Sociaal werk is een basisvoorziening

Maria De Bie met pensioen

Professor dr. Maria Bouverne-De Bie gaat met pensioen. Ze leidde de vakgroep Sociaal Werk en Sociale Pedagogiek van de Universiteit Gent. De Bie is gedreven door onderzoek in het sociale domein en leidde menig sociaal werker op. Sociaal.Net sprak met deze inspirerende academica.De pensioenviering vindt plaats op 22 september 2016 aan de Universiteit Gent.

Maria De Bie
Professor dr. Maria De Bie

In je recente boek ‘Sociale agogiek: een sociaal-pedagogisch perspectief op sociaal werk’ definieer je sociaal werk als een vorm van (ped)agogisch handelen. Is dat spanningsveld tussen individu en samenleving de rode draad door je loopbaan?

Het sociale en culturele zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Individuele hulpverlening heeft pas betekenis als je tegelijk werkt aan het ‘cultureel draagvlak’ om sociale problemen in hun maatschappelijke dimensie te begrijpen.

“Niet-deelnemen is ook betekenisvol.”

Ik herinner me een onderzoek naar de participatie van werkende jongeren aan het jeugdwerk. We stelden vast dat een bepaalde groep niet participeerde. Eerder onderzoek verklaarde dit vanuit de vaststelling dat deze jongeren schoolmoe waren. We twijfelden om die schoolmoeheid te beantwoorden met een vormingsaanbod. Het onderzoek maakte ook duidelijk dat deze jongeren thuis onvoldoende gestimuleerd werden. Ingrijpen in de private opvoedingssituatie zag ik niet zitten. Ik onderzocht een probleem -non-participatie- waarvan de draagwijdte veel verder ging dan het jeugdwerk, school of gezin. Bovendien leerde ik van pedagoog Paulo Freire dat niet-deelnemen ook betekenisvol is. Elke poging om dat te problematiseren duwt die betekenis weg. Dat werd de rode draad in mijn onderzoek.

Dat klinkt meteen tegendraads.

Onderzoekers en sociaal werkers veronderstellen dat de mensen waarmee we werken onze probleemdefinities delen. Dat is niet noodzakelijk zo. Vanuit de opleiding doen we daarom onderzoek naar praktijken die de betekenis van het ‘sociale’ in beeld brengen. Dat is het gebied tussen wat mensen doen, en wat maatschappelijk opgelegd of verwacht wordt. In dat tussengebied tussen het ‘private’ en het ‘publieke’ kan je als sociaal werker meerdere posities innemen. Je kan ervan uitgaan dat mensen zich moeten aanpassen aan wat maatschappelijk verwacht wordt. Of je gaat ervan uit dat de samenleving niet altijd goed in elkaar zit en moet veranderen. Dat leidt tot een meer genuanceerde, en ook meer activistische opstelling.

“Onze solidariteit is niet goed uitgewerkt.”

Ik wil het spanningsveld tussen verschillende zienswijzen, en tussen het ‘private’ en het ‘publieke’ behouden. Een samenleving moet respect hebben voor de vrijheid van mensen maar die vrijheid kan niet zonder maatschappelijke verbinding. Vandaar dat ik het ‘recht op maatschappelijke dienstverlening’ zo centraal stel.

Sociaal werk moet alles samenhouden


Die sociale rechten worden steeds meer voorwaardelijk. Moet de sociaal werker die voorwaarden bewaken of moet hij met de cliënt solidariseren?

De samenleving zoekt met vallen en opstaan naar een antwoord op de grotere instroom in bijvoorbeeld de bijstand of de jeugdzorg. In die context is het aan de sociaal werker om de spanning tussen wat mensen verwachten en wat maatschappelijk mogelijk is, hanteerbaar te maken. Het activeringsbeleid is een uiting van toegenomen voorwaardelijkheid maar houdt ook een bekommernis in voor een groep die maatschappelijk uitgesloten wordt. Sociaal werk zoekt daarin een weg. Sociale integratie is niet alleen participeren aan de samenleving zoals ze zich ontwikkelt, maar ook de vraag stellen of de voorwaarden tot participatie wel sociaal rechtvaardig zijn. En cruciaal: is de participatie die we vragen voor de mensen zelf zinvol?

“Is de participatie die we vragen zinvol?”

De sociaal werker moet met al die vragen kunnen omgaan. In de ontstaansperiode van het sociaal werk was er nog geen sprake van de opdeling tussen hulpverlening en vorming, tussen meerdere werkvormen en sectoren. Vandaag thematiseren en selecteren we volop in termen van individueel, sociaal-cultureel en orthopedagogisch werk. Die differentiatie heeft voordelen: je geeft de professional een duidelijk werkkader. Maar voor dit geforceerde houvast betaal je een prijs. Want schooluitval is niet uitsluitend een probleem van de school. De toenemende instroom van jongeren in de jeugdzorg is niet uitsluitend een probleem van de jeugdzorg. Het is moeilijk om bij thematisering, selectie, specialisatie en differentiatie het hele plaatje goed voor ogen te houden. Een sociaal werker analyseert en verandert door alles zo goed mogelijk samen te houden.

Voorafgaande vragen stellen


Is ook het justitieel welzijnswerk ondertussen in dat bedje ziek? Een tijd geleden
poneerde je dat het justitieel welzijnswerk zich te functioneel richt op het recht op maatschappelijke dienstverlening in de gevangenissen. Het speelt criminaliteitsproblemen te weinig terug naar de samenleving.

Het justitiebeleid is sterk vermaatschappelijkt. Sedert de wet op de voorwaardelijke invrijheidstelling van 1888 heeft justitie een sociale dimensie. Voor sociaal werkers is wat mensen mispeuterd hebben of hoe recidive kan vermeden worden niet de meest cruciale vraag. Andere vragen zijn belangrijk voor sociaal werk. Waarom benoemt de samenleving bepaalde gedragingen als strafbare feiten? Waarom beantwoorden we die ‘feiten’ met vergelding en uitsluiting? Wat betekent dat voor daders, slachtoffers, naastbestaanden en de buurt? Een sociaal werker moet zich de vraag stellen of criminalisering en detentie de enig mogelijke antwoorden zijn? En of dit geen nieuwe bronnen zijn van sociale uitsluiting, verpaupering, verharding… Sociaal werkers moeten zich engageren in het mee zoeken naar mogelijke andere vormen van aanpak.

“Zijn criminalisering en detentie passende antwoorden?”

We leren veel te weinig uit de processen die geleid hebben tot detentie. Soms zijn dit duidelijk aanwijsbaar zware feiten, maar heel vaak zijn het menselijke verhalen van twaalf stielen en dertien ongelukken, escalaties, verslaving en tekort aan scholing. Kortom: mensen die met weinig instrumenten in het leven staan. En dat geldt meestal ook voor hun netwerk. Ik vind dat justitieel welzijnswerk dan niet alleen moet focussen op de gedetineerde, maar ook op de context. Wat is de leefsituatie van het gezin? Welke welzijnsproblemen doen zich daar voor?

Het recht op hulp- en dienstverlening van gedetineerden is uiteraard een goede zaak. Maar dat recht wordt onvoldoende benut als hefboom voor sociaal werk. Vroeghulp betekent dan vanaf de eerste dag met die bredere context aan de slag gaan: naastbestaanden, sociaal netwerk, werkgevers… Spijtig genoeg staat dat in het justitieel welzijnswerk niet sterker voorop.

Vermaatschappelijking is politiek


Meer werken met het sociale netwerk van mensen, dat klinkt als een pleidooi voor meer vermaatschappelijking.

Vermaatschappelijking is een buzzwoord. Ik probeer die hype te doorprikken door drie lagen te onderscheiden. Want vermaatschappelijking heeft ook scherpe kantjes. De eerste laag is de relatie tussen de overheid en burger. Een van de eerste vormen van vermaatschappelijking was de invoering van de leerplicht. De ouderlijke opvoeding werd onder voogdij geplaatst. Je mag je kinderen opvoeden zoals je wil, maar ze moeten wel naar school gaan.

“Vermaatschappelijking is een buzzwoord.”

Vermaatschappelijking gebeurde ook met rechten. Wat is het recht op maatschappelijke dienstverlening of het recht op jeugdhulp? Hier liggen belangrijke spanningsvelden. Sociaal werk kan zo’n recht inzetten als hefboom voor verdere ontwikkeling, maar ook als disciplinerende maatregel. Bovendien mag je dat recht niet louter individueel benaderen. Zo kan je aan een jongere zeggen dat hij recht op jeugdhulp heeft. Maar als je hem vervolgens zelf verantwoordelijk maakt om zijn ondersteuning samen te stellen, dan laat je hem eigenlijk in de steek. Want wat als hij dan de verkeerde keuze maakt? Mensen omringen met de juiste hulp is geen individuele verantwoordelijkheid, het gaat om een maatschappelijk engagement.

Een derde laag van vermaatschappelijking is een soort zorgideaal: de verschuiving van een koude naar de warme solidariteit. Toch kan je die twee vormen van solidariteit niet loskoppelen. Mensen doen veel inspanningen om elkaar te helpen. Maar de ruimte om die taken op te nemen, is niet altijd voor iedereen even groot. Vermaatschappelijking zou die ruimte voor iedereen groter moeten maken. Het moet gaan over meer gelijke kansen op een menswaardig bestaan, voor iedereen. Dat vraagt rechtvaardige sociaal-politieke keuzes. Die insteek mis ik in het debat over vermaatschappelijking.

“Het moet gaan over meer gelijke kansen voor iedereen.”

Vermaatschappelijking van zorg daagt de welzijnssector wel uit om het comfort van het eigen bekende terrein te verlaten. Moeten er niet meer kruisverbindingen komen tussen individuele hulpverlening en maatschappelijk opbouwwerk?

Vermaatschappelijking stimuleert welzijnsorganisaties om na te denken over de eigen missie en positionering. Meer verbinding moet er zeker komen. Maar of een brug richting samenlevingsopbouw een meerwaarde is, hangt af van hoe je die beweging invult. Als dat neerkomt op het nastreven van een bepaalde werkpraktijk of methodisch model, dan heb ik daar vragen bij. Neem opnieuw het participatievraagstuk. Samenwerking mag haar meerwaarde niet zoeken in verbinden van technieken en methodieken: hoe krijgen we mensen er opnieuw bij? Het moet ook gaan over meer fundamentele vragen: waarom vinden we dat mensen er nu nog niet bij horen? Kruisverbindingen moeten helpen om die vragen scherper te krijgen.

De eigenlijke discussie ligt dus op sociaal-politiek vlak. Voor sociaal werk blijft het moeilijk om assertief door te dringen tot dat niveau. Sociaal werkers zien zich nog te vaak als uitvoerder van een bepaald sociaal beleid.

Hoe doorbreek je dat?

Mijn stokpaardje blijft het opheffen van de voor mij onzinnige opdeling tussen sociaal werk en sociale pedagogiek, tussen individuele hulp en vorming. Je kan bijvoorbeeld in de gevangenis geen hulp verlenen zonder tegelijk te werken aan een draagvlak bij de penitentiaire beambten of de ruimere samenleving.

“Homogeniteit creëert uitsluiting.”

Zowel in de sociale pedagogiek als in het sociaal werk gaan we nog te veel uit van constructies die gebaseerd zijn op de homogeniteit van de groep, van de gemeenschap. Maar homogeniteit creëert uitsluiting. Wie niet in de groep past, vliegt eruit. Dat moet anders. Mensen moeten ruimte hebben om op verschillende manieren deel te zijn van de gemeenschap. Als ik met pensioen ben, moet ik niet per se behoren tot de groep ‘non-actieven’ die bijeenkomt in seniorenclubs. Dat kan erg fijn en waardevol zijn, maar er zijn verschillende manieren om een pensioen te beleven.

Solidariteit speelt zich ook niet enkel af tussen individuen. Ook wie geen kinderen heeft, draagt bij tot de kinderbijslag. Ook wie niet ziek is, draagt bij tot de ziekteverzekering. Als ik niet meer thuis kan wonen en aangewezen ben op een woonzorgcentrum, is de vraag hoe ik in deze ‘zorgafhankelijkheid’ toch ruimte behoud voor een eigen invulling en zingeving. In dezelfde zin mogen we sociaal werk niet zien als het opvangnet wanneer al het andere niet werkt. Dat is een residuele benadering die ons begrenst. Sociaal werk is een basisvoorziening: Mensen ondersteunen om in hun verschillende situaties van onderlinge afhankelijkheid een hefboom te vinden om zichzelf te zijn, zichzelf te ontplooien.

Trek uw plan


Is in je voorbeeld van het woonzorgcentrum de persoonsvolgende financiering geen hefboom? Dat schept mogelijkheden om als individu wel de juiste keuzes te maken.

Persoonsvolgende financiering gaat uit van een autonomiebegrip dat we bijvoorbeeld ook in de kinderrechtenbeweging sterk terug vinden. Het grote voordeel is dat de ‘cliënt’ meer zichtbaar wordt. Alleen wordt dit vandaag nogal liberaal ingevuld. Autonomie is zelfstandig zijn, ‘uw plan kunnen trekken’, al dan niet met ondersteuning. Men gaat voorbij aan het feit dat iedereen afhankelijk is van iets of iemand. De mens staat niet op zichzelf. Sociaal werk is een maatschappelijk engagement dat meer inhoudt dan mensen een budget toeschuiven waarmee ze zelf een oplossing moeten zoeken. Het gaat ook om meer gelijke mogelijkheden om een goede oplossing te vinden.

Ligt daar geen rol voor generalistische sociaal werkers?

Klopt. Alleen zitten we vandaag nog te veel in een omgeving waar sectoren elkaar beconcurreren. Je kan de eerste lijn in de rol zetten van ‘ondersteunende regie’. In de gezondheidszorg kijken we daarvoor naar de huisarts. Maar het activeren van hulpverlening is complex. Dan zou die eerste lijn wel eens kunnen vinden dat het allemaal wat te veel wordt. Waar staat de cliënt dan?

“Is een eigen budget een betere vorm van solidariteit?“

Door de wijze waarop hulp en zorg nu georganiseerd is, worden veel banden met het netwerk doorgeknipt. Met een eigen budget kan dit anders lopen.

Persoonsvolgende financiering moet op zijn reële werking getoetst worden. Men wil de regie in handen van de cliënt geven. Dat is een spannende opgave. Wat betekent dat voor de mensen die er een beroep op doen? Creëren we met dat eigen budget wel een andere en betere vorm van maatschappelijke solidariteit? De jeugdhulp staat zo onder druk dat voor sommige jongeren de politie nog het enige aanspreekpunt is. Waar sta je dan met je persoonlijk budget?

Voorzieningen worden hiermee toch uitgedaagd om op de eigenlijke vragen van cliënten een antwoord te geven?

Dat voorzieningen de vraag krijgen of ze zich niet moeten heroriënteren, is een goede zaak. Maar welke instrumenten heeft de cliënt in handen als welzijnsvoorzieningen die uitdaging niet aangaan? Recht op hulp moet door de overheid gegarandeerd worden en dat houdt meer in dan cliënten een budget geven. Dat recht op hulp verzekeren is de toetssteen voor het beleid. Het gaat over de vraag welke solidariteit we willen.

“Het welzijnswerk weet weinig over de mensen die het niet bereikt.”

In het welzijnswerk registreren we ijverig maar we weten weinig over de mensen die we niet bereiken. Wat is de betekenis van deze ‘non-participatie’? Wie zijn deze mensen? Waarom benutten ze hun rechten niet? Soms weten we daar iets meer over via het forensisch welzijnswerk omdat criminaliteit voor sommigen vaak de enige resterende overlevingsstrategie is. Non-participatie is geen probleem van gebrek aan motivatie, wel een probleem dat te maken heeft met de vraag: hoe lezen wij onze samenleving?

De ruiten schoonvegen


In Nederland wordt er heftig gedebatteerd over de ‘handelingsverlegenheid’ van sociaal werkers, zeker als het gaat over het ondersteunen van sociale netwerken. Professionals blijven liever comfortabel zitten in de rol van probleemoplosser dan in die van netwerkorganisator.

In Nederland zie je de uitersten: ofwel outreachend ‘erop af’ met een bemoeizorg, ofwel ‘handen af’. Handelingsverlegenheid wijst aan dat sociaal werkers niet echt naast de cliënt staan. Niet-verlegen zijn om uw gedacht te zeggen, is een kwestie van professionele taakstelling, doordrongen zijn van je werk en je maatschappelijke opdracht om solidariteit uit te dragen.

“In Nederland zie je de uitersten.”

Als het over de professionaliteit van sociaal werk gaat, denken we te vaak in termen van resultaten en uitkomsten. De eigenlijke kwaliteit ligt in het gesprek met de cliënt en in wat dit in beweging kan zetten. In dat gesprek moeten sociaal werkers de spanning hanteren tussen het individuele en het publieke. Dat is niet alleen voor cliënten belangrijk, maar ook voor de maatschappelijke betekenis van het sociaal werk. Als we dat zelf niet in handen nemen, dan gaan anderen het in onze plaats doen. Dan wordt sociaal werk louter instrumenteel ingezet voor een bepaald beleid.

Sociaal werk heeft in essentie een sociaal-politieke opdracht. Mijn leermeester Gerda De Bock kon dat beeldend zeggen: je moet voortdurend de ruiten schoonvegen om zicht te houden op andere mogelijkheden. Zo voorkom je dat armoede herleid wordt tot een welzijnsprobleem of dat mensen met een beperking ingesloten worden in categoriale zorg.

Sociaal werkers onder druk?


Je kan er niet onderuit dat de overheid sociaal werkers inschakelt om sociale problemen te beheersen.

Zo is het sociaal werk ook ontstaan. De katholieke partij heeft zich tijdens de ‘sociale kwestie’ van de 19e, begin 20e eeuw, lange tijd verzet tegen tussenkomsten van de staat in de gezinnen. De vader had het voor het zeggen, de overheid moest daar wegblijven. De progressief-liberalen vonden het niet kunnen dat het kind daarvan het slachtoffer werd. Dat leidde tot een compromis dat vandaag nog altijd geldt: we komen niet tussen tenzij het echt nodig is. We noemen dat nu ‘maatschappelijke noodzaak’. Een verschrikkelijk begrip want dat verwijst alleen naar een soort ‘publieke norm’.

“Maatschappelijke noodzaak is een verschrikkelijk begrip.”

De socialisten zegden dat we eerst actie moeten voeren voor een andere samenleving om daar later de vruchten van te plukken. Een belangrijk keerpunt in deze redenering is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De focus ligt hiermee niet alleen op het democratisch functioneren van de samenleving, maar ook op de vraag wat dit voor het individu betekent. Het recht op maatschappelijke dienstverlening is daaruit voortgevloeid. Het recht op hulp- en dienstverlening krijgt dan pas betekenis voor zowel het individu als de collectiviteit.

Wat is in die context de betekenis van ‘structureel sociaal werk’? Blijft dat niet te veel beperkt tot beleidssignalering en het voeren van actie?

Ik vind het goed dat sociaal werkers acties voeren. Maar we zetten geen stap verder als er een groep van sociaal werkers is die actie voert en een andere groep ter plaatse trappelt. Mijn weg is eerder die van de ‘radicalisering van het sociale’ in de hele sociaalwerkpraktijk. Het mag niet beperkt blijven tot beleidsbeïnvloeding.

Beroepsgeheim


Er worden steeds meer vragen gesteld bij het beroepsgeheim van sociaal werkers, één van de pijlers van de professionele identiteit.

Het beroepsgeheim is er om de ruimte tot vrij spreken in de hulpverlening te vrijwaren. De sociaal werker krijgt een mandaat van de cliënt. Maar hij kan ook een mandaat krijgen van de overheid om bijvoorbeeld het recht op maatschappelijke dienstverlening te verzekeren of gedwongen hulp te organiseren. Het beroepsgeheim van de sociaal werker zit in dat spanningsveld. Het kan niet de bedoeling zijn om je te verschuilen achter het beroepsgeheim terwijl de situatie van de cliënt verslechtert. Maar de situatie kan ook verslechteren door bepaalde informatie te delen. Alles draait rond de verantwoordelijkheid en respect voor de betekenis van het beroepsgeheim van de sociaal werker. Overleg en vorming over dit soort vragen zijn belangrijk. Ik huiver voor al te abstracte stellingnamen. Het is belangrijk om op basis van de concrete situatie de dialoog met de cliënt aan te gaan, en te blijven aangaan.

“Sociaal werkers mogen niet weglopen van precaire situaties.”

Naar aanleiding van een aantal gezinsdrama’s in de jeugdzorg organiseerden we een studiedag over de angstige professional. Het is niet goed wanneer sociaal werkers uit zelfbehoud weglopen van precaire situaties. We moeten die angst en de onrust over zo’n situaties bespreekbaar maken. Wat is er gaande en wat leren we daaruit? Aan het beroepsgeheim mag niet gemorreld worden omdat het bewaken van vrijheidsrechten zo belangrijk is. Maar je komt er niet met gestructureerde handelingskaders. De transparantie van de hulpverlening is van primordiaal belang, ook als het over informatiedeling gaat.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen