Jonge mensen met sluimerende psychische problemen

Intensief samenwerken loont

In heel Vlaanderen zijn er projecten rond vroegdetectie en vroeginterventie bij psychische problemen (VDIP). Deze projecten richten zich op jonge mensen tussen 16 en 35 jaar. In Antwerpen werkt VDIP nauw samen met het jongerenadviescentum. Die succesvolle ervaring zetten we in de kijker. Sociaal.Net sprak met Els Bovri, sociaal werker op JAC+ en  Geert Vandendriessche, psycholoog bij VDIP.

VDIP
©123rf

Wie is Els Bovri?

Els: Na mijn middelbaar ben ik aan een studie logopedie begonnen, maar dat heb ik niet afgemaakt. Na twee jaar moest ik dan een formule bedenken waardoor ik alleen kon wonen, mijn huur betalen en toch studeren. Ik heb dan ‘Jeugd en Gehandicaptenzorg’ gevolgd, omdat ik graag met en voor jongeren in kwetsbare situaties wilde werken. Tijdens mijn laatste jaar deed ik stage in een buurtwerking voor kansarme jongeren. Na de stage werd ik onmiddellijk aangenomen. Ik heb daar vijf jaar gewerkt. Via een omweg in de jeugdhulp en een inloopcentrum voor daklozen ben ik in 2003 beginnen werken bij het jongerenadviescentrum van CAW Antwerpen. Kort gezegd. Ik heb een heel parcours achter de rug met als rode draad jongeren en jongvolwassenen.

“Ik heb een zwak voor mensen met een hoek af.”

Geert, wat is jouw rode draad?

Geert: Ik heb altijd een zwak gehad voor ‘mensen met een stevige hoek af’, en ik zeg dat met alle respect. Dat is mijn rode draad. Ik ben in 1985 afgestudeerd als psycholoog. Nadien deed ik mijn burgerdienst op het psychosociaal centrum in Hoboken. Dat is nu een deel van Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Vagga (CGG). Aansluitend heb ik vier jaar gewerkt in de Antwerpse drughulpverlening. Ik passeerde ook even in een groot psychiatrisch ziekenhuis. Maar dat was me te log. Ik ben een pionier, en in dat ziekenhuis kon ik mijn energie niet kwijt. Na een jaar ben ik vertrokken naar Insofap in Antwerpen, nu deel van CGG Andante. Ik werk blijkbaar in cyclussen van tien jaar, tien jaar als psycholoog, tien jaar als teamcoördinator en vanaf 2011 heb ik VDIP mee op de kaart gezet.

Wat doet VDIP precies?

Geert: VDIP staat voor ‘Vroege detectie en Interventie bij psychiatrische problemen’. Wij zijn een ambulant multidisciplinair team dat werkt met jongeren tussen 16 en 35 jaar, met een beginnende psychiatrische problematiek, die bovendien moeilijk benaderbaar zijn. Wij schieten maar in gang als er een zorgmijdend kantje is. Jongeren met een ‘propere’ vraag, die weten wat ze willen, die moeten niet bij VDIP zijn. Die vinden hun weg wel naar het CGG of elders. Complexe situaties zijn bij ons wel op hun juiste plaats.

“Wij schieten in gang als er een zorgmijdend kantje is.”

Kan je die zorgmijders typeren?

Geert: Jonge mensen die serieus in de gekte gaan of die kampen met een psychose zijn per definitie zorgmijders. Iedereen maakt zich zorgen, behalve de jongere zelf. Zij denken dat niet zij, maar de wereld fout in elkaar zit. Ze zien hun problemen niet, laat staan dat ze weten hoe ze aan te pakken. Het zijn zeker niet altijd marginale types die op straat leven. Verre van zelfs. Soms is het een jongen uit een net gezin die de hele dag zit te gamen, niet meer naar school gaat, zijn kamer niet meer uitkomt. Het gaat vaak om jonge mensen die geen hulp willen. Als hulpverlener kan je dan weinig. Toch proberen wij verbinding te maken.

Is dat zoeken naar verbinding de grote uitdaging?

Els: Toch wel, en vaak lukt dat ook. Ik geef een voorbeeld. VDIP en het JAC werkten nauw samen rond een jongen van Afrikaanse afkomst. Die jongen had een licht mentale beperking. Hij leefde erg geïsoleerd en had af en toe psychotische momenten. De opvolging van zijn psychische problemen gebeurde door VDIP. Op het JAC gingen wij aan de slag om te bekijken wat hij graag in zijn vrije tijd deed. Stap voor stap heeft een collega gewerkt aan het opbouwen van vertrouwen. Dat samen zoeken, werkt ontschuldigend. Na een tijd heeft hij de stap gezet naar een betaalde stage in de Kringloopwinkel. Daar stonden ze te kijken van zijn werklust. Mijn collega op het JAC is blijven praten met de jongen. Uiteindelijk bleek er op YouTube een video te staan waarin hij aan het breakdancen is op hoog niveau. Ineens vertelde hij ronduit over die sport en hoeveel discipline het vraagt. Wij hebben onze ogen opengetrokken. Wat een talent!

Geert: Mag ik nog een voorbeeld geven? Een jongen van achttien klopt aan bij het JAC. Hij hoort stemmen. Op een nacht is hij beginnen dolen. Uiteindelijk stond hij op de rand van een brug om te springen. Gelukkig deed hij het niet. Op het JAC gaat een alarmbel af. Zij nemen contact op met VDIP. Een dag later kan ik die jongen al een eerste keer spreken. Wat blijkt? Het is geen externe psychotische stem die hem bevelen geeft, wel voert hij gesprekken met zichzelf. Die jongen heeft geen psychose, maar is depressief. Het is goed dat we dit snel kunnen uitzoeken en daarmee aan de slag gaan. Dat zijn echte situaties voor VDIP. Wij willen optimaal beschikbaar zijn voor jongeren met beginnende ernstige problemen. Jongeren die zich aanmelden voor een therapie, zijn bij ons aan het verkeerde adres, die tonen we de weg naar het CGG. Ons aanbod is er ook niet voor mensen die al een heel zorgtraject achter de rug hebben.

Jullie doen meer dan cliënten naar elkaar doorverwijzen. Waar zit net dat extraatje in de samenwerking tussen het JAC en VDIP?

Geert: Het JAC is een eerstelijnswerking. Bij het opsporen van sluimerende problemen is dat cruciaal. Het JAC is een plaats waar jongeren binnenlopen, een babbeltje slaan, op zoek zijn naar informatie en problemen aankaarten. Daar vallen psychische problemen vaak het eerst op. Zo’n eerstelijnsdiensten hebben belangrijke voelsprieten. Als zij gevoelig zijn voor vroege signalen van ernstige stoornissen en hiervoor snel hulp kunnen inroepen, dan hebben we al een pak tijd gewonnen.

“Deze samenwerking is een luxe.”

Els: Voor het JAC is deze nauwe samenwerking een luxe die wij voordien niet hadden. We kunnen nu veel korter op de bal spelen. Als wij problemen vermoeden dan kunnen we telefoneren. Wij krijgen het nergens anders geregeld dat je op één dag een goed advies krijgt waarmee je verder kan. Mensen en jongeren moeten heel vaak lang wachten op hulp. Voor deze groep jongeren met sluimerende psychische problemen kunnen wij nu het verschil maken.

Hoe ziet de samenwerking er concreet uit?

Geert: Ik probeer de vaardigheid om sluimerende psychische problemen te detecteren, te verhogen. Ik kom elke week op de teamvergadering van het JAC om mee te luisteren. JAC-medewerkers bespreken de jongeren die de voorbije week passeerden. Samen gaan we na of er onrustwekkende signalen zijn.

Els: We kunnen tijdens zo’n teamoverleg VDIP meteen bevragen om in te schatten welke zorg de jongere nodig heeft. Gaat het om een crisis of kunnen we nog even afwachten? Dit geldt niet enkel voor jongeren die in aanmerking komen voor VDIP. Er wordt gewoon heel hard samen nagedacht over wat er met een jongere aan de hand is en wat we kunnen doen.

“Voor mij is het een cadeau om op het JAC te komen.”

Geert: Voor mij is het een cadeau om op het JAC te kunnen komen. Veel hulpverleners uit de geestelijke gezondheidszorg zouden dat ook moeten doen. Je komt uit je bureau. Je blijft wakker. Het houdt je scherp. En men zal merken dat de eerste lijn geconfronteerd wordt met cliënten met een zware psychische problematiek.

VDIP
Geert Vandendriessche en Els Bovri

Begeleiden jullie jongeren ook samen?

Geert: Dat gebeurt, maar het moet niet. Wij kunnen vanuit VDIP naar het JAC komen om samen met de jongere een gesprek te hebben. We kunnen samen met de JAC-medewerker bij de jongere thuis gaan of iemand van het JAC komt met de jongere tot bij ons. We kunnen ook gesprekken opstarten met de ouders. We zijn erg flexibel.

Jullie zijn beide zeer enthousiast over de samenwerking. Wat is jullie toverformule?

Geert: Bij samenwerking moet alle expertise gelijkwaardig zijn. Dat is niet evident. Zo worden JAC-medewerkers niet altijd ernstig genomen door mensen uit de geestelijke gezondheidszorg. Als jongeren vanuit de psychiatrie doorstromen naar een JAC, dan krijgen de medewerkers vaak niet de juiste informatie om gepaste zorg te bieden. Als wij dan vanuit VDIP telefoneren, komen we meer te weten. Er is te weinig vertrouwen in de specifieke deskundigheid van eerstelijnswerkers. Ten onrechte want het gaat niet over meer of minder deskundig, maar wel over anders deskundig.

Els: Dat herken ik. In het begin van mijn job op het JAC verbleef een meisje met serieuze psychotische klachten in onze toenmalige opvang. Ik belde naar de psychiatrische spoedinterventie, nadat ik haar ’s avonds in zeer verwarde toestand aantrof op haar kamer. Ze vroegen me om met het meisje langs te komen. Ik herinner me die tocht als een Calvarieberg. Het meisje wist niet meer wie ze was en sprak iedereen onderweg aan in wartaal. Maar eens op de spoed functioneerde het meisje opnieuw tamelijk goed. Ik kreeg de psychiater niet overtuigd van het feit dat er wel degelijk iets ernstigs aan de hand was. Ik moest haar opnieuw meenemen. Had ik toen iemand van VDIP kunnen betrekken in dit proces, dan was een opname misschien mogelijk geweest.

Geert: Weet je wat nog een grote plus is? Het JAC kent de leefwereld van jongeren veel beter dan wij, psychologen. Bovendien zijn wij binnen de geestelijke gezondheidszorg gespecialiseerd in wat fout loopt. Op het JAC kijken ze sneller naar wat nog goed loopt, naar de krachten van jonge mensen.

“We moeten af van de dichotomie ziek-gezond.”

Dat sluit aan bij de herstelvisie die aan terrein wint binnen de geestelijke gezondheidszorg.

Geert: Dat is een vrij nieuwe aanpak. Binnen de geestelijke gezondheidszorg wordt nu nog te sterk vanuit een ziektemodel gewerkt. Van die dichotomie ziek-gezond moeten we af. We moeten evolueren naar een persoonlijke diagnostiek. Dan kan je bijvoorbeeld iedereen voor depressiegevoeligheid uitzetten op een schaal van nul tot tien. Iedereen heeft zijn plek op die schaal. Er is dan ook niet zoiets als een kantelmoment tussen depressief en niet-depressief. We moeten niet alleen oog hebben voor symptomen, maar ook voor de krachten van mensen. Wat houdt mensen bezig? Wat willen ze nog doen? Dan pas werk je naar herstel. Het is niet omdat je depressief bent dat je geen dromen kan hebben. Misschien zijn die nu niet realiseerbaar maar kan je wel al een eerste stap zetten. Met dat herstel moet je als hulpverlener al van dag één bezig zijn. De gezondheidszorg focust nog te veel op ziekten, symptomen en kwalen. Men is te weinig bezig met wat er nodig is om een goed leven te leiden, om gelukkig te zijn.

Els, herken jij dat?

Els:  Ja, alleen benoemen wij het anders. Wij trainen ons volop in oplossingsgericht werken. Wij proberen met jongeren te kijken naar hun krachten en mogelijkheden. De oplossing moet niet van ons komen, de oplossing moet van de jongere komen. Wij kunnen als hulpverleners tools aanreiken om deze oplossingen te vinden. We leggen nog vaak de focus op het verleden van de jongere. Dit helpt om de jongere beter te begrijpen, maar het is zeker zo belangrijk om te kijken naar wat je gaat doen met je leven, ondanks die rugzak aan trauma’s, herinneringen en ervaringen. Je kan daarvoor erkenning geven, maar dat belet niet dat je moet kijken naar wat jongeren zelf in handen hebben.

Maak dat eens concreet.

Els: Een tijdje geleden werd een jongeman die verstrikt zat in een combinatie van computerverslaving en psychotische trekjes vanuit VDIP naar ons doorverwezen. VDIP ging aan de slag met zijn psychische problematiek. Wij gingen op zoek naar de talenten van de jongere, zonder te focussen op de verslaving of de mogelijke valkuilen. Via dit talent trachten we vertrouwen op te bouwen, om zo aan de slag te gaan met de uiteindelijke hulpvraag. Het talent van deze jongen was zijn computerkennis. Mijn collega stapte naar hem toe met de laptop onder de arm. Samen gingen ze op zoek naar plattegronden van het geboortedorp van de jongere. Hij begon te vertellen over vroeger en nu. Al liepen die gesprekken in het begin chaotisch, het begeleidingsproces was wel uit de startblokken geschoten. Na verloop van tijd namen ze meer concrete initiatieven, bijvoorbeeld bij het opstellen van een sollicitatiebrief.

“We zien veel gebroken relaties.”

Veel jongeren die jullie zien, hebben nog weinig sociaal netwerken.

Geert: In de behandelingen van psychose is het doorbreken van eenzaamheid minstens even belangrijk als medicatietrouw. Je moet jongeren daarom in contact krijgen met andere jongeren.

Els: Als we jongeren laten optekenen wie nog belangrijk is in hun leven, valt op hoe weinig namen ze soms op papier kunnen zetten. We zien veel gescheiden en gebroken relaties, met veel eenzaamheid als gevolg. Netwerken zoeken en verder uitbouwen, is één van de kerntaken van het JAC. Eigenkrachtconferenties zijn voor ons geen onbekende. We bekijken samen met de jongere wie belangrijk voor hen is en nodigen deze mensen uit om mee te komen nadenken. Soms gaan we met de jongere mee naar een sportclub of een familielid met wie er nog een goed contact is.

Heeft VDIP geen wachtlijsten?

Geert: Op vroegdetectie moet vroeginterventie volgen. Kwetsbare mensen opsporen en ze vervolgens op een wachtlijst zetten, is onethisch. We proberen wachtlijsten te voorkomen door begeleidingen zo kort mogelijk te houden en vooral te focussen op domeinen waarop je iets kan veranderen. Het is niet de bedoeling om rond alle aspecten van iemands leven te werken. Daar kan je jaren mee bezig zijn. Zo ontstaan er wachtlijsten. Focus op wat je kan veranderen. Wij op VDIP krijgen als nieuw project tijd om dingen uit te proberen, om buiten de lijnen te kleuren. Dat kost tijd maar het brengt ook vaak veel op. Met iemand in een park afspreken duurt langer dan iemand op je bureau roepen. Gelukkig krijgen we op dit moment die tijd nog.

“Kwetsbare mensen op een wachtlijst zetten, is onethisch.”

Els: Ook het JAC kent geen wachtlijst. Wij hebben een open deur, zijn direct toegankelijk en kunnen snel opstarten. Dat is belangrijk. Dat maakt ook dat wij met jongeren blijven zoeken naar oplossingen. We laten niet los. Als iemand niet komt opdragen, dan gaan we d’r achter. En als we iemand toch loslaten, dan werd daar serieus over nagedacht.

Het enthousiasme spat van jullie getuigenis.

Geert: Wij zijn beiden zeer tevreden over de samenwerking. En hoe langer de samenwerking loopt, hoe meer het voelt als één ploeg. Dat is plezant voor ons, maar vooral zeer nuttig voor cliënten. Zij hebben er bij te winnen.

Els: Ik betrap me er op dat ik de twee teams soms als één zie. Van mij mogen we gerust verhuizen naar één gebouw. Dat is veelzeggend.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen