De groep ouders met een beperking groeit

Mobilant ondersteunt hen bij de opvoeding

Er zit 26 jaar ervaring in het werken met mensen met een beperking tegenover me. Peggy Stevenheydens werkt bij de Antwerpse dienst Mobilant. Ze doet er ambulante begeleidingen, maar werkt ook rond opvoedingsondersteuning voor ouders met een beperking.

peggy-stevenheydens

Vertel eens wat Mobilant precies doet.

Mobilant is een ambulante en mobiele ondersteuningsdienst voor personen met een beperking in het Antwerpse. We begeleiden mensen met een licht of matig verstandelijke beperking, met een niet aangeboren hersenletsel en mensen met autisme, al dan niet in combinatie met een verstandelijke beperking. Er zijn ook cliënten met een motorische beperking of visuele handicap. We hebben een gespecialiseerd team in huis dat met doven werkt. Wij bieden ondersteuning voor alle mogelijke hulpvragen. Soms gaat het om heel intensieve begeleidingen, soms zien wij mensen maar één keer per maand. Sommige cliënten volgen alleen een cursus.

“Wij bieden ondersteuning voor alle mogelijke hulpvragen.”

Het gaat hier om een heel diverse groep. Bieden jullie aan al die groepen opvoedingsondersteuning?

Toen ik begon te werken, waren er nog niet zoveel mensen met een beperking die ook kinderen hadden. Ik heb in de 26 jaar dat ik werk de groep ouders zien groeien. We kozen er als dienst van in het begin voor om ook rond opvoeding bezig te zijn. Dat is niet evident. Andere diensten vinden opvoedingsondersteuning een taak van de jeugdhulp. Maar opvoedingsondersteuning is een deel van onze job geworden, zowel individuele begeleiding als groepswerking.

Hoeveel ouders begeleiden jullie?

In het totaal begeleiden we zo’n 500 cliënten, maar dat fluctueert heel erg. Ongeveer een derde van hen heeft kinderen. Die mensen doen volop mee in de samenleving. Ze vinden mekaar bijvoorbeeld op de werkplek. Beschermde werkplaatsen zijn vaak ook ontmoetingsplaatsen. In het Europees Verdrag voor de Rechten van Personen met een Handicap staat dat mensen met een handicap recht hebben op een kind. En als ze er niet voor kunnen zorgen, dan hebben ze recht op ondersteuning. Bij nogal wat cliënten loopt dat vrij goed. Een handicap is op zich geen risicofactor. Het hangt van zoveel factoren af. Het belangrijkste is of een cliënt goed omringd is.

“Mensen met een handicap hebben recht op een kind.”

Maar is dat netwerk niet vaak problematisch?

Veel van onze cliënten hebben geen stabiel netwerk. Zo vertelde een cliënte trots dat haar beste vriendin meter wilde zijn van haar kindje. Na drie maanden verdween die vriendin en werd iemand van de werkplaats de nieuwe beste vriendin. En de nieuwe meter. Tegelijk kijkt het netwerk vaak met argusogen naar cliënten die zwanger zijn. Ze krijgen weinig krediet. Grootouders grijpen sneller in. Daarom proberen we met dat netwerk te werken, samen met Kind en Gezin, een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning (CKG), een onthaalgezin of internaat.

Een internaat biedt toch geen hulpverlening?

Nee, maar het kan wel een tussenoplossing bieden. Als er op een bepaald moment teveel onstabiliteit is, als ouders te weinig vaardigheden of te weinig energie hebben. Zo begeleidde ik een gezin waarvan ik dacht dat het helemaal zou mislopen. We vonden een internaat voor de zoon, zodat hij in de week toch structuur, regels en grenzen aangeboden krijgt. En dat heeft gewerkt. Hij is ondertussen 22 en eigenlijk nooit geplaatst geweest. Soms volstaat het om een dagcentrum in te schakelen voor bijkomende zorg. Het valt wel op hoe vaak het netwerk van onze cliënten vooral uit professionelen bestaat.

“Hun netwerk bestaat vooral uit professionelen.”

Waaruit bestaat jullie begeleiding?

In het begin ging dat vaak om meegaan naar ouderavonden. Of om vrijetijdsbegeleiding voor het kind. Soms proberen we uithuisplaatsing van de kinderen te vermijden. Of we begeleiden de ouders in hun contacten met hun geplaatste kinderen, het pleeggezin of de voorziening. In 2007 kwam op initiatief van het provinciebestuur Triple P naar Antwerpen. Triple P is een oorspronkelijk Australisch programma over positief opvoeden. Toen is een eerste collega opgeleid en gestart met de individuele begeleiding. In 2008 ben ik gestart met groepsbegeleidingen. Ondertussen volgden meerdere collega’s een opleiding van Triple P.

Waarom Triple P?

Door de positieve invulling van Triple P wordt opvoeding meer bespreekbaar. Het gaat niet meer over problemen, maar over oplossingen. Dat was een heel plezant effect. Ook voor onze doelgroep. In het begin volgde ik trouw de Triple P-cursus, zoals hij ontworpen is, met het juiste materiaal. Triple P is immers een internationaal gestandaardiseerd programma. Het mag alleen gegeven worden door gecertificeerde begeleiders die het origineel materiaal gebruiken. Dit is voor ouders met een verstandelijke beperking echter veel te abstract en uitgebreid. Triple P stelt dat hun boeken gemaakt worden op het niveau van een twaalfjarige. Volgens hen kan elke ouder dat lezen. Toch slaan taal en lay-out van het werkboek niet aan voor onze groep ouders. En voor een ondertitelde dvd kunnen ze niet snel genoeg lezen. Ik zeg altijd dat je de Wablieft-toets moet doorstaan, wil je begrijpbaar zijn voor onze doelgroep.De Wablieft-krant verschijnt elke woensdag en brengt het nieuws in duidelijke taal.

Toch sloegen de zaken die jullie aanbrachten wel aan.

Zeker. We hebben een tijdlang de thema’s van Triple P gebruikt in onze individuele begeleiding. Zo waren we niet afhankelijk van hun materiaal. Uiteindelijk hebben we het werkboek herwerkt, in een eenvoudiger taal gezet en gereduceerd. Niet wat strategieën betreft, wel in omvang. Daarbij werkten we een lay-out uit die aanslaat bij onze cliënten. We ontwikkelden eigen materiaal, zoals een herhalingsspel om op het einde van de cursus te spelen met de deelnemers. Samen met andere hulpverleners maakten we een kwartet rond omgaan met niet-gewenst gedrag en een puzzel rond gedragsproblemen. Hiermee werden onze cliënten getriggerd en bleven ze gefocust.

“We ontwikkelden eigen materiaal voor onze cliënten.”

Eigenlijk hebben jullie een eigen versie van Triple P gemaakt?

Het blijft Triple P, maar aangepast aan onze cliënten. Na heel wat overleg heeft de provincie dat materiaal in een mooie vorm gegoten. In samenwerking met het Nederlands Jeugd Instituut werd de dvd in het Nederlands gedubd. Ik gebruik ook materiaal van Cedes, een kleine vormingsorganisatie uit het Brusselse die werkt met mensen in armoede. Zij ontwikkelden een methodiek waarvoor je amper moet kunnen lezen of schrijven.

Wat maakt jullie aanpak succesvol?

De Triple P-cursus heeft een goed doordachte structuur. Als je hem niet volledig geeft, merk je dat er iets ontbreekt. Je kan de cursus ook niet vervangen door individuele begeleiding. Voor onze doelgroep werken we wel met meer sessies dan de klassieke Triple P. Daarnaast kunnen onze opvoedingsondersteuners in de individuele contacten wel dieper ingaan op bepaalde gedragsproblemen. Cliënten beoordelen Triple P als iets positief. Ze hebben het gevoel dat ze iets aangeboden krijgen waarmee ze aan de slag kunnen. Ze krijgen positieve feedback. We kijken wat er allemaal goed loopt. Hierdoor voelen zij zich sterker. Wij vermijden daarmee natuurlijk geen plaatsing van kinderen, maar als je hen op de zomercursus samen met hun kinderen bezig ziet, zijn we vaak aangenaam verrast hoe goed ze het doen.

“We kijken wat er allemaal goed loopt.”

Maar er zijn ook situaties waar het niet zo goed loopt?

Soms merken we dat cursussen onvoldoende aanslaan. Bij ouders met een verstandelijke beperking moet je daar iets mee doen, wil het blijven hangen. En liefst op verschillende manieren, met meerdere methodieken. Mensen die bij mij een cursus volgen, krijgen een werkblaadje mee. Mijn collega’s gaan daarmee aan de slag in de individuele begeleiding. Op deze manier beklijft het meer. We merken dat cliënten bewust worden van die positieve aanpak. Zelfs in hun taalgebruik nemen ze die positieve termen over. We bieden ook ouderintervisie, een methodiek die in Nederland ontwikkeld werd. Ouders gaan dan aan de slag met hun eigen opvoedingsvragen en werken tips uit voor mekaar. We richten een zomerweek in en geven avondworkshops. Dat kan gaan over klusjes in huis, maar ook over het hebben van kinderen met een handicap of met autisme. Want veel kinderen van onze ouders hebben ook een beperking.

Geeft dat extra moeilijkheden?

Dat maakt het opvoeden natuurlijk moeilijker. Vaak zien ouders met een beperking dit niet in. Veel cliënten leven in het hier en nu. Die kijken te weinig vooruit. Daarvan moeten wij hen dan bewust maken. Sommige van hun kinderen hebben echter geen handicap. En ook dat is niet gemakkelijk. Vaak nemen die kinderen in het gezin een aantal ouderrollen over. Zo was er in de zomerweek een gezin waarbij de moeder haar oudste kind als klankbord gebruikte. Een pienter kind, waar ik ook gesprekken mee had. Ze kreeg niet echt de kans om kind te zijn. Ze schaamt zich soms voor haar moeder. Zulke kinderen groeien op met een ander beeld van wat een mama is of moet zijn.

Vertel eens iets meer over die zomerweek.

Tijdens onze zomerweek ‘Positief Opvoeden’ komen cliënten met hun kinderen een week lang naar de cursus. We starten de dag samen. Terwijl de ouders les volgen, is er een parallel aanbod voor de kleintjes en de tieners. Dit jaar werkten de ouders rond opvoeden naar zelfvertrouwen. Voor de tieners was er een creatief aanbod. De kleinste kinderen gingen onder meer een dag naar de boerderij. In die week nemen we ook een groepsfoto en een familiefoto van de ouders met hun kinderen. Die krijgen ze dan mee. Vaak is dit de enige gezinsfoto die ze hebben. ’s Middags spelen we samen een spel. Er is veel enthousiasme voor die zomerweek. Ouders en kinderen nemen graag deel. Tijdens de zomerweek hoor ik wat er leeft bij ouders. Zo gaan we in het voorjaar aan de slag rond tieners en seksualiteit.

“Vaak is onze foto hun enige gezinsfoto.”

Werken jullie ook rond kinderwens?

Een kinderwens is iets heel natuurlijks. Vaak leeft dit heel sterk bij cliënten. Wij raden het niet af, maar proberen het wel bespreekbaar te stellen. Wat verwacht je van het ouderschap? Hoe denk je dat het gaat lopen? Hierbij gebruiken we beeldmateriaal van Kind en Gezin en het Nederlands Jeugdinstituut. Dat begint bij de zwangerschap en loopt tot het kind drie jaar is. We proberen ouders van in het begin goed te omringen. We nemen daarbij zelf een stukje op, maar kunnen dat niet alleen. Daarom zoeken we mensen of diensten die de cliënt mee ondersteunen.

Lukt dat altijd?

Een tijd geleden begeleidde een collega een koppel dat zwanger was. De man was agressief en had zichzelf niet onder controle. De vrouw had een niet aangeboren hersenletsel en epilepsie. Met de hulp van een onthaalmoeder en veel andere ondersteuning konden we ervoor zorgen dat het kindje de eerste jaren waarin hechting zo belangrijk is, thuis kon wonen. Ondertussen is het kind in een pleeggezin geplaatst, maar die eerste jaren hebben de ouders er wel een band mee kunnen opbouwen.

Hoe ervaren jullie ouders zo’n plaatsing?

Veel hangt af van de manier waarop de kinderen zijn weggenomen en hoe dit begeleid is. Sommige cliënten zien hun beperking als ouder niet in. Ze vinden dat hun kinderen zonder reden werden afgepakt. Ze hebben daar ongelooflijk veel verdriet over. Dat zijn hartverscheurende begeleidingen. Het is voor hen waarschijnlijk het moeilijkste wat er is om toe te geven dat hun kind nu beter af is. Sommige van onze ouders kunnen dat wel. Veel hangt dan af van de samenwerking met het pleeggezin. Hoe betrekken zij de ouders? Hoe communiceren ze?

“Soms zien cliënten hun beperking als ouder niet.”

Pleegouders worden daarvoor toch begeleid?

Sommige pleegouders doen dat uit zichzelf. Ik heb zo een pleegmoeder die, als de kinderen met moederdag iets meebrengen van school, ervoor zorgt dat er iets is voor de moeder. Het is ongelooflijk hoe die de brug kan slaan. Maar er zijn andere situaties. Dat maakt onze cliënten erg onzeker. En dan zeggen ze: “Ik ga niet meer naar het overleg zonder u erbij!” Ik versta dat. Op zo’n overleg zitten onze cliënten erbij, en ze kijken ernaar. Als ze naar huis gaan, komt de kwaadheid. Door er als begeleider bij te zijn, kan je wrevel vermijden. Cliënten hebben een tolk nodig. Iemand die voor hun rechten opkomt.

 “Cliënten hebben iemand nodig die voor hun opkomt.”

Moet dit een professional zijn?

Dat hoeft niet. Ik zou graag meer met vrijwilligers werken. Of voor bepaalde cliënten een buddy inschakelen. Vroeger hadden we vrijwilligers die een gezinsvakantie uitwerkten. Een week ertussenuit met de kinderen kon veel deugd doen voor onze gezinnen. Voor onze financiering moeten wij echter al onze contacten registreren, waardoor er minder tijd is om zo’n dingen te doen. En dat is wel zonde.

Hoe zie je de toekomst?

Wat is het effect van de persoonsvolgende financiering op onze cursussen? Zullen cliënten de cursus moeten betalen van hun budget? Of zit dat in het totaalpakket als ze hier om begeleiding vragen? Als veldwerker zijn we daar niet mee bezig, dat is beleidswerk. Maar ik ben toch niet helemaal gerust. Je merkt het bij alle diensten: er zijn veel meer vragen dan antwoorden. Het is goed dat mensen met een beperking kunnen beslissen waarvoor ze hun budget inzetten. Maar ik denk dat er veel gaan verschieten van wat alles kost.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen