Morele verantwoordelijkheid

Kris Stas schuift de morele verantwoordelijkheid en aanspreekbaarheid naar voor als alternatief voor de aansprakelijkheid.

“Van zodra je wordt geraakt door wat je voelt, moet je in gesprek gaan, in de eerste plaats met cliënten zelf. Hulpverleners hebben het daarbij soms moeilijk. Ze ervaren drempels om eigen grenzen te stellen en uit te spreken dat een gezinssituatie niet OK is.”

“Die morele verantwoordelijkheid is een deel van je professionele opdracht. Het kan niet dat je zegt: ‘Het wordt hier te moeilijk en dus stop ik de hulpverlening’. Morele verantwoordelijkheid is durven vooruitdenken. Vraag je af hoe je jezelf zal verantwoorden als je vanaf de zijlijn blijft toekijken en de situatie verder uit de hand loopt. Die verantwoordelijkheid opnemen is de tegenpool van de vrees voor aansprakelijkheid.”

“Morele verantwoordelijkheid is durven vooruitdenken.”

Cliënten waarderen dat je in zo’n moeilijke situaties toch je verantwoordelijkheid opneemt. Stef Anthoni: “Het is een soort zorgzaamheid waarover hulpverleners terecht fier mogen zijn. Als je huis in brand staat, mogen de buren trots zijn dat ze als eerste in actie schoten. Het zijn de directe omgeving en sociale professionals die de eerste stap zetten. Ik hoor soms ouders die door de schooldirecteur opgebeld werden om een verontrustende situatie te bespreken. Ze zeggen dat ze dat erg waarderen. Zo krijgen ze het gevoel dat hun kinderen in goede handen zijn.”

Advies vragen

Als je als hulpverlener twijfelt aan je eigen verontrusting, dan kan je daarover advies en ondersteuning vragen aan beide gemandateerde voorzieningen. Dat is een belangrijke stap vooruit.

“Zonder consult kan men te snel handelen.”

Kris Stas grijpt opnieuw naar een voorbeeld uit de kinderopvang: “Er zijn aanwijzingen dat een kind seksueel misbruikt wordt. De kinderverzorgers voelen zich aangesproken. Ze kunnen daarover in gesprek gaan met het Vertrouwenscentrum. Dat biedt hen ondersteuning. Alle wegen blijven open want zo’n consult kan perfect zonder naam en toenaam. Zonder consult kan men te snel handelen. Je spreekt de vader aan met als resultaat dat het kind niet meer terugkomt. Morele verantwoordelijkheid is niet hetzelfde als impulsief reageren. Wel ben je heel betrokken bezig met de vraag: ‘Hoe kunnen we recht doen aan wie?’ Zo kan je komen tot een ondersteund plan van aanpak.”

Averechtse effecten

Waarom nemen hulpverleners die morele en professionele verantwoordelijkheid nog te weinig op?

Kris Stas: “Dat ligt aan verschillende factoren. Men zet allerlei poortjes open die hulpverleners uitnodigen om hun verantwoordelijkheid door te sluizen. Neem de problematiek van informatiedeling tussen hulpverlening en parket. Terecht vraagt het parket zich af hoe ze in verontrustende situaties een rol kunnen spelen als de hulpverlening geen informatie doorspeelt.”

“Meer dialoog is broodnodig.”

“Alleen los je dat niet op met een wet die hulpverleners aanmoedigt om informatie door te geven. Integendeel, hulpverleners geraken daardoor in de knoop. Voor een hulpverlener creëert dat appel vooral meer onduidelijkheid. Welke informatie moet ik delen? Waarom zou ik weigeren om op een vraag van het parket in te gaan? Hoe verenig ik dat met mijn opdracht als hulpverlener? Vanuit die onduidelijkheid plooien hulpverleners terug. Je krijgt dan minder dialoog terwijl juist meer dialoog broodnodig is.”

Hulp en recht

Die gespannen relatie tussen recht en hulp kleurt ook de complexe omgang met verontrustende situaties. Kris Stas maakt dat concreet. “In een vechtscheiding beslist de familierechtbank dat een bezoekruimte de omgangsregeling met de kinderen in goede banen moet leiden. Vader en moeder worden verplicht mee te werken. Er wordt geschermd met dwangsommen. De ouders kunnen zich niet meer verzetten tegen dat vonnis. De weerstand verschuift naar manipulatie van de kinderen. Voor de bezoekruimte wordt die situatie onwerkbaar. Ze zetten de hulpverlening stop op basis van ‘geen medewerking van één van de partners’, één van de vastgelegde stopzettingscriteria. Met die informatie moet de familierechter dan een nieuwe beslissing nemen. Hij klaagt dat hij van de bezoekruimte te weinig informatie krijgt over de uitvoering van het vonnis.”

“Wij zijn geen tovenaars.”

Huidige stand van zaken: de hulpverlening werd stopgezet en de familierechter is ontevreden. Toch is er een uitweg. Kris Stas: “Je kan dit ook anders benaderen. De bezoekruimte is een aanbod binnen integrale jeugdhulp. De bezoekruimte kan de manipulatie van de kinderen ervaren als verontrustend. In de realiteit gaat het vaak over dramatische en verontrustende toestanden. Met dat verhaal kunnen de hulpverleners naar een gemandateerde voorziening stappen.”

Geen tovenaar

Stef Anthoni voegt daar meteen aan toe zo’n gemandateerde voorzieningen geen tovenaars zijn. “Ook zo’n voorziening kan vastlopen omdat de partners in een juridische strijd zitten. Het recht aan je kant krijgen, is van een hogere orde. Dat blokkeert bemiddelende zorg. Het blijft moeilijk omdat er in zo’n situaties geen samenspraak is tussen de jeugd- en de familierechter. De jeugdrechter zou wel maatregelen kunnen nemen maar dat vraagt om een goede afstemming tussen de beschermingsmaatregel van de jeugdrechter en het vonnis van de familierechter.”

Dat laat Kris Stas toe om haar punt te maken: “Dat lijkt me inderdaad een betere weg dan de vraag van de familierechter om meer informatie van de bezoekruimte te krijgen.”

Family Justice Center

“Het overleg tussen hulpverleners en justitie moet maken dat iedereen zijn morele verantwoordelijkheid opneemt. Als dat gebeurt in een open dialoog en met de betrokkenen, dan is dat een stap vooruit”, aldus Kris Stas.

“Is een Family Justice Center een voltreffer?”

Is een Family Justice Center dan geen voltreffer? In zo’n centrum werkt een multidisciplinair team van professionals aan een geïntegreerde aanpak. Een slachtoffer van familiaal geweld meldt zich bij het centrum en vindt daar alle diensten onder één dak: politie, justitie, hulpverlening, advocatuur en artsen.

Stef Anthoni is een voorstander: “Mijn ervaring is dat je met toestemming en directe betrokkenheid van de mensen zelf, alle elementen op tafel kan krijgen. Het gaat hier over zeer complexe situaties, waarbij er naast wat er op het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling is gemeld, nog vele andere feiten en hangende zaken boven tafel komen. In zo’n context vragen hulpverleners, politie en parket zich scherper af welke onvoorziene gevolgen hun optreden kan hebben.”

Cliënt betrokken

Stef Anthoni: “We veronderstellen ten onrechte dat cliënten passen om hun situatie voor te leggen op zo’n overlegtafel. Onlangs hadden we een man aan wie we voorstelden om het hele kluwen op tafel te leggen. Hij was meteen bereid om mee te werken. Mensen zien mogelijke interventies vanuit meerdere hoeken. Ze willen weten wat er met henzelf en de kinderen zal gebeuren.”

“Cliëntbetrokkenheid blijft cruciaal.”

Bij zo’n multidisciplinaire samenwerking met elke partner de eigen opdracht blijven vervullen. Kris Stas: “Als de chaos wordt geordend op een transparante wijze en met directe betrokkenheid van de mensen, dan loopt dat meestal goed. Het moet helder zijn wie welke verantwoordelijkheid opneemt.”

Moedige hulpverleners

Kern van de zaak: omgaan met verontrusting is geen kwestie van regels, procedures en aansprakelijkheid. Het gaat over relaties tussen mensen.

Stef Anthoni: “Mensen onthouden meestal die ene hulpverlener die iets bijzonders deed, soms wat buiten de lijnen kleurde, extra geraakt en betrokken was of durfde confronteren. Het intermenselijk contact blijft de essentie. Maar we moeten grenzen aanvaarden en veronderstellingen doorprikken. Hulpverleners veronderstellen vaak dat het doorgeven van een verontrustende situatie aan politie of parket tot een meer effectieve oplossing zal leiden. Dat is bij familiaal geweld allerminst evident.”

Kris Stas: “Hulpverlening is relationeel en brengt kopzorgen met zich mee, wikken en wegen. Hulpverleners hebben daarbij ondersteuning nodig. Gaat het over verontrustende situaties, dan wordt die ondersteuning nog belangrijker. Ik maak me zorgen als zo’n ondersteuning vooral komt van regels en procedures. Angst voor aansprakelijkheid, controledrang en het doorschuiven van zondebokken domineren dan. Dat zal verontruste hulpverleners niet steunen bij het opnemen van hun morele verantwoordelijkheid. Een meer vruchtbaar ondersteuningsmodel mikt op het vergroten van de ruimte voor dialoog te gaan. Het vergroot de mogelijkheden voor hulpverleners om zich kwetsbaar op te stellen.”

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen