Blijven dromen ondanks miserie

Een zomers gesprek over psychisch lijden

psychisch lijden
© Museum Dr. Guislain

Zwart kleedje

Een warme zonnige dag eind mei in de tuin van het museum Dr. Guislain in Gent. Ik zie haar voorbijkomen met een trappist in de hand. Zwart kleedje, donkere zonnebril en lange zwarte haren. Ze gaat aan het tafeltje naast me zitten. Bijna dertig jaar geleden was ik psycholoog op de afdeling waar zij verbleef.

“Peter? De psycholoog? Ben jij het”

Ze lijkt in niets verouderd. Ik herken haar onmiddellijk. Ze mompelt wat in zichzelf, iets luider dan gepast, terwijl ze nogal onhandig haar handtas vasthoudt. Ze lijkt niet te vinden wat ze zoekt. Ik kijk haar aan, wacht tot zij mijn richting uitkijkt en ik knik. Ze kijkt weer weg.

Ik besluit het erop te wagen en noem haar voornaam. Ze kijkt me even verrast aan en dan een grote glimlach: “Peter? De psycholoog? Ben jij het?” Ik ben opgelucht dat de herkenning met blijdschap gepaard gaat en zwijg even. “Jij bent veranderd zeg. Dikker geworden en grijs kort haar. Een bril ook. Jij had vroeger toch lang haar?” Ik erken met een glimlach dat ik veel ouder ben geworden. Ze besluit om bij me te komen zitten.

Kracht en vechtlust

Haar glas bier glinstert goudkleurig in de zon. “Werk jij nu nog in Sleidinge?” “Jawel.” “Wij kennen elkaar nog uit C. hé, toen jij daar werkte in 1989. Ik was negentien jaar. Het was mijn eerste opname. Ik vond jou altijd al een goede psycholoog.” En alweer die brede glimlach.

“Ik heb altijd haar kracht geapprecieerd.”

Ik zie haar weer voor me als jonge vrouw, boos omdat ze gedwongen was opgenomen. Opkomend voor haar mening als een furie. Ik zeg haar dat ik altijd haar kracht heb geapprecieerd. Haar vechtlust ook. Even stilte.

Als ik naar haar moeder vraag staart ze voor zich uit en begint ze opnieuw te mompelen. Ze heeft het over haar vader die de Eiffeltoren heeft gebouwd en over John F. Kennedy die ze nog heeft gekend. Ze praat nu wat in het ijle zonder me nog aan te kijken.

Gustav Mesmer

Ik besluit niet verder te vragen en ik vertel haar over de tentoonstelling die ik net heb gezien, over Gustav Mesmer, een man die zijn leven lang verplicht werd in de psychiatrie te blijven en die dan machines begon te bouwen, fietsen waarop hij plastic vleugels bevestigde. Hij hoopte er mee te kunnen vliegen.

Ze meent het voor hem te moeten opnemen: “Hij heeft het toch maar gedaan hé. Wat een creativiteit om dat allemaal te bouwen.” Ik geef haar gelijk en voeg er aan toe dat het heel speciaal is wat hij gemaakt heeft. Ze vraagt waar hij leeft. Als ik vertel dat hij gestorven is, wordt haar gelaat plots triest en gaat ze net niet wenen. Ik wil haar troosten en herhaal dat hij mooie dingen heeft nagelaten die nu over de hele wereld worden tentoongesteld. Ze glimlacht weer.

“Zij voert nog steeds een stijd voor haar rechten.”

Ik vertel haar dat men hem zijn paspoort afnam bij zijn opname in de psychiatrische instelling en dat hij daarop voor zichzelf een paspoort heeft gemaakt waarop staat dat hij mandenvlechter was. “Ja, natuurlijk zegt ze. Gelijk had hij, hé. Verschrikkelijk dat ze zijn paspoort hebben afgenomen. Natuurlijk reageer je daarop.”

Strijd

Door de heftigheid waarmee ze hem opnieuw verdedigt, bedenk ik nu dat zij en Mesmer misschien wel meer gelijkenissen vertonen dan ik eerst dacht. Ik besef plots ten volle dat ze die gelijkenis met hem zelf zeer sterk aanvoelt zonder die dusdanig te vermelden. Ook zij voert nog steeds die strijd, een strijd voor haar rechten, een strijd die begon op haar negentiende bij die eerste gedwongen opname.

“Haar triestheid kan ik delen.”

De gemompelde woorden op vraag naar haar familie, haar lijden en haar pijn, de wereld waarin ze woont en doolt, dit alles verdwijnt als ze Gustav Mesmer verdedigt, als ze verwijst naar zijn rechten en het onrecht dat hem werd aangedaan.

Ze herhaalt nog eens dat het lang geleden is allemaal, zij en ik op die afdeling in C. Ze vraagt zich af waar de tijd zo snel naartoe is gegaan. Haar triestheid om haar voorbije jeugd kan ik delen als ik aan mezelf denk.

Droom

Ik knik en staar een beetje voor me uit en ik ben plots weer blij als ze zegt: “Maar weet je de psycholoog die ik nu heb, is ook heel erg goed. Ik heb er heel veel aan.” Ik kijk haar weer glimlachend aan en besef dat ook mijn collega die haar nu begeleidt het moet hebben gezien. Ook hij weet wie ze, ondanks de vele opnames, is gebleven: iemand die lijdt maar die ondanks haar psychisch lijden nooit haar trots is kwijtgeraakt.

Ik neem afscheid en laat haar daar achter op die mooie zomerse dag in de tuin, dichtbij die fantastische vliegmachines van iemand die ondanks de miserie toch bleef dromen en omwille van die droom, ook nu nog zoveel respect en ontroering teweeg brengt bij een groot publiek.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen