De staat van de welvaartsstaat

Bea Cantillon m.m.v. Linde Buysse

Leuven, Acco, 2016, 555 p

De staat van de welvaartsstaat is een uitgebreid werkstuk van professor Bea Cantillon. Deze toonaangevende academica probeert met meer dan 500 pagina’s een stand van zaken op te maken van onze welvaartsstaat.

Samenhang en tegenstelling

Deze turf kan je niet bespreken op één pagina. De lezer krijgt een uitgebreide toelichting bij achtergrond en werking van het sociaal beleid in België. Dit wordt gevat in een historisch en geografisch perspectief.

“Deze turf kan je niet bespreken op één pagina.”

Voor de auteurs zijn de welvaartsstaat en onze kapitalistische levenswijze onafscheidelijk met elkaar verbonden. Hun ingewikkelde relatie is er terzelfdertijd eentje van samenhang én van tegenstelling.

Het belang van de sociale partners en van het middenveld bij de totstandkoming en verderzetting van de welvaartsstaat kan volgens Cantillon niet voldoende worden beklemtoond.

Nooit af

Sociaal beleid is nooit af. Het moet voortdurend bijgesteld worden in functie van demografische, sociale en economische evoluties.

“Migratie vereist nieuwe beleidsaccenten.”

Zo plaveide de spectaculaire arbeidsemancipatie van de vrouw de weg voor tijdskrediet, ouderschapsverlof en ondersteunend beleid voor kinderopvang. De vergrijzing en verzilvering van de bevolking zet de huidige pensioenregeling onder druk. En migratie en vluchtelingenopvang vereisen nieuwe beleidsaccenten.

Minder bescherming, meer activering

Er is een evolutie merkbaar van een verzorgingsstaat naar een sociale investeringsstaat. Bij deze laatste ligt het accent veel meer op activering.

De welvaartsstaat werd de voorbije decennia voor de meest kwetsbare gezinnen minder zeker, minder sociaal en minder beschermend. In plaats daarvan werd voluit ingezet op arbeidsparticipatie (‘jobs, jobs, jobs’). Deze wordt gemaximaliseerd, onder andere via een meer directieve en punitieve opstelling.

Vooruitgang geboekt

Toch is het niet alleen een verhaal van kommer en kwel. Vergeleken met andere landen, is de ongelijkheid in België niet dramatisch, ondanks ons eerder rigide sociale beleidssysteem.

“Het is niet alleen kommer en kwel.”

Het armoederisico is niet verslechterd, zelfs lichtjes gedaald ten opzichte van 1994. Bovendien wijzen de periodieke PISA-studies uit dat we over een sterk onderwijssysteem beschikken. En dat is cruciaal want onderwijs vormt een springplank naar toekomstige werkzekerheid. Al mogen we hier niet blind zijn voor de grote prestatieverschillen tussen autochtone en allochtone kinderen en jongeren.

Op enkele welvaartsindicatoren werd er de voorbije vijftig jaar belangrijke vooruitgang geboekt: het aantal woningen in eigendom, het volgen van hogere studies of het aantal personenwagens. Naast scholingsgraad is ook de arbeidsparticipatie van vrouwen exponentieel toegenomen. De reële arbeidstijd is intussen duidelijk afgenomen.

Winnaars en verliezers

Maar waar er winnaars zijn, zijn er ook verliezers. Ondanks de groei in tewerkstelling blijven enkele groepen bijzonder kwetsbaar: laaggeschoolden en migranten.

“Enkele groepen blijven bijzonder kwetsbaar.”

De tewerkstellingsgraad van laaggeschoolden in België is alarmerend. Bij de weinige jobs die er voor laaggeschoolden zijn, dreigt bovendien een verdringingsrisico door hoger geschoolden. Want ook voor deze laatsten zijn er, bijvoorbeeld door technologische evoluties, minder jobs beschikbaar.

De auteurs wijzen uitdrukkelijk op deze toegenomen spanningen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het ‘optillen van de bodem’ blijkt een cruciale maar bijzonder moeilijke en weerbarstige evenwichtsoefening.

Het ideaal van volledige tewerkstelling met voor iedereen adequate lonen en voldoende sociale bescherming wordt door Cantillon dan ook omschreven als een moeilijk oplosbaar ‘trilemma’.

Mattheüseffect

Bij het voeren van sociaal beleid loeren Mattheüseffecten om de hoek. Deze verwijzen naar het risico dat sommige geprivilegieerde groepen onbedoeld bevoordeeld kunnen worden door bepaalde sociale maatregelen.

Zo blijkt de financiële ondersteuning van de kinderopvang eerder hogere dan lagere verdieners ten goede te komen. Hetzelfde geldt voor de subsidiëring van het hoger onderwijs.

Basisinkomen

Cantillon pleit voor een waardering van niet-verloonde zorgarbeid. Ze wijst tevens op het gevaar van een al te meritocratische opstelling. Niet iedereen kan kansen steeds optimaal benutten. Er zijn grenzen aan de individuele verantwoordelijkheid van mensen.

“Er zijn grenzen aan de individuele verantwoordelijkheid.”

De ‘sociale gradiënt’ speelt een belangrijke rol bij de verdeling van kansen, talenten en sociale risico’s. Het behoren tot een sociaal-economische groep heeft wel degelijk een impact op iemands kansen in het leven.

Pas helemaal aan het einde wordt de opportuniteit van een basisinkomen behandeld. Hoewel haar illustere voorganger Herman Deleeck eerder weigerachtig stond, lijkt Cantillon wat genuanceerder. Toch wijst ook zij op een aantal angels.

Concentratie vereist

Bijna onvermijdelijk komt er in dit boek nogal wat sociologisch en sociaal-economisch jargon om de hoek kijken. Dit bemoeilijkt het lezen.

Vergeet het om dit werk in één ruk uit te lezen. Daarvoor is te veel concentratie vereist bij de soms ingewikkelde systematiek achter bijvoorbeeld ons sociale zekerheidsstelsel. Hetzelfde geldt voor de interpretatie van de talrijke tabellen en grafieken.

Niettemin bevat dit boek een schat aan historische en actuele informatie die grondig onderbouwd wordt. Verplichte lectuur voor beleidsverantwoordelijken in dit land.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen