Woonbegeleiding voor kwetsbare jongvolwassenen

Betere afstemming zorgt voor minder fricties

In de jeugd- en volwassenhulp ontstonden diensten en werkvormen die een combinatie van wonen en mobiele begeleiding aanbieden. Die initiatieven mikken op jongeren en jongvolwassenen die het moeilijk hebben om zelfstandig te wonen. Maar dat uiteenlopend aanbod maakt dat de overgang tussen jeugd- en volwassenhulp niet altijd naadloos verloopt. Een onderzoek van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin brengt dat in kaart en reikt oplossingen aan.

© Minor Ndako
© Minor Ndako

Betere samenwerking

Al in de vorige legislatuur zette Vlaams minister Vandeurzen met het ‘Actieplan maatschappelijk kwetsbare jongvolwassenen’ in op een meer gestroomlijnde hulpverlening voor jongvolwassenen. Eén van de beleidssporen is het verbeteren van de samenwerking tussen diensten die inzetten op het zelfstandig wonen van jongeren en jongvolwassenen.

Het gaat dan om de diensten die binnen de bijzondere jeugdzorg de module ‘contextbegeleiding in het kader van autonoom wonen’ (CBAW) aanbieden en de diensten van de Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) die de typemodule ‘begeleid zelfstandig wonen’ (BZW) aanbieden.

Verschillende onderzoeksvragen

Om te komen tot betere samenwerking en afstemming is inzicht nodig in de jongeren die gebruik maken van de verschillende vormen van begeleid wonen, de manier waarop de diensten de begeleiding invullen en hoe de jongeren zelf de begeleiding ervaren. Op vraag van de minister onderzocht het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin deze aspecten van vraag en aanbod.

“Wie stroomt in?”

In dit onderzoeksproject stonden verschillende vragen centraal. Wat zijn de kenmerken van de instromers in de twee sectoren? Waaruit bestaat de begeleiding? Hoe krijgt het methodisch handelen vorm in de praktijk? Wat zijn de werkzame factoren van hun aanbod vanuit het perspectief van de jongere?

Onderzoeksopzet

Het onderzoek bestond uit vier fasen. Het eerste gedeelte omvatte een profielbevraging van alle jongeren in BZW- en CBAW-diensten. Aan alle diensten werd een vragenlijst voorgelegd die de praktijkwerkers al dan niet samen met de jongeren invulden. In totaal werden gegevens verzameld van 160 BZW-jongeren en 322 CBAW-jongeren.

In het tweede deel van het onderzoek vroegen we aan telkens vijf diensten uit de twee sectoren om hun methodiek te expliciteren en te beschrijven, voortbouwend op het model van het Nederlands Jeugdinstituut. Op die manier kregen we een beeld van de inhoud van de begeleiding. Deze methodiekbeschrijving biedt een zicht op de doelgroep, doelstellingen, werkwijze, achterliggende theoretische onderbouw en werkzame ingrediënten.

Het derde gedeelte onderzocht wat er concreet gebeurt in de begeleiding. Hiervoor werden bij de jongeren interviews afgenomen over de inhoud, het proces en de werkzame factoren van de begeleiding. Daarnaast werd er per geïnterviewde jongere een kader ingevuld door de begeleiders met de doelstellingen van de begeleiding, de evaluatie, de knelpunten en mogelijk optimaliserende factoren. In totaal werden 10 CBAW- en 7 BZW-jongeren en jongvolwassenen bevraagd.

De vierde fase van het onderzoek bestond uit een denk- en dialoogdag met vertegenwoordigers van de diensten die meewerkten aan het onderzoek en vanuit de verschillende betrokken administraties. Op deze dag werden de eerste onderzoeksresultaten en aanbevelingen voorgelegd en besproken. De onderzoekers konden er het draagvlak voor de verschillende aanbevelingen aftoetsen.

Inkomen en opleiding

De verdeling man-vrouw is in beide sectoren gelijklopend: er zijn bijna evenveel mannen als vrouwen in begeleiding. De verdeling van leeftijd hangt in beide sectoren samen met de regelgeving en de instroomcriteria. Zo kan men in de BZW-diensten terecht tussen 16 en 25 jaar en in de CBAW-diensten tussen 16 en 21 jaar. In de BZW-diensten is de leeftijd van de grootste groep jongeren tussen 17 en 20 jaar. In BZW zien we dat 44% van de jongeren die begeleid wordt 20 jaar of jonger is.

Bij de analyse van de onderzoeksgegevens zien we in beide sectoren een grote kwetsbaarheid van de jongeren. Deze kwetsbaarheid uit zich vooral op de materiële levensdomeinen: inkomen, opleiding en huisvesting. En ondertussen weten we dat wie op die domeinen kwetsbaar is, een hoog risico loopt om in armoede terecht te komen.

“Deze jongeren zijn maatschappelijk kwetsbaar.”

Wat het inkomen betreft, is de belangrijkste inkomensbron voor CABW-jongeren het leefloon (31%), de verblijfssubsidie jongerenwelzijn (18%) en de kinderbijslag (17%). Ook voor jongeren in BZW is het leefloon de belangrijkste inkomensbron (45%), gevolgd door een inkomen uit arbeid en tewerkstelling (22%). In de interviews geven jongeren en jongvolwassenen uit beide sectoren aan moeilijk of niet rond te komen met hun beperkt budget.

Bij het statuut van de jongeren zien we dat 62% van de jongeren in CBAW een opleiding volgt op het moment van de bevraging. Voor BZW is dat 25%. Bij de helft van de jongeren in CBAW wordt ook samengewerkt met de school. Eén op vier CBAW-jongeren is werkloos, ten opzichte van één of vijf jongeren in BZW. Qua opleidingsniveau zien we in beide sectoren een grote groep jongeren die gestopt is met school en enkel een diploma lager onderwijs (45% CBAW, 32% BZW) of geen diploma heeft (25% CBAW en BZW).

Precaire woonsituatie

Op vlak van huisvesting huurt één op twee jongeren op de privémarkt, één op drie huurt binnen de sociale huisvesting. Interviews met de jongeren wijzen op grote verschillen in de kwaliteit van de woningen.

Als de woonkwaliteit gebrekkig is, dan weegt dat zwaar op de jonge bewoners. Een aantal jongeren was al één of zelfs twee keer verhuisd tijdens de relatief korte duur van de begeleiding. Dat bevestigt de precaire woonsituatie van deze groep.

“Eén op twee jongeren huurt op de privémarkt.”

Wat betreft samenwerking met andere diensten zien we dat er een aantal overeenkomsten zijn in de diensten waarop CBAW- en BZW-jongeren beroep doen. Jongeren in beide sectoren doen voornamelijk beroep op het OCMW en VDAB. Daarnaast zijn er bij heel wat jongeren één of meerdere hulpverleningsdiensten betrokken.

Verschillende instroom

In beide sectoren zien we dat ongeveer twee op tien jongeren instromen zonder vorm van hulpverlening drie maanden voorafgaand aan de start van de CBAW- of BZW-begeleiding. Ongeveer 40% van de CBAW-jongeren stroomt door uit een residentiële instelling. Eén op vijf heeft in de drie voorafgaande maanden contextbegeleiding aan huis gekregen. In BZW ligt dat anders: één op vijf stroomt door vanuit een residentieel opvangcentrum voor thuislozen.

Opvallend blijft wel dat voor een aanzienlijke groep van de CBAW-jongeren in de drie maanden voor de start geen begeleiding kregen vanuit een andere hulpverleningsvorm.

Begeleidingsdomeinen

Op welke begeleidingsdomeinen krijgen jongeren ondersteuning? Ook daar liggen er verschillen. Zo zien we dat CBAW-diensten gemiddeld op negen domeinen begeleiding bieden, terwijl dit bij de BZW-diensten gemiddeld zeven domeinen zijn. Door de CBAW-diensten wordt er vaker ondersteund op vlak van school, informeel sociaal netwerk, sociale vaardigheden en problemen rond het gezin.

Maar er is ook een sterke overlap in de domeinen van ondersteuning. Zo krijgen jongeren uit beide sectoren begeleiding op vlak van administratie, budget, woonvaardigheden, het vinden van werk en het samenwerken met andere diensten.

Een extra verschilpunt betreft de samenstelling van het huishouden. In BZW zien we dat 18% van de jongeren samenwoont met zijn of haar kind waar dit voor CBAW 8% van de jongeren betreft.

Integrale aanpak

Wanneer we de sectoren vergelijken op basis van de wijze waarop ze hun methodiek beschrijven, zien we opvallende verschillen op vlak van taalgebruik en vakjargon. Maar er zijn ook heel wat overeenkomsten, onder andere op vlak van doelstellingen en concreet handelen.

“De begeleiding is toegespitst op heel wat levensdomeinen.”

Uit de methodiekbeschrijving blijkt een duidelijke fasering van de aanpak: zowel de instroomfase als de begeleidingsfase zijn duidelijk gestructureerd. In beide sectoren komt een integrale aanpak tot uiting. Hiermee bedoelen we dat de begeleiding toegespitst kan worden op heel wat verschillende levensdomeinen. De levensdomeinen financiën en administratie zijn het meest transparant uitgeschreven.

Andere organisaties

Met betrekking tot de samenwerking met andere organisaties benadrukken de diensten uit beide sectoren dat dit gebeurt met toestemming van de jongere. Maar waaruit die samenwerking bestaat of kan bestaan, wordt in de methodiekbeschrijving niet helemaal duidelijk.

Een belangrijk verschilpunt vormt de rol van de verwijzer. In geval van een tussenkomst van het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of de sociale dienst van de jeugdrechtbank geven de CBAW-diensten aan dat deze een belangrijke rol speelt in de opstartfase (meegeven van doelstellingen) en in de afrondingsfase (beslissing over einde van hulpverlening).

Er wordt in beide sectoren veel waarde gehecht aan de basishouding van de hulpverlener. De mate waarin het netwerkversterkend werken is uitgewerkt, verschilt. De diensten geven zelf aan hier de laatste tijd veel meer op in te zetten. Tegelijkertijd zijn ze zoekend om dit te vertalen in het dagelijkse handelen van de begeleiders.

Beperkte aanbodsverschillen

Globaal besluit: er zijn geen fundamentele verschillen in de manier van werken tussen de twee sectoren. Beide sectoren werken integraal, met veel aandacht voor praktische zaken die geregeld moeten worden als jongeren of jongvolwassenen zelfstandig wonen.

In de CBAW-diensten gaat er wel meer aandacht naar de school en de relatie met de ouders, ook al zien de jongeren dat niet altijd zitten. Dit is mogelijk één van de wijzen waarop de meer aanklampende houding van de CBAW-diensten tot uiting komt. Tegelijkertijd geven de BZW-diensten aan ook aanklampend te werken wanneer de jongere minderjarig is.

De zesmaandelijkse evaluatie zorgt ervoor dat binnen CBAW-diensten meer aandacht is voor het ‘tijdig’ afronden. CBAW-diensten hechten meer belang aan het stopzetten van de hulpverlening, als die ‘niet meer nodig is’. Uit de registratiecijfers blijkt ook dat de begeleiding door CBAW-diensten minder lang duurt dan bij de BZW-diensten.

Perspectief van de jongere

Jongeren zijn erg positief over hun begeleider en de begeleiding. Positief vinden ze de integraliteit van de begeleiding, het werken op hun tempo en het bieden van emotionele ondersteuning.

“Jongeren zijn erg positief over hun begeleider.”

Aandachtspunten zijn het garanderen van een warme overdracht vanuit de eerdere jeugdhulpverlening en het soms verplichte karakter van het wekelijkse contact. Als we de interviews vergelijken, valt ook telkens de vraaggerichte aanpak op. Er wordt ingespeeld op de vragen en het profiel van de jongere. Het valt op dat begeleidingen een erg uiteenlopende invulling krijgen.

De begeleider is een belangrijk ankerpunt voor de jongere, aangezien het sociale netwerk niet altijd even sterk is. Jongeren zijn niet altijd voorstander om te werken rond dat sociale netwerk. Context- en netwerkgericht werken blijken niet vanzelfsprekend voor deze jongeren, met name het versterken van de ruimere sociale context buiten de eigen familie wordt genoemd (vrienden, buurt…).

Begeleiders willen meer maatwerk

Voor elke geïnterviewde jongere vulden de begeleiders een kader in met de doelstellingen van de begeleiding, de evaluatie, knelpunten en mogelijk optimaliserende factoren. In dat kader worden heel wat gemeenschappelijke doelstellingen op vlak van financiën, administratie, dagbesteding en huisvesting geformuleerd. Toch vermelden ze ook een aantal specifieke doelstellingen op maat van de jongere.

“De begeleiding van niet-begeleide vluchtelingen is bijzonder complex.”

De begeleiders geven aan dat zij meer tijd willen investeren in de jongere om meer op zijn tempo en maat te kunnen werken. Ze signaleren ook dat de begeleiding van niet-begeleide vluchtelingen bijzonder complex is. Daarnaast wijzen de begeleiders op de uitsluiting op de arbeids- en huisvestingsmarkt, en op het door de begeleider gesignaleerde gebrek aan motivatie bij sommige jongeren, waardoor het niet zo evident is om met hen vooruitgang te boeken

Strijd tegen kwetsbare overgangsfase

Op basis van deze vaststellingen formuleren we aanbevelingen over de jongvolwassenheid als kwetsbare overgangsfase, over de samenwerking tussen beide sectoren en met andere diensten.

De jongeren die gebruik maken van de CBAW- of BZW-begeleiding zijn maatschappelijk erg kwetsbaar. Zij staan veel vroeger dan hun leeftijdsgenoten op eigen benen. Bovendien dienen ze vaak rond te komen met een leefloon dat nauwelijks volstaat, zeker wanneer jongeren huren op de privémarkt.

Deze jongvolwassenen staan ook in de sociale zekerheid onder druk. Zo krijgen ze door recente maatregelen minder snel toegang tot de werkloosheidsverzekering.

OCMW als sleutelpartner

De juiste beleidskeuzes kunnen op dit vlak een verschil maken. Zo moet er voortdurende beleidsaandacht zijn voor maatregelen die schooluitval vermijden, zeker gezien de kwetsbaarheid van deze groep op vlak van onderwijs en opleiding.

“Op vlak van huisvesting zijn gerichte initiatieven nodig.”

Op vlak van huisvesting zijn gerichte initiatieven nodig. Zo moeten het aanbod van sociale huurwoningen en sociale verhuurkantoren uitgebreid worden. En het OCMW moet haar rol als sleutelpartner optimaal benutten door werk te maken van een emancipatorische begeleiding die jongeren kansen biedt. In dat kader zou bijvoorbeeld de anonimisering van de huurwaarborg en het versterken van het recht op een installatiepremie evident moeten zijn.

Hoe beter afstemmen?

Uit het onderzoek blijkt dat er heel wat overeenkomsten tussen CBAW- en BZW-diensten zijn qua vraag- en aanbodzijde. Beide begeleidingsvormen bevinden zich op de wip tussen jeugd- en volwassenhulp. Volgens ons zijn er drie beleidssporen die de afstemming tussen CBAW- en BZW-diensten verbeteren. Ze hebben elk hun voor- en nadelen.

“Drie beleidssporen kunnen leiden tot meer afstemming.”

De eerste piste is om de situatie grotendeels te behouden. Daarbij moet, inspelend op de vraag van de jongere, de maximumleeftijd van de CBAW-diensten verhoogd worden. Het behoud van de CBAW-diensten binnen de jeugdhulp is nodig omdat op die manier een kwaliteitsvolle overdracht verzekerd is. De CBAW-diensten zijn ontstaan binnen de jeugdhulp en zijn daarom vertrouwd met de manier van werken binnen deze sector. Dit biedt de jongeren ook een terugvalbasis wanneer het nodig is.

Dat sluit ook aan bij andere Europese landen die bijzondere aandacht hebben voor jongeren die de jeugdhulp verlaten en meer garanties voor hen inbouwen.Carrette, V. (2012), ‘Achttien en op eigen benen: Een internationaal perspectief op de transitie van de jeugdzorg naar een zelfstandig leven’, Tijdschrift voor Jeugd- en Kinderrechten, 4, 308-322.

Die terugvalbasis sluit ook aan bij de aanbevelingen van jongerenorganisatie Cachet vzw. Die voert een pleidooi voor een vaste trajectbegeleider, gids of vertrouwenspersoon voor jongeren in de jeugdhulp. Nadeel is wel dat de huidige capaciteit mogelijk voor minder jongeren kan ingezet worden.

Van twee naar één

Een andere optie is om de CBAW-dienten onder te brengen bij de Centra voor Algemeen Welzijnswerk. Op die manier wordt het begeleid zelfstandig wonen ook rechtstreeks toegankelijk voor de jongere. De terugvalbasis van de jongere is verzekerd, net omdat de hulp verankerd is in de volwassenhulp.

Bovendien bieden de CAW nu al een jongerenonthaal aan. Op die manier kan het stigma van de ‘bijzondere’ jeugdzorg verminderd worden. De CAW zijn ook meer dan de CBAW-diensten verankerd in netwerken met andere diensten voor volwassenen zoals sociale huisvesting, OCMW en VDAB.

Uitzondering zijn de scholen: daar hebben de CBAW-diensten een sterker netwerk. Het belangrijkste tegenargument is dat de warme overdracht vanuit de bijzondere jeugdzorg in gevaar komt.

Bruggen versterken

Een derde piste: behoud de huidige situatie en versterk de brug tussen beide sectoren. Dit is een piste die al lang wordt benadrukt, maar die in de praktijk niet zo evident blijkt.

Op de denk- en dialoogdag gaven de professionals wel aan dat men mekaar al beter kent. Toch geven de professionals aan dat de samenwerking nog steeds afhankelijk blijft van de regio waarin men opereert en van betrokken individuele hulpverleners.

“Samenwerking blijft afhankelijk van de regio.”

Op de stuurgroep van het project werd nog een vierde piste geschetst die beschouwd kan worden als een concretisering van de derde piste. Die bestaat erin dat de jongere onder de 18 jaar omwille van zijn voortraject in de jeugdhulpverlening instroomt in een CBAW-dienst. Die instroom wordt gecombineerd met een snelle opstart van co-begeleiding vanuit het CAW en met een tijdige overdracht naar het CAW. De reden voor die overdracht is dat CAW sterker verankerd zijn in de bestaande netwerken in de volwassenhulpverlening.

Op basis van dit overzicht zijn er voor- en tegenargumenten voor de drie opties. De tweede piste is het meest radicaal. De CBAW-diensten plaatsten dan ook de meeste vraagtekens bij deze piste.

Optimalisering hulpverlening

Naast de vraag door wie die hulpverlening wordt georganiseerd, is de vraag wat voor soort hulpverlening wordt aangeboden even belangrijk.

Ons lijkt het in ieder geval noodzakelijk dat samenwerking tussen beide sectoren niet afhankelijk is van de regio of van de individuele hulpverlener. Men moet meer inzetten op co-begeleiding en expertise-uitwisseling tussen praktijkwerkers uit beide sectoren.

“Er moet meer ingezet worden op co-begeleiding.”

Jongeren moeten tot ze 21 jaar oud zijn, kunnen terugvallen op de CBAW-dienst. Die mogelijkheid is nu al wel decretaal geregeld, maar kan beter benut worden door het inzetten op nazorg, al dan niet aanklampend. De hulpverlener moet ondersteund worden om een langetermijnperspectief te hanteren, onder andere door hem doorheen de begeleiding voldoende tijd en ruimte te verschaffen. De mogelijkheid om de eindleeftijd van CBAW te verlengen, moet verder onderzocht wordt.

Er moet voldoende aandacht gaan naar de specifieke groep van niet-begeleide minderjarigen die nu op allerlei juridische drempels stoten omwille van hun precair verblijfstatuut.

Samenwerking

Ook over samenwerking, coördinatie en afstemming met andere diensten formuleren we beleidsaanbevelingen. Dit gaat niet alleen over diensten die behoren tot het beleidsdomein welzijn, gezondheid en gezin. Een breed perspectief is hier nodig omdat heel wat cijfers wijzen op de moeilijke overgang naar de volwassenheid voor een aanzienlijke groep jongvolwassenen. Horen onder andere thuis in dat rijtje: onvervulde GGZ-behoefte, jeugdwerkloosheid, schooluitval.

“Hier is een breed perspectief nodig.”

Meer concreet betreft dit de afstemming op maat van de jongeren met de sociale en andere huisvestingsactoren, met het OCMW en de geestelijke gezondheidszorg. Het gaat dan zowel om de toegankelijkheid van de sociale huisvesting als over de afstemming van de verwachtingen ten aanzien van de jongvolwassene.

Voor het OCMW blijven we wijzen op de verschillen die er bestaan tussen gemeenten. Gezien de grote groep jongvolwassenen die een beroep doen op het OCMW, is het voor hen verre van evident om op maat en tempo van de jongvolwassene te werken. Nochtans blijven dit de sleutels om aan duurzame oplossingen te werken.

Op het terrein van geestelijke gezondheid werd op 30 maart 2015 de Gids naar een nieuw geestelijk gezondheidsbeleid voor kinderen en jongeren door de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid goedgekeurd. Dat bepleit een naadloze samenwerking tussen alle relevante actoren. Dit kader biedt heel wat kansen om de begeleiding aan deze jongeren te verbeteren. We zijn dan ook erg benieuwd naar het effect van deze beleidsmaatregelen op de ondersteuning en begeleiding van deze jongeren.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen