De jeugdhulp zette mij ‘on hold’

Elk kind heeft recht op een goed leven

Daan Verzele is jongerenwerker bij Cachet vzw, een organisatie voor jongeren met een ervaring in de jeugdhulp. Daan bracht quasi zijn hele jeugd door in een instelling. Hij deelde zijn levensverhaal met Sociaal.Net: “Ik wil dit delen omdat ik vind dat elk kind recht heeft op een goed leven.”

jeugdhulp
Yuya Tamai @flickr

Daan

Ik was een ongewenst kind. Mijn moeder kon of wilde niet voor mij zorgen. In het gezin blijven, lukte niet. Ook niet toen mijn moeder een nieuwe relatie had. Na heel wat omzwervingen langs instellingen in Vlaanderen en Wallonië werd ik er omwille van mijn veiligheid definitief weggehaald. Ik was acht toen ik geplaatst werd. Tot mijn achttiende verbleef ik in dezelfde voorziening binnen de jeugdhulp. Ik heb daar dus mijn volledige kindertijd doorgebracht.

“Ik was acht toen ik geplaatst werd.”

Op mijn achttien ben ik alleen gaan wonen. Ik kon eindelijk beginnen aan de studies die ik altijd al had willen doen: kunsthumaniora. Van de instelling mocht dat niet. Dat stemde niet overeen met hun waarden en normen. Bovendien geloofden ze niet dat ik het zou kunnen. Al van kinds af had ik zogezegd een laag IQ. Ooit hebben ze dat getest, de uitslag is nadien in mijn dossier beland. Niemand heeft dat ooit nog in vraag gesteld. Ik had de stempel dat ik het niet zou kunnen.

Maar het is me dus wel gelukt. De directeur van Sint-Lucas in Brussel gaf me op mijn achttiende de kans om te starten met de kunsthumaniora, hoewel ik daarvoor niet de juiste voorbereiding had. Die man kende me niet, maar gaf me wel een kans. Dat staat in mijn geheugen gegrift. Zonder hem had mijn leven er anders uitgezien.

Kansen krijgen

Zo’n kans heb ik van de jeugdinstelling nooit gekregen. De instelling heeft voor mij beslist dat ik naar het buitengewoon onderwijs moest. Gaf ik te kennen dat ik iets anders wilde, dan was het antwoord dat ik droomde.

‘Ik begon op mijn achttien aan de kunsthumaniora.”

Gelukkig was er in het buitengewoon onderwijs een leerkracht die wel in mij geloofde. Zij adviseerde me op mijn zeventiende om over te schakelen naar het beroepsonderwijs. Na een hele onderhandeling met de instelling mocht ik beroepsonderwijs ‘proberen’. Ik heb er maar drie maanden school gelopen. Bij het overhandigen van het eerste rapport zei een leraar dat ik er niet thuishoorde. Ik brak in tranen uit. Ik vreesde dat ik mijn kans verpest had. Het tegendeel was waar. Ze adviseerden me om over te schakelen naar het algemeen secundair of technisch onderwijs. Maar het werd dus de kunsthumaniora. Daar ben ik met grootste onderscheiding afgestudeerd.

Elf jaar

In de elf jaar dat ik in de instelling verbleef, waren er zeer weinig mensen die me steunden en prikkelden. Door mijn verleden was ik een introvert kind geworden, met een laag zelfbeeld en weinig zelfvertrouwen. Ik was overtuigd dat ik nergens thuis hoorde.

“Ik voelde voor het eerst dat iemand om me gaf.”

Door een opvoeder kwam ik uit mijn schulp. Die ene opvoeder liet me voor het eerst voelen dat ik toch belangrijk was. Elk jaar organiseerde de instelling een fietstocht. Voor een schuchtere veertienjarige jongen was honderd kilometer fietsen op een dag een hel. Ik bleef altijd achterop hangen. Door een dom misverstand was de begeleider me op een bepaald moment kwijt. Op zoek naar mij, fietste hij heel wat kilometers terug. Toen hij me uiteindelijk zag, reageerde hij zeer emotioneel en boos. Eerst vloog hij tegen me uit. Maar nadien pakte hij me ook eens goed vast. Ik voelde voor het eerst dat iemand om me gaf.

Drijfveer

Ik word gedreven vanuit de overtuiging dat iedereen een goed leven verdient, dat iedereen kansen moet krijgen. Door die positieve focus heb ik voor mezelf het verschil kunnen maken.

“Niemand toonde echt interesse.”

Slechts een kleine minderheid van de mensen in de instelling hebben me daarbij geholpen. Eén van hen was mijn aandachtsopvoeder. Op mijn veertiende gaf ze me een boek cadeau: ‘De Keizerin van Mexico’. Haar dochter had het dubbel. Voor mij was dat boek geen afdankertje, wel een geweldig geschenk. Ik vond het fantastisch dat ik eindelijk eens een echt boek kreeg. Het kwam alleen wat laat. Als je in de instelling een gast hebt die de hele stripbibliotheek uitleest, daag hem dan uit. Stimuleer hem dan eens om een echt boek te lezen. Maar dat gebeurde niet. Buiten die paar mensen toonde niemand echt interesse in mij.

Onrechtvaardig

Je zou verwachten dat jongeren in de jeugdhulp elke dag positieve prikkels krijgen. Maar dat is dus niet zo. Ik weet niet waarom een instelling niet gelooft in de jongeren die er verblijven. Ik heb er al veel over nagedacht. Het voelt alleszins heel onrechtvaardig aan.

“Ik was een dossier dat op een rek stond.”

Ik was een dossier dat op een rek stond. Zo voelde het ook. Het stond daar veiliger dan thuis. Thuis kon de situatie escaleren. Als er in zo’n dossier iets zwart op wit staat, stemmen hulpverleners hun handelen daar op af. Als in mijn dossier staat dat ik een laag IQ heb en een traumatisch verleden, dan is dat zo. Ik kon ook niet reageren op alles wat mijn moeder over me vertelde. Mij is nooit iets gevraagd over wat er thuis echt gebeurd was.

De jeugdhulp zou moeten vertrekken vanuit het kind dat ze voor zich hebben. Dat kind valt niet samen met zijn verleden, laat staan met hoe anderen dat verleden beschrijven en interpreteren. Wat je ook hebt meegemaakt, je verdient dezelfde kansen als alle anderen. Dat de instelling waar ik zo lang verbleef niet meer in mij zag dan “een gebroken kind”, neem ik ze kwalijk. 

Huiselijke warmte

Toch zette ik door. Ik ben geraakt waar ik wilde zijn. Maar het heeft me bloed, zweet en tranen gekost. Toen mijn moeder als volmachthouder mijn zichtrekening plunderde, heb ik als veertienjarige een streep getrokken onder onze relatie. Ik had dat geld verdiend door auto’s te wassen en klusjes te verrichten. Ik was daar fier op. Het was iets dat ik bereikt had. Mijn moeder dacht daar anders over. Ik realiseerde me dat, als ik ooit een volwaardig leven wilde leiden, ik met haar moest kappen. Ze gunde me geen normaal leven, het recht van bestaan, een gelukkig leven. Iets waar ik zo naar verlangde.

“Op mijn zeventien voelde ik voor het eerst huiselijke warmte.”

Pas toen ik zeventien was, voelde ik voor het eerst huiselijke warmte. Ik logeerde toen voor een week toevallig bij een gezin. Dat was een vreemde ervaring. Ik besefte wat ik al die jaren gemist had: warmte, ergens thuiskomen, in de zetel een boek lezen, lekker eten, een hond, een tuin, rust en gezelligheid… Die ervaring was tegelijk heel confronterend en hoopgevend. Dat gevoel heb ik niet meer los gelaten. Ik had een doel om na te streven. Misschien blijft iemand anders hangen in dat gevoel van gemiste kansen. Maar zo ben ik niet. 

Antwerpen

Toen ik alleen woonde en kunsthumaniora deed, kreeg ik een leefloon. Ik kon met steun van het OCMW nadien ook verder studeren. Alleen vond het OCMW het geen goed idee om een hogere opleiding in de beeldende kunsten te volgen. Dat was geen goede besteding van gemeenschapsgeld, volgens de sociaal werkster. Een opleiding psychologie zag ze wel zitten. Dat was mijn tweede keuze. Ik ben daarmee gestart, maar was er toen niet klaar voor. Dat lukte dus niet. Voor het OCMW was daarmee het verhaal afgelopen. Ze hadden me een kans gegeven, een tweede kans kreeg ik niet.

Toch wilde ik verder studeren. Ik schreef me in op Sint-Lucas in Antwerpen. Ik betaalde zelf mijn studies en woonde in een kraakpand. Op advies van iemand heb ik via een pro deo advocaat de beslissing van het OCMW aangevochten. Met succes. Het OCMW heeft uiteindelijk mijn hogere studies betaald. Toch tot ik het bachelordiploma had behaald met onderscheiding. Toen was voor hen de kous definitief af. Mijn masteropleiding heb ik op mijn eentje afgerond en gefinancierd.

Sinds twee jaar studeer ik opnieuw psychologie aan de VUB. Concreet weet ik nog niet welke richting ik uit wil, maar ik ben wel enorm geboeid door de menselijke psyche.

Me, myself and I

Ik heb het leven lange tijd beschouwd als ‘Me, Myself and I’. Als je iets wil waarmaken, dan kan je enkel op jezelf rekenen. De weinige keren dat ik begrip en medeleven ervoer, ging ik ervan uit dat die mensen slechts een rolletje speelden. Ik vertrouwde niemand.

“Mijn masterdiploma gaf me een boost.”

Mijn masterdiploma gaf een boost aan mijn eigenwaarde. Dat was een belangrijk scharniermoment. Door dat diploma te behalen, gaf ik veel mensen die nooit in mij geloofden een antwoord. Ik had iets bereikt en was tevreden met mezelf. Pas toen kon ik anderen toelaten. Tijdens mijn studies was ik zover nog niet. Ik kwam veel lieve mensen tegen en vertelde hen delen van mijn leven. Maar ik bewaarde toch afstand. Ik kwam misschien sociaal over, maar in werkelijkheid was ik gesloten.

Cachet vzw

Tijdens mijn examens psychologie ben ik vorig jaar in paniek geraakt. Van de zes examens heb ik er maar twee afgewerkt. Ik blokkeerde door faalangst. Ik heb toen hulp gezocht. Uit die gesprekken bleek dat ik enorm teleurgesteld was in de instelling waar ik al die jaren verbleef. Toen kwam Cachet vzw ter sprake en ik zocht contact met hen.

Een paar maanden later zochten ze een jongerenwerker. Ik heb gesolliciteerd. Het ligt deels in de lijn van mijn studie psychologie. Ik wil ook dat de jeugdhulp anders gaat werken met jongeren. Tegen mijn verwachting in, ben ik aangenomen. Dit is mijn eerste echte job. Een job die ik echt wil doen. Een job waarin ik samen met mijn collega’s en vrijwilligers een verschil wil maken.

“Jongerenwerker is een job die ik echt wil doen.”

Met Cachet zoeken we antwoorden op vragen van het werkveld. Soms zijn dat voorzieningen, soms een school, soms het Agentschap Jongerenwelzijn. Een instelling uit Leuven moest onlangs een nieuwe opvoeder aanwerven. Ze wilden weten wat voor jongeren een ‘goede’ opvoeder is. We zijn met verschillende jongeren in gesprek gegaan. Wat er uit kwam? Betrokkenheid, niet werken van nine to five, eerlijk handelen, beloftes nakomen, streng kunnen zijn maar ook rechtvaardig en volhouden…

Het is belangrijk dat kinderen en jongeren vrijuit kunnen spreken. Ze moeten betrokken worden in keuzes die hun leven bepalen. Bij Cachet hebben jongeren niets te winnen of te verliezen. Hun begeleiders zijn er immers niet bij. Wij hebben tijd en proberen bijeenkomsten boeiend te maken. We brengen jongeren uit verschillende instellingen samen. Ook jongeren die de jeugdhulp al achter zich hebben, delen hun ervaring. Dat spreekt aan.

Jongvolwassen

Een kind dat ‘thuis’ opgroeit, ontdekt en leert stap voor stap de wereld kennen, met weinig of geen zware breuken. Bij moeilijke momenten hebben ze een vangnet thuis. Jongeren die studeren, gaan in de week op kot en komen in het weekend naar huis. Daar krijgen ze nog ‘tips and tricks’ voor het koken en de was. Ze bouwen stapsgewijs een stevig netwerk uit waar ze mee vertrouwd geraken. Ze komen uit een stabiele structuur en kunnen zich van daaruit ontwikkelen. Een logisch verhaal.

Dit is de moratoriumperiode. Jongeren krijgen van hun ouders tijd en ruimte om hun leven uit te bouwen. Als je in een instelling opgroeit, maak je dit niet mee. Jongeren die alleen gaan wonen, moeten helemaal opnieuw beginnen. Hun eerste ervaring in de grote wereld is er veelal één van sociale uitsluiting, denk maar aan Jordy.

“Ik was achttien toen ik alleen ging wonen.”

De gemiddelde leeftijd dat jongeren 100% zelfstandig worden, is 27 jaar. In mijn ogen is dat absurd. Ik was achttien toen ik alleen ging wonen. Niemand zei: “Ga ervoor. Jij verdient het. Jij kan het.” Integendeel, niemand geloofde in mij. Enkel mijn aandachtsopvoeder liet de bal in het midden: “Als je vindt dat je dat moet doen, doe het dan.”

Beeld je eens in dat je op je achttiende met wat geld aan de andere kant van het land gedumpt wordt. Alles kan. Alles mag. Een volledig nieuwe omgeving. Je verstaat de taal maar je kent niemand, je hebt geen netwerk. Je wordt geconfronteerd met geldzaken, een hoop papierwerk. Zo voelde het voor mij. De jeugdhulp bereidt hierop niet voor. Omdat het zo’n stapsgewijs proces is, kunnen ze misschien ook niet.

Patronen

Ik ken veel mensen die opgegroeid zijn in een instelling. Er zijn weinig verhalen die echt goed aflopen. Een paar jaar geleden ontmoette ik onderweg naar school vlakbij Brussel-Noord een jonge vrouw die naar mij staarde. Met moeite herkende ik haar. We waren samen opgegroeid in de instelling. Ze was iets ouder dan ik, ze was toen rond de 23 jaar. We hadden een korte babbel. Ze beëindigde het gesprek door drie keer te herhalen dat ik haar niet gezien had. Pas toen besefte ik dat ze aan het tippelen was.

“De jeugdhulp faalt.”

Dat maakt me zo boos. Ik schrik niet van verhalen als Jordy. Verschillende jongeren waarmee ik ben opgegroeid, jongeren die ook niemand hadden buiten de instelling, belandden op straat of in de gevangenis. Als iemand na een traject in de jeugdhulp uiteindelijk in de prostitutie belandt, dan is dat een symptoom van een falende jeugdhulp. Ik kan het niet anders omschrijven. De jeugdhulp is er om patronen te doorbreken. Maar ze mislukken daarin.

Begeleiders zijn cruciaal

In positieve verhalen van jongeren uit de jeugdhulp valt het op dat er altijd enkele mensen zijn die uiteindelijk het verschil maken. Ook bij mij is dat zo. Een opvoeder, een leerkracht en een directeur. Ik heb het geluk gehad om ze tegen te komen. Ze hebben me een kans gegeven, ze gaven mij het gevoel dat ik er mocht zijn. Die paar momenten zal ik altijd koesteren. Het waren momenten dat ze me als gelijke erkenden.

Dat is de reden dat ik mijn verhaal doe. Aan begeleiders wil ik meegeven dat ze zich hiervan bewust moeten zijn. Hoe kijken ze naar de jongeren die ze begeleiden? Kijk je enkel naar wat hij heeft meegemaakt, zijn achtergrond? Of ga je focussen op de sterktes van die gasten? Het gaat om attitude. Dat is de sleutel.

“Elk kind is uniek.”

Als begeleider moet je aan kinderen tools geven zodat ze van hun leven iets kunnen maken. Werk vanuit empathie, niet met medelijden. Stimuleer ze. Geloof in hen. Geef hen kansen. Daag ze uit. Hierin kan je niet falen. Oordeel en beoordeel niet, elk kind is uniek. Ik ben in de instelling letterlijk ‘on hold’ gezet. Dat is niet ok. Kinderen moeten alle kansen krijgen om zich te ontplooien zodat ze hun eigen leven in handen kunnen nemen.

Gezinsbegeleiding

Ik begrijp dat de samenleving kinderen moet beschermen. Maar ik denk dat een jeugdinstelling niet de beste oplossing is. Ik zat in een jongensleefgroep. Iedereen van ons had dezelfde roze dekbedovertrek. Daar was dus niet over nagedacht. We hadden ook allemaal hetzelfde bed, dezelfde betonnen matras, dezelfde tafel, dezelfde kast en dezelfde gordijnen. Niets was authentiek. We waren nummers, inwisselbaar met anderen. Het was geen thuis.

Hoe wil je dat kinderen het patroon van hun ouders doorbreken als je ze allemaal samenbrengt? Ik heb veel gezien en geleerd daar. Foute dingen. Dat heeft toch geen zin? Uit pleegzorg komen positievere verhalen, maar ook dat verloopt niet bij iedereen zo positief.

“We laten ouders te veel aan hun lot over.”

We moeten proberen om gezinnen sneller preventief te begeleiden. Er zijn zoveel kansen voor gezinsbegeleiding. Maar wat gebeurt er in de praktijk? Pas als een situatie escaleert, grijpt de samenleving in. En op dat moment zijn er nog maar weinig mogelijkheden. Iedereen weet dat het voor kinderen beter is om op te groeien in het eigen gezin. Probeer dat dan ook waar te maken. Ga die ouders begeleiden. Dit is niet de oplossing voor iedereen maar waarschijnlijk wel voor de meerderheid. Ik weet niet of het bij mij thuis zou gewerkt hebben, maar met intensieve ondersteuning had het er misschien anders uitgezien.

We laten ouders nu te veel aan hun lot over. Ik denk dat er veel ouders blij zouden zijn met iemand aan hun zijde die toekijkt, hen helpt en ondersteunt. Ouders hebben allemaal hun geschiedenis. Zoals jij en ik.

Telefoon

Ik heb op vrij jonge leeftijd besloten dat ik het anders wilde. Ik wilde een echt leven leiden. Het goede leven overkomt je niet. Je moet er voor werken. Je moet dat onderhouden.

“Ik heb het uitzonderlijk aangepakt.”

Ik voel niet de nood om de telefoon te pakken en naar de instelling te bellen. Wat de instelling mij gegeven heeft, krijgen ze terug: niets. Ze liggen er toch niet wakker van. Het interesseert hen niet of ik wel of niet mijn diploma haal. En als ik ze zou bellen, dan zeggen ze gegarandeerd dat ik een uitzondering ben. Dat hoor ik altijd. Maar ik ben geen uitzondering. Ik heb het wel uitzonderlijk aangepakt.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen