Ruimte voor het onverwachte

Katrien Ruytjens, Ellen Van Stichel

Leuven, LannooCampus, 2016, 136 p

In 1996 schreef Trees Dehaene de eerste “Ruimte voor het onverwachte”. Een boek dat tot nadenken stemde in een wereld die alsmaar meer ‘maakbaar’ werd. Een auteur die meer dan één steen verlegd heeft in de rivier. Gaat het hier om een herwerking of een nieuw boek? Mijn nieuwsgierigheid was alvast gewekt.

Illusie

Psychiater Dirk De Wachter formuleert het al onmiddellijk heel raak in zijn voorwoord: “Dit boek legt uit hoe we persoonlijk en als samenleving in de constante illusie van de totale controle en maakbaarheid leven. En hoe we daardoor diep vallen als het anders loopt dan gedacht. Maar ook hoe we daardoor mogelijk heel wat onverwachte schoonheid mislopen.” Daarmee is de nieuwsgierigheid nog verder aangescherpt.

“Totale controle is een illusie.”

Het boek valt uiteen in vijf hoofdstukken met tussendoor poëtische tekstjes, beschouwingen en cursiefjes. Soms gaat het om fragmenten uit boeken, zowel fictie als non-fictie, van Bernard Dewulf tot Manu Keirse. Een andere keer is het een uitgeschreven tekst van een video-opname met zanger Luc De Vos of een tekst van kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen.

Tegenover het streven naar controle en beheersbaarheid stellen de auteurs de kracht van loslaten en ontvankelijkheid. Die auteurs zijn theologe Katrien Ruytjens en Ellen Van Stichel, stafmedewerker bij Fara, luister- en informatiepunt rond zwangerschapskeuzes.

Het is ook vanuit de voorloper van Fara, het centrum voor Relatievorming en Zwangerschapsproblemen, dat Trees Dehaene het eerste boek schreef. Daarmee is die ‘ruimte voor het onverwachte’ meteen een soort missie voor de organisatie.

Wachten en verwachten

Het eerste deel van het boek gaat in op de torenhoge verwachtingen die op ons afkomen en die we onszelf opleggen. Veel ‘moet’, en liefst direct. “Vanavond besteld, morgen geleverd!” Zoals een kind in zijn ontwikkeling moet leren dat niet alles kan en zijn behoeftes moet kunnen uitstellen, zo moeten ook wij als mens en als samenleving leren ‘verwachten’.

We moeten leren openstaan voor wat op ons afkomt. De verwondering weer een kans geven. Dat is “geen kwestie van positivisme of naïef hopen, maar wel van het loslaten van het idee dat de toekomst volledig maakbaar is”.

Hierbij zoomt men ook in op de mogelijkheid om betekenis te geven aan wat (onverwacht) op je afkomt via het vertellen van levensverhalen. Door te vertellen ontstaat herkenning en een gedeelde visie.

Vriend en vijand

Ons lichaam is meer dan een ‘verbeterbaar’ uiterlijk. Ook al is er een miljardenindustrie die inzet op gezond leven en lichaamscultus, nooit was de gezondheidskloof in onze samenleving zo groot. Mensen die arm zijn, een burn-out hebben, ziek zijn of afhankelijk van zorg, ervaren dit heel anders. Ons lichaam kan dan zowel vriend als vijand zijn.

“Nooit was de gezondheidskloof zo groot.”

Hierbij gaat men in op het schoonheidsideaal en op schaamte. Hoe spelen maatschappelijke normen hier een rol? Er is de vergankelijkheid van ons lichaam, “wat botox- of sciencefictionberichten ons ook willen laten geloven. (…) Onze kwetsbaarheid wordt nergens méér duidelijk dan in ons lichaam.” Tegelijk wijzen de auteurs ook op de kracht van de aanraking.

Het andere kind

‘Een kind is altijd anders’ is de titel van een hoofdstuk dat me bijzonder aansprak. We hebben torenhoge verwachtingen over het ouderschap. En ook hier is een hele ‘commercie’ rond gebouwd. Maar je kan je kind wel perfect dromen, je zal het toch moeten aanvaarden zoals het is. Dit hoofdstuk maakt ook de band met het ouderschap. Ook hierin zal je vlug moeten toegeven dat je niet de ideale ouder bent. Vandaar het pleidooi voor ‘goed genoeg’-ouderschap.

De auteurs citeren fertiliteitsarts Petra De Sutter: “Ieder mens heeft recht op een kinderwens, maar het recht op een kind is niet absoluut en het belang van het kind staat altijd voorop. Het recht van een kind op goede ouders primeert altijd.” Ook ten aanzien van kinderen ‘krijgen’ en ouderschap pleiten de auteurs om realistische verwachtingen te koesteren in plaats van eigen projecties en dromen voor waar te houden.

Prenatale tests

De mogelijkheden van prenatale testen zijn de laatste jaren enorm toegenomen. Dat is een van de domeinen waarop Fara uitgesproken actief is. Die testen introduceren het idee dat de eerste helft van de zwangerschap ‘voorwaardelijk’ is. Ouders en grootouders willen eerst weten of alles in orde is, vooraleer ze zich hechten aan hun toekomstig kind. Terwijl er eigenlijk maar een soort ‘valse’ zekerheid geboden wordt. Heel wat ziektes of handicaps kunnen we immers nog niet prenataal opsporen.

“De eerste helft van de zwangerschap is voorwaardelijk.”

Hoe meer we het domein van de vruchtbaarheid en de zwangerschap beheersen, hoe moeilijker we omgaan met wat er kan mislopen. Wanneer mensen niet kiezen voor die prenatale tests, lijkt het wel of ze zich daarvoor moeten verantwoorden. Eenzelfde claim bestaat er tegenover keuzes inzake in vitro fertilisatie of zelfs over het al dan niet geven van borstvoeding. Moet alles geregeld worden of kunnen we nog vertrouwen op ons instinct?

Gekwetst leven

Kunnen mensen nog om met onzekerheid en tegenslag? Soms grijpen ze naar drugs of alcohol als vlucht voor wat op hen afkomt. Of zoekt men naar schuldigen. Brute pech is moeilijk te aanvaarden als uitleg.

Toch zijn er mensen die een ongelooflijke veerkracht aan de dag leggen. De herdenking van de aanslagen van 22 maart 2016 in Zaventem en Brussel liet zien hoe mensen samen het onheil dat hen overkomt kunnen dragen. En er misschien ook een zekere betekenis aan geven.

In dit deel wordt ook ingegaan op ‘zinloos’ lijden, waar we nooit een greep op kunnen krijgen, waar nooit een zinnige verklaring voor te geven is. Aanvaarden of loslaten, is dan geen ideaal antwoord. Palliatieve-zorgarts Marc Desmet pleit voor het “anders leren vasthouden”. Sociale steun is hierbij erg belangrijk. Maar ook de verbondenheid met een ‘dragende grond’. Dat kan een God zijn of vertrouwen in het leven of het lot, op iets dat overstijgt.

 “Sociale steun is erg belangrijk.”

De auteurs stellen dat we ons kunnen ‘oefenen’ in het omgaan met gekwetst leven. Dat noemen ze dagelijkse rouw: het loslaten van dromen en verwachtingen. Het hoofdstuk eindigt met een waarheid als een koe: “Wie zich bewust is van de dood, leeft intenser en voller.”

Controlitis

De volledige titel van dit hoofdstuk is: ‘Over controlitis, kwetsbaarheid en klimaatverandering’. Beetje rare combinatie. In dit hoofdstuk wordt onder meer ingegaan op het zogenaamde ‘dertigersdilemma’: de keuzestress die piekt in deze leeftijdsperiode. Alles moet kunnen. Maar dat kan natuurlijk niet. Soms spreekt men wel eens van een vervroegde midlifecrisis of van de ‘yeppies’, de young experimental perfection seekers.

De auteurs stellen dat controlitis wel het nieuwe ‘grote verhaal’ lijkt. Zelfs in de zorg. De sector bij uitstek waarin men geconfronteerd wordt met onvolmaaktheid en kwetsbaarheid laat zich moeilijk meten. “Goede zorg heeft minder met afvinken en meer met aanvoelen te maken.” Met de grote maatschappelijke uitdagingen is dat net zo. Tegen klimaatverandering, vluchtelingenstromen en terreur kan men zich niet via een verzekering indekken.

 “Een open samenleving is steeds kwetsbaar.”

Angst die gecultiveerd wordt, verlamt. Vaak hangen angst (voor het onbekende) en agressie samen. Veiligheidsmaatregelen blijken ontoereikend. Muren optrekken rond onze onzekerheden werkt niet. Een open samenleving is steeds kwetsbaar en zal ook met die kwetsbaarheid moeten leren omgaan. Of zoals politiek filosoof en jongerenwerker Bleri Lleshi stelt: als we open willen zijn, zullen we kwetsbaar moeten zijn. Naïef? Of de enige optie voor een leefbare samenleving?

Open op de wereld

Waarom leest men een bepaald boek? Omdat men hoopt iets bij te leren? Uit nieuwsgierigheid of omdat men bevestiging zoekt van de eigen visie? Of nog andere redenen. Waarschijnlijk een combinatie van dat alles.

Na het lezen van dit boek heb ik niet de indruk dat ik echt veel bijgeleerd heb. Wel was er een grote dosis herkenning en bevestiging. Gelukkig zonder déjà-vue en met heel wat eye-openers: zaken die me deden stilstaan, nadenken, anders kijken…

Het boek is een pleidooi voor echte ontmoetingen met wat en wie ‘anders’ is. Want daaruit leren we. Onder meer: relativeren. Het nodigt uit om meer open en ontvankelijk in het leven te staan. En daarmee toch maar weer in te gaan tegen de nog steeds groeiende tendens tot controle en beheersbaarheid.

 “Het boek doet nadenken over waartoe we hulp verlenen.”

Is dit een boek voor hulpverleners? Zeker, want hulpverlenen is ook omgaan met het onverwachte en hulpvragers leren omgaan met wat op hun weg komt. Biedt dit boek daarvoor recepten? Nee, maar het doet wel nadenken over waartoe we hulp verlenen. Het verruimt de blik en maakt misschien wel milder voor de vaak erge zaken waarmee we geconfronteerd worden. Zonder het goed te praten of de verontwaardiging te verliezen voor maatschappelijk onrecht.

En dan was er nog mijn nieuwsgierigheid naar wat de auteurs gedaan hebben met het oorspronkelijke boek van Trees Dehaene. Ze vatten het zelf nog het best samen in de epiloog: “We hebben het gedachtegoed van Trees Dehaene in nieuwe woorden gegoten. De ideeën van Trees blijken allesbehalve verouderd.” En dat is ook zoals ik het boek ervaren heb. Wie schrijft, die blijft, geldt dus zeker ook voor Trees Dehaene. En wie leest, opent zijn ogen op de wereld?

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen