Een thuis zonder therapeutische hardnekkigheid

Woonzorgcentrum met tonnen gezond verstand

In een woonzorgcentrum verwacht je hoogbejaarde en weinig mobiele mensen. Niet zo in ‘De Zavel’. Daar wonen in hartje Antwerpse Seefhoek vooral mensen met een ‘uitbehandeld’ psychiatrisch ziektebeeld. Gemiddelde leeftijd? 65 jaar en met een beladen geschiedenis van verslaving, ziekte en conflicten. Sociaal.Net sprak met leefgroepverantwoordelijke Cis Van Gool en woonzorgmanager Ria Guns over deze vreemde eend in de ouderenzorg.

WZC De Zavel
Woonzorgcentrum De Zavel

Jullie zijn geen klassiek woonzorgcentrum. Vanwaar de keuze om uit de band te springen?

Ria: We starten hier in 1984 met de bouw van een klassiek rusthuis. In het begin bleven veel bedden leeg. Deze verloederde buurt had een slecht imago. Pas toen ook het Antwerpse OCMW bejaarden naar ons verwees, was de trein vertrokken. Eind jaren ’90 werden we getroffen door een leegstand. OCMW-Antwerpen bood verschillende fonkelnieuwe woonzorgcentra aan. Ons gebouw en infrastructuur was toen al vijftien jaar ouder en we moesten onze bedden vol krijgen.

Jullie moesten dus een economische oplossing vinden om de bedden vol te krijgen?

Ria: We zijn inderdaad niet zozeer ontstaan vanuit een bewuste ideologische keuze. In die moeilijke periode liepen er contacten met het Psychiatrisch Centrum Bethanië in Zoersel. Zij stuurden geregeld psychiatrische patiënten door die ze als uitbehandeld beschouwden. Dat waren mensen die daar vaak twintig tot dertig jaar verbleven met een gestabiliseerd ziektebeeld. Op een bepaald moment vroegen ze ons die leefgroep over te nemen.

Cis: Dat was een bijzonder moment. Ik werkte hier toen met een groep van Antwerpse hoogbejaarden die kwamen genieten van hun laatste dagen. Plots kwam een busje aanrijden met vijftien nieuwe bewoners met eigenaardige trekjes en accenten.

“De overheid erkent de eigenheid van onze werking.”

Ria: En toen was het hek van de dam. Plots kregen wij van overal aanvragen om die groep op te nemen. Kort daarop volgden ook mensen met het syndroom van Korsakov, een aandoening die optreedt na langdurige alcoholverslaving. We hebben dan beslist om verder in te zetten op die nieuwe doelgroepen. Nu bieden we woon- en rustruimte aan 127 bewoners, waaronder 76 zwaar zorgbehoevende mensen. Die zorgbehoevendheid zit niet zozeer in het gebrek aan bijvoorbeeld mobiliteit, maar wel in de beperkte zelfredzaamheid, het geheugenverlies of hoge mate van desoriëntatie omwille van het achterliggende ziektebeeld. Gelukkig erkent de overheid die eigenheid van onze werking.

Komen alle bewoners uit psychiatrische voorzieningen?

Cis: Niet allemaal. Zo hebben we momenteel zes mensen in huis met de ziekte van Huntington. Dat is een erfelijke ziekte. Hun zenuwstelstel takelt stelselmatig af. Maar het grootste deel van de bewoners komt inderdaad vanuit de psychiatrie, daklozenopvang of zelfs gevangenis. Je vindt hier dus veel ‘cafévolk’ en je hoort hier nog meer ‘cafépraat’. Als medewerker moet je daarmee om kunnen. Soms horen we scheldwoorden als ‘dikke trut’ of ‘zwarte aap’. Dat is niet tof, maar het hoort bij deze job.

Ria: Wat veel bewoners gemeenschappelijk hebben is zwaar alcoholmisbruik. Los van afkomst en opleiding is vooral alcohol de wissel in hun leven. Al is alcohol maatschappelijk aanvaard, wij worden hier geconfronteerd met de desastreuse gevolgen. Het heeft niet alleen hun gezondheid maar ook hun familiaal en sociaal leven geruïneerd.

“Alcohol is de wissel in hun leven.”

Kan je dat eens concreet maken?

Ria: Waarom woont iemand bij ons terwijl zijn broer op een appartement woont? Vaak zit het verschil in het sociaal vangnet: er is nog een partner, een zorgzaam kind, een gezonde ouder, buren en vrienden. Maar wie hier verblijft, heeft niet alleen een medische problematiek, maar ook een bijzonder schraal vangnet. De levenswandel van een chronisch alcoholverslaafde is grillig. Langs alle kanten werden sociale banden doorgeknipt. Dat blijkt als we bij opname contact opnemen met familie en vrienden. “Trek uw plan met die verschrikkelijke vent”, krijgen we dan wel eens als antwoord. We zien hoe moeilijk kinderen het hebben om na een jarenlange breuk de draad met hun ouder opnieuw op te nemen. Omdat familiale relaties belangrijk zijn, blijven we toch investeren in het herstellen van dat contact. Zorgen dat kinderen hier graag op bezoek komen is dus een essentieel onderdeel van onze opdracht.

Zorg moet vermaatschappelijken. Maar dit residentiële woonzorgcentrum ontmantelen ten voordele van mantel- en thuiszorgers wordt een moeilijke klus.

Ria: Inderdaad, deze mensen hebben geen thuis noch mantelzorgers die hen warm omringen. Onderschat ook hun onderliggende problematiek niet. Ze passeerden verschillende residentiële en ambulante zorgcircuits. Zo’n parcours doorloop je niet zonder reden. Ook hier blijven ze toezicht nodig hebben. Ook die noodzaak van permanente aandacht en zorgen kan je moeilijk ambulant opvangen.

“Deze mensen hebben geen thuis noch mantelzorgers.”

Wat kunnen jullie hen dan nog bieden?

Ria: Een goede thuis en een zinvolle dagbesteding zonder intensieve therapie. Ik ga ervan uit dat op dat vlak onze collega’s in ziekenhuizen en psychiatrische instellingen alles met deze mensen geprobeerd hebben. Op een bepaald moment komen ze dan naar hier en proberen we er samen het beste van te maken. Al kunnen ze niet de ganse in hun bed liggen, we gaan hen niet meer verplichten om dynamisch en zelfredzaam te zijn. Zien ze het niet meer zitten om zichzelf te wassen, dan doen wij dat.

Cis: Sommige collega’s hebben tijd nodig om dat te aanvaarden. Ze vertrekken van veronderstellingen die hier niet altijd gelden: mensen zijn actieve sociale wezens die moeten samenleven en initiatieven nemen, desnoods moet je ze forceren om zelfredzaam te zijn. Maar als je met deze groep werkt, moet je op vlak van te bereiken doelen een versnelling lager schakelen.

Wat geeft jullie zuurstof om met deze mensen te werken?

Cis: Ze hebben meestal een moeilijke geschiedenis achter de rug en arriveren hier niet altijd met volle goesting. Toch vinden ze hier snel hun thuis. Het voorzien van structuur is daarbij belangrijk. Dat vraagt veel herhaling van communicatie en afspraken over eten, wandelen, sigaretten… Er wordt veel geklaagd en het kan er rumoerig aan toe gaan. En er is soms verdriet door het verbroken contact met familie en vrienden. Overstijg je dat dagelijks wel en wee, dan zie je dat ze toch rustig en tevreden zijn. Ze vinden hier hun thuis. Dat geeft mij voldoening.

“Bewoners vinden hier hun thuis.”

Ria: Kunnen bijdragen tot dat thuisgevoel is inderdaad een belangrijke drijfveer. Dat heeft ook te maken met het feit dat veel van onze bewoners zelf nooit een thuis gekend hebben of die onderweg kwijtgespeeld zijn. Als ze beseffen dat wij dat nest hier opnieuw willen opbouwen. Dan zijn ze bereid om sommige vrijheden op te geven. Ze weten dat ze er veel voor in de plaats krijgen. Daarom zijn ze tegelijkertijd tevreden en blijven ze toch zagen en klagen. Ze hebben een dak boven hun hoofd en worden omringd door competente en zorgzame medewerkers en dan aanvaarden ze ook dat ze ’s nachts niet op de kamer mogen roken of in de cafetaria geen bier mogen drinken. Dat proces van geven en nemen is een rode draad doorheen ons werk.

En waar liggen de moeilijke punten?

Ria: Vaak arriveren hier mensen, amper 50 jaar oud. Op die leeftijd aanvaarden dat je hier wellicht ook zal sterven, is een lastige klip. Als een bewoner inschat dat hij hier niet op zijn plaats zit, mag hij verhuizen. Het is hier geen gevangenis. Maar de uitkomst van deze strijd is voorspelbaar: aanvaarden dat de mogelijkheden beperkt zijn. Zonder voortdurende steun, structuur en toezicht geraken ze niet vooruit. Toch blijft dat een moeilijke situatie. Terecht vragen sommigen zich af wat ze hier zitten te doen. Vroeger lukte hen niets en hier krijgen ze het gevoel dat hun leven alsnog op het juiste spoor zit. Ze zijn tien kilo verdikt en voelen zich goed in hun vel. Ze schatten in dat ze opnieuw naar huis kunnen om zelf hun aardappelen te schillen en bonen te doppen. Maar jammer genoeg is dat niet realistisch. Dan moet je hen weer met de voeten op de grond zetten.

Cis: Je laat ze dan bijvoorbeeld tijdens een vakantieweek in Center Parcs aardappelen schillen. Die mislukking kan heel confronterend zijn. Sommige bewoners hebben geen realistische kijk meer op hun leven en mogelijkheden. Ze zijn ervan overtuigd dat ze heel hun leven hard gewerkt hebben terwijl ze voornamelijk cafés rijk gemaakt hebben. Dat gebrek aan correcte herinnering en inschatting is een deel van hun ziekte.

“Volgens critici horen deze mensen hier niet thuis.”

Is voor deze mensen een woonzorgcentrum een betere oplossing dan een psychiatrisch verzorgingstehuis?

Ria: Critici zeggen dat deze mensen niet thuishoren in een woonzorgcentrum. Ik vraag me dan toch af waarom ze allemaal naar hier komen. Eigenlijk wil ik die discussie niet meer voeren. Het enige wat ik zie, is dat mensen hier graag zijn.

Cis: Dat wij die groep hier kunnen opvangen heeft te maken met hun helder profiel: mensen met een uitbehandeld en gestabiliseerd psychiatrisch ziektebeeld. Al moet je die termen soms met een korrel zout nemen. Er kunnen nogal eens spanningen in de lucht hangen.

Krijgen jullie veel medische ondersteuning?

Ria: We zijn een woonzorgcentrum. We hebben geen psychiaters of psychologen in huis, maar wel een fantastische huisarts. Die start weinig nieuwe therapieën op maar beperkt zich tot heel veel luisteren, praten en bijsturen van medicatie. Ook onze medewerkers volgen geregeld bijscholingen om op de hoogte te blijven van ziektebeelden. Zo creëren we een organisatie waar ziekte minder centraal staat. We proberen met veel gezond verstand heel gewoon te doen.

“Ziekte staat hier minder centraal.”

Zijn jullie uniek in Vlaanderen?

Ria: Tot tien jaar geleden waren we behoorlijk uniek. Maar de vraag naar opvang voor deze groep mensen werd steeds groter. Ook klassieke woonzorgcentra zetten hun deur op een kier. Daardoor gaat de lat voor ons omhoog. De problemen van de mensen die hier instromen, worden zwaarder en complexer. We hebben bewoners die in de gevangenis gezeten hebben wegens moord of pedofilie. Dat vraagt van medewerkers heel wat flexibiliteit en competenties om al die mensen goed te verzorgen. Ook op niveau van de organisatie heb je dan voldoende ruimte nodig om te groeien, met vallen en opstaan. Als beginnende directeur kreeg ik destijds carte blanche. Lukte het, dan kregen we lof. Maar ging het wat moeilijker, bijvoorbeeld bij ernstige incidenten tussen bewoners, dan lagen we meteen onder vuur. “Zie je nu wel dat het niet lukt om deze mensen bij elkaar te zetten.” Troeven kunnen snel gebreken worden.

Waar liggen de troeven van deze werking?

Ria: Doorheen die ups en downs moet je jezelf en de werking in vraag stellen. Je hebt dus kritische medewerkers nodig. Want soms nemen ook wij verkeerde beslissingen. Dan moet je bijsturen en iets anders proberen. Voor onze bewoners geldt hetzelfde. Als mensen hier tevreden zijn, dan komt dat ook omdat ze hier een voet verkeerd kunnen zetten. Als je als verzorgende niet kan verdragen dat een bewoner een grens overschrijdt, dan ben je aan het verkeerde adres. Een bewoner die bizar gedrag vertoont, is daarom nog geen probleem. Tenzij medewerkers daar een probleem van maken.

“Je hebt kritische medewerkers nodig.”

Dat vraagt heel wat flexibiliteit van collega’s.

Cis: Er zijn collega’s die dat prachtig doen. Je moet hier mensen hebben met grond onder hun voeten, mensen die gezegend zijn met een stevige portie incasseringsvermogen. Anders dragen ze je hier buiten. Momenteel valt dat goed mee omdat we vooral personeel hebben dat hier al een tijd werkt. Er zijn er heel wat met meer dan twintig jaar dienst.

Ria: Al heeft dat ook een nadeel: onze personeelsploeg is momenteel te oud en dat zet de continuïteit van de werking onder druk. Jonge medewerkers aantrekken is dus de boodschap. Zij moeten vooral tonnen gezond verstand hebben, kunnen relativeren en creatief zijn.

En in een superdiverse samenleving open en verdraagzaam zijn?

Ria: Op vlak van nationaliteiten en culturen, hebben we hier inderdaad een bonte mengeling van bewoners. Hier woonden en wonen verschillende nationaliteiten en geloofsovertuigingen. Om daarmee gepast om te gaan, gebruiken we weer ons gezond verstand. We gaan een moslim geen varkensvlees geven. Dat doe je gewoon niet als je je bewoner respecteert. Onze kok past zich aan.

“We gebruiken vooral ons gezond verstand.”

Jullie organiseren ook buitenshuis activiteiten.

Cis: We gaan geregeld hier of daar wandelen of trekken voor een muziek- of theatervoorstelling naar de Roma, een zaal hier verderop. Nadien gaan we iets drinken op een terras. Daar zitten inderdaad een paar opvallende en rare snuiters bij waarvan je denk dat die reacties van de omgeving uitlokken. Toch gebeurt dat zelden.

Ria: Misschien zien we dat niet meer. En er zijn grenzen. We hebben hier een oude man die met een stok wandelt en altijd een rokje draagt. Hij wordt wel achterna geroepen op straat. Als hij daarover zijn beklag doet, dan zeg ik dat hij zelf de gevolgen moet dragen van de extreme keuzes die hij maakt. Ofwel verdraag je die reacties, ofwel doe je een broek aan.

Jullie benaderen bewoners heel rationeel: weeg af en maak een keuze. Kunnen ze dat nog wel?

Ria: Bewoners die zich vreemd gedragen of onsamenhangende verhalen vertellen, zijn nog vatbaar voor zo’n gesprek. We onderschatten dat vaak. Dat is ook mijn kritiek op verschillende voorzieningen: ze nemen het van deze mensen over omdat ze ervan uitgaan dat ze niet meer aanspreekbaar zijn. Mits het nodige gezond verstand, kan je ook met deze groep nog ver geraken.

“Grenzen aangeven is heel belangrijk.”

Hier wonen mannen en vrouwen samen. Wat met hun seksualiteitsbeleving?

Cis: Op dat vlak zijn sommigen nog in blakende gezondheid. Een 49-jarige bewoonster die stevig gebouwd is, heeft hier een uitgebreid netwerk van mannen die haar wel zien zitten. Bij voorkeur draagt ze haar rokjes zo kort mogelijk. Soms worden verzorgenden geconfronteerd met ongepaste woordenschat en ongewenste betastingen. Daarover zijn hier heldere werkafspraken: je maakt duidelijk dat je dit gedrag niet tolereert, je gaat even weg en pikt nadien de communicatie weer op. Je weigert dan bijvoorbeeld iemand verder te wassen en stelt voor dat een collega dit overneemt. Zo’n aanpak werkt. Grenzen aangeven is heel belangrijk. En ook hier moet je je gezond verstand gebruiken: sommige bewoners laat ik niet wassen door een beginnende stagiaire.

Ria: Een man en een vrouw die elkaar hier leerden kennen, wonen nu samen in één kamer. We hadden wel drie jaar nodig om samen die beslissing te nemen. We zijn met de familie bij elkaar gaan zitten. In het begin was dat niet bespreekbaar. Hierover samen communiceren en beslissen, is moeilijk. We werken ook met psychisch zwakke mensen en dan moet je rekening houden met mogelijk misbruiken. En waar begin je aan? Ze sliepen twee weken op dezelfde kamer en er stond al een volgend koppel aan de deur met de vraag om ook samen een kamer te delen.

Jullie bewoners worden geconfronteerd met ziektes waarbij aftakeling onomkeerbaar aanwezig is. Krijgen jullie vragen rond euthanasie?

Ria: Natuurlijk is dat hier een thema en geen taboe. Toch werd nog maar één keer euthanasie toegepast. Dat was een verstandige man die getroffen werd door de ziekte van Huntington. Hij had voor zichzelf uitgemaakt tot waar hij die ziekte wou dragen. Het probleem is dat veel mensen aangeven te kiezen voor euthanasie. Maar je moet die keuze wel formeel kenbaar maken op het moment dat je nog bij je volle verstand bent. Dat gebeurt niet en dus komt de vraag pas terug op het moment dat mensen dat niet helder meer kunnen beoordelen. Dan is het te laat. Soms lezen we in een dossier dat een bewoner in de vorige instelling de mogelijkheden van euthanasie aftastte. Vaak stellen we vast dat de euthanasievraag hier wegebt. Dat heeft vooral te maken met het feit dat ze zich hier goed en thuis voelen.

“Een euthanasievraag ebt hier vaak weg.”

Nemen jullie het initiatief om met de bewoner te praten over hoe hij zijn levenseinde ziet?

Ria: Wij werken met vroegtijdige zorgplanning. We starten die op, zes weken nadat mensen hier opgenomen zijn. Daar komt ook de vraag aan bod wat we moeten doen als er met hen iets ernstig gebeurt. Moeten we dan de MUG bellen of niet? Wens je gereanimeerd te worden? Sommige mensen kunnen daar niet op antwoorden en dat respecteren we. De kijk van sommige mensen verandert ook. Geen probleem, dan pikken we dat op. We spreken daar dus wel over. Sommige mensen leggen zo’n beslissingen in handen van de familie, de huisdokter of een verpleegkundige.

Pro-actief handelen is dus belangrijk?

Ria: Dat doen we voortdurend. Dagelijks komen competente medewerkers zachtjes tussen omdat ze weten dat wrijvingen anders escaleren. Bewoners zitten hier vaak kort op elkaar, zowel fysiek als mentaal. Aan tafel klagen ze over tassen die te hard neergezet worden. Of iemand die te hard in de gang sloft, wordt daarover behoorlijk hard aangepakt door een medebewoner. Dat is de biotoop waarin we werken. We sturen voorzichtig door compromissen te zoeken. Er gebeurt hier dus nog zelden iets dat ons van onze sokken blaast. Van sommige bewoners weten we dat we ze kunnen kwijtspelen, bijvoorbeeld door een zelfdoding. Die voorspelbaarheid is hier belangrijk. Want als het dan gebeurt, is er geen paniek. Maar die voorspelbaarheid heeft ook grenzen. Gelukkig maar want anders zou het hier geen uitdagende woon- en werkplek zijn.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen