Sociale restaurants als armoedebestrijding

Kansen voor sociale tewerkstelling blijven onderbelicht

De sociale restaurants zijn terug. Vlaams minister van armoedebestrijding Liesbeth Homans (N-VA) plaatst met haar 1-euromaaltijden deze restaurants centraal in haar armoedebeleid. Maar hoe ziet het veld van sociale restaurants er uit? En ligt daar de oplossing voor het armoedevraagstuk?

Sociaal restaurant
Sociaal restaurant Parnassus in Gent
© ID/ Bas Bogaerts

Niet nieuw

Sociale restaurants zijn niet nieuw. De eerste sociale restaurants openden in Vlaanderen in de late jaren ‘70. Vooral rond de eeuwwisseling kenden ze een sterke groei. Maar vergeleken met bijvoorbeeld de voedselbanken ontwikkelde deze sociale innovatie zich traag en vooral gefragmenteerd.

“De eerste sociale restaurants openden al eind jaren ’70.”

Er zijn verschillende soorten sociale restaurants. Je hebt de caritatieve restaurants zoals deze van Poverello, maar ook moderne sociale economiebedrijven die open staan voor een breder publiek.

We weten eigenlijk vrij weinig over de rol en betekenis van sociale restaurants in Vlaanderen en Brussel. Ze kwamen tot nu toe in onderzoek maar fragmentarisch aan bod. Deze bijdrage bouwt voort op recent onderzoek van het Vlaams Armoedesteunpunt.Ghys, T. en Oosterlynck, S. (2015), Sociale innovaties bekeken vanuit armoedebestrijding: Sociale restaurants, VLAS-Studies 22, Antwerpen, Vlaams Armoedesteunpunt.

Op basis van een bevraging van 39 sociale restaurants in Vlaanderen schetsen we een beeld van de huidige staat van deze sector. Daarnaast reflecteren we over de rol die deze sociale innovatie vandaag kan spelen in het bestrijden van armoede.

Verkenning van het veld

Sociale restaurants zijn permanente eetgelegenheden waar mensen tegen betaling een warme maaltijd kunnen krijgen. Het verschil met een gewoon restaurant zit hem onder meer in de prijs. Sociale restaurants houden rekening met de beperkte koopkracht van klanten.

Bij een sociaal restaurant gaat het ook om betalende, volwaardige (vaste, warme) maaltijden. We hebben het dus niet over gratis voedselbedelingen of soepkeukens. Ook initiatieven die in de eerste plaats daklozen opvangen (slaapplaatsen) en daaraan een kantine koppelen, zijn een apart concept.

Een andere sociale innovatie die buiten onze afbakening valt, zijn de populaire Limburgse ‘dorpsrestaurants’. Dat zijn geen echte restaurants maar periodieke evenementen, ze zijn bijvoorbeeld enkel open op dinsdag. Daarmee vallen ook allerhande buurtfeesten en kookprojecten waarbij er geen restaurant, is buiten onze definitie.

Cijfers

Het exacte aantal sociale restaurants in Vlaanderen is onbekend. We schatten het aantal ergens tussen de 90 en 150. In het najaar van 2014 contacteerden we 80 sociale restaurants met een schriftelijke bevraging, 39 stuurden een volledig ingevuld formulier terug.

“Sociale restaurants zien ruimte voor verdere groei.”

Uit deze bevraging leren we dat er gemiddeld per restaurant 14.419 maaltijden per jaar worden gekookt, goed voor een dagelijks gemiddelde van 65. De mediaancijfers liggen echter anders: 9.379 maaltijden per jaar, 57 per dag. Een eerste teken van de fragmentatie is het verschil in volume van maaltijden per individueel restaurant. Dat varieert van vier tot 160 maaltijden per dag.

Het is niet zo dat restaurants die weinig borden presteren steeds in kleinere gemeentes voorkomen. Of dat sociale restaurants in kleinere gemeentes geen grote bezetting halen. Het feit dat de meer professionele restaurants het gemiddelde sterk doen stijgen, duidt op de groeimogelijkheden voor deze sector.

Uit de bevraging blijkt dat de meeste restauranthouders dit herkennen en zelf vinden dat er nog ruimte is voor verdere groei.

Sociaal contact

89,5% van sociale restaurants stelt open te staan voor het algemeen publiek. De anderen zijn bedoeld voor een specifieke doelgroep. De restauranthouders geven geldtekort, het onvermogen om zelf te koken maar vooral ook sociaal contact aan als motivatie waarom mensen hen bezoeken.

Voor de maaltijden hanteert iets minder dan een derde van de sociale restaurants één tarief voor iedereen. De anderen hanteren minstens twee tarieven, naargelang de maatschappelijke positie van de klant.

Het gemiddeld goedkoopste tarief voor een hoofdmaaltijd voor mensen in armoede is 3,1 euro. Ook de mediaan is 3,1 euro. De variatie hierop is echter groot: het kan schommelen van 1 tot 7,5 euro.

“Hoeveel is 3,1 euro?”

Sociale restaurants gebruiken verschillende manieren om de kostprijs te drukken, gaande van werken met donaties, vrijwilligerswerk, steun vanuit het OCMW of de gemeente of een combinatie van deze zaken. Veel restaurants gaven aan dat hun maaltijdprijs onder druk staat door financiële onzekerheid, zowel op vlak van subsidies als door gestegen voedselprijzen.

Nu is de vraag natuurlijk: hoeveel is 3,1 euro? Als vergelijking gebruiken we de nieuwste referentiebudgetten voor een minimale levensstandaard. Zij leggen het gemiddeld dagbudget voor voedsel op 5 euro per persoon.Storms, B., Penne, T., Vandelannoote, D. en Van Thielen, L. (2015), Is de minimuminkomensbescherming in ons land doeltreffender geworden sinds 2008? Wat leren we uit de geüpdatete referentiebudgetten?, VLAS-Studies 21, Antwerpen, Vlaams Armoedesteunpunt.

Bij dagelijks gebruik is 3,1 euro voor de middagmaaltijd dus niet echt kostenbesparend voor mensen in armoede. Verschillende restaurantuitbaters maakten de inschatting dat ze de allerarmste groepen niet frequent bereiken. Als periodiek verzetje van ‘op restaurant te gaan’ zijn sociale restaurants echter wel toegankelijk voor mensen met een klein budget.

Autochtone oudere klanten

Naast het financiële plaatje komen er op vlak van toegankelijkheid nog enkele interessante zaken uit de bevraging. Zo denkt meer dan de helft van de restauranthouders dat schaamte een mogelijke drempel is om binnen te komen.

Ook de toegangsuren verdienen aandacht. Een grote meerderheid (89,7%) is minstens vijf dagen per week open, maar 82% van de restaurants is enkel door de week open. Bovendien is de overgrote meerderheid (86%) enkel ‘s middags open en slechts enkele ‘s avonds of op beide momenten.

“Weinig klanten van niet-Belgische herkomst.”

Het feit dat sociale restaurants voornamelijk tijdens de school- en werkuren open zijn, bepaalt mee de samenstelling van het doelpubliek: 4% van de bezoekers zijn kinderen, 36% van de klanten is van gemiddelde leeftijd, 60% is senior met uitschieters tot 100%. Een factor die hierbij een rol speelt, is dat één op drie sociale restaurants in Vlaanderen verbonden is aan een lokaal dienstencentrum. En net zij bereiken vooral een ouder publiek.

Opvallend is ook de etnische samenstelling. Gemiddeld zijn naar inschatting van de restauranthouders slechts 10% van hun klanten van allochtone afkomst. In veel gevallen zijn er geen klanten van niet-Belgische herkomst. De casestudies uit Antwerpen tonen dat ook in etnisch diverse buurten zoals Linkeroever sociale restaurants moeite hebben om het allochtone doelpubliek te bereiken.Ghys, T. en Oosterlynck, S. (2015), Sociale innovaties bekeken vanuit armoedebestrijding: Sociale restaurants, VLAS-Studies 22, Antwerpen, Vlaams Armoedesteunpunt.

Het is moeilijk exact te duiden hoe dit komt, maar de op Vlaamse senioren afgestelde menukeuze kan een rol spelen.

Sociale tewerkstelling

Een sociaal restaurant draait echter niet alleen om klanten. Ook wie er werkt, is van belang in de context van armoedebestrijding.

Van de 39 restaurants werken er slechts vijf (12,8%) enkel met vrijwilligers, 34 (87,2%) hebben een mix van tewerkstelling. Hieruit besluiten we dat deze sociale innovatie meer in een context van sociale economie dan van traditionele liefdadigheid zit.

In de 34 sociale restaurants die niet alleen op vrijwilligers draaien omvat het gemiddeld medewerkersbestand 4,7 vrijwilligers, 1,1 personen in arbeidszorg, 6,7 personen in diverse sociale tewerkstellingsstatuten, waarvan 3,3 met een tijdelijk Artikel 60-contract. Daarnaast zijn er ook 2,2 reguliere personeelsleden.

“Een sociaal restaurant voorziet in sociale werkplekken.”

In absolute aantallen gaat dit in de bevraagde restaurants om 160 vrijwilligers, 40 mensen in arbeidszorg, 229 in sociale tewerkstelling waarvan 113 art. 60 en 78 reguliere tewerkstelling. Kortom: een sociaal restaurant (doorgaans een kleinschalige onderneming) voorziet in een aanzienlijk aantal sociale werkplekken.

Sociale restaurants richten zich dus op het verschaffen van gezonde en betaalbare voeding (zonder kostenbesparend te zijn) en mogelijkheden tot ontmoeting, in combinatie met activering. Deze benadering richt zich vaak op de schaal van het individuele project, niet op de uitbouw van een sector zoals gebeurde bij de kringwinkels.

Dit maakt dat er onderling ook een grote variatie is tussen initiatieven, wat erop duidt dat deze sociale innovatie -ondanks haar leeftijd- nog steeds verschillende richtingen kan uitgaan.

Toekomstperspectief

Welke invulling krijgen de sociale restaurants morgen? Welke richting gaan de sociale restaurants in Vlaanderen best uit?

Voor de sector is het bemoedigend dat Vlaams minister Liesbeth Homans (N-VA) op de sociale restaurants inzet om haar belofte om een meer structureel en minder projectmatig armoedebeleid te voeren, waar te maken. De vraag is echter of de minister hiermee ook de meest structurele elementen van deze sociale innovatie naar voren brengt.

Zoals we zagen, zijn sociale restaurants zowel te koppelen aan een verhaal van goedkope maaltijden en noodhulp, als aan een verhaal van sociale cohesie en sociale tewerkstelling. Vaak komen deze samen voor, maar het evenwicht kan verschillen.

In de bevraging was de caritatieve noodhulp variant (zeer lage prijzen, geen keuze, enkel vrijwilligerswerk) op zijn terugweg. Met het Vlaams armoedebeleid van 1-euromaaltijden evolueren de sociale restaurants echter terug in de richting van selectieve noodhulp.

 1-euromaaltijd

De 1-euromaaltijden werden in 2013 voor het eerst aangekondigd als proefproject in Antwerpen. Toen bekritiseerde kersvers OCMW-voorzitster Liesbeth Homans de eenzijdige samenstelling van het klantenbestand van sociale restaurants. Ze wilde meer arme gezinnen bereiken. De beslissing viel samen met de paniek in de media over de ‘lege brooddozen’ van kinderen op school.

“De 1-euromaaltijden zijn een speerpunt van het beleid.”

De 1-euromaaltijden werden nadien één van de speerpunten van het Vlaams armoedebeleid. Concreet verscheen er in 2015 een projectoproep. In februari van dit jaar keurde de minister 22 projecten goed die 1-euromaaltijden aanbieden aan kwetsbare kinderen tot en met 12 jaar.

Een eerste bemerking is dat 22 projecten over Vlaanderen op vlak van schaal en verspreiding bezwaarlijk structureel te noemen is. Toch is dit beleid al meer gericht en dus in die zin meer structureel dan vroeger. Maar het komt niet in de buurt van een mogelijke inbedding van het armoedebeleid in een context van sociale rechten met gelijke toegang tot gelijke diensten.

Stigmatiserend?

De 1-euromaaltijden kregen uit verschillende hoeken kritiek omdat ze stigmatiserend zouden zijn, zowel door het aparte tarief als door de associatie met liefdadigheid. Ons onderzoek bevestigt dat stigma een zeer relevante factor is in deze context. Toch is nuancering noodzakelijk.

Veel sociale restaurants hebben in de laatste decennia een modernisering doorgemaakt waarbij ze sterk inzetten op de creatie van een gezellige restaurantomgeving. Zo’n 90% van die restaurants staat open voor het algemeen publiek. Zij doen dus niet aan selectieve liefdadigheid.

Daarnaast zijn sociale restaurants zeker niet méér stigmatiserend dan alternatieven op het terrein van noodhulp, zoals voedselbedeling. Bovendien was de evaluatie van eerdere pilootprojecten in Antwerpen voorzichtig positief op vlak van het beter bereiken van gezinnen dan voordien, al gaat het niet om een aardverschuiving.

Effectief?

Zijn de 1-euromaaltijden ook een effectief antwoord op de noden van mensen in armoede? Amper. Stel dat dit zich ooit zou verspreiden naar alle gemeenten, dan nog gaat het enkel over een beleid ten aanzien van kinderen en grote gezinnen, nota bene de groep die sociale restaurants het slechts van al bereiken.

Dat kan ook moeilijk anders, aangezien meer dan 80% enkel overdag en door de week open is. Juist, wanneer kinderen op school zijn. Zoals sommige respondenten in het onderzoek aangeven, is het meer logisch hen op school te bereiken dan hen naar een restaurant te brengen.

In Zele beseften ze dit. Daar onderhandelde men een overeenkomst waarin de één euro subsidies ook in scholen gebruikt kunnen worden. Een dergelijk project staat echter nog mijlenver van een structurele oplossing voor het deelaspect van voedsel binnen kinderarmoede: gratis of erg goedkope gezonde maaltijden in het volledige schoolnet.

“Noodhulp is geen structurele armoedebestrijding.”

Kinderen of niet, sociale restaurants als de nieuwe vorm van noodhulp installeren lijkt niet de sterkste piste. De gemiddelde prijs is toegankelijk maar niet kostenbesparend. Deze via subsidies nog verder doen zakken, doet de vraag rijzen of we niet beter rechtstreeks naar mensen in armoede herverdelen?

Het verschillende kwetsbare groepen is het ook niet vanzelfsprekend om zich naar een restaurant te begeven voor hun dagelijkse maaltijd. Uiteindelijk staat deze invulling veraf van het doel van structurele armoedebestrijding. De positie van mensen in armoede verandert niet, onderliggende oorzaken blijven onaangeraakt.

Buurtgericht en betaalbaar

We kunnen het sociale restaurant van de toekomst beter benaderen als een buurtgerichte en betaalbare eetgelegenheid die sociale cohesie en contact stimuleert. Dit is volgens ons onderzoek een haalbare ambitie, mits gepaste tarifering voor doelgroepen en blijvende inspanningen van de sector om werkelijk als restaurant over te komen.

Het zal dan niet eenvoudig zijn om ervoor te zorgen dat ook andere groepen dan autochtone senioren zich thuisvoelen in deze buurtrestaurants. Want het streven naar verdere uitbereiding en diversificatie van het doelpubliek blijft wenselijk.

Door de focus te leggen op het doelpubliek en de ‘sociale’ aspecten van buurtrestaurants dreigen we het grootste potentieel te vergeten: sociale tewerkstelling. Tijdens interviews en de schriftelijke bevraging viel op dat sommige respondenten de sociale tewerkstelling in hun eigen restaurant over het hoofd zien als bijdrage aan armoedebestrijding.

Profileren als sociale economie

Ons onderzoek laat echter zien dat sociale restaurants het potentieel hebben om bij te dragen aan structurele armoedebestrijding door zich meer te ontwikkelen als sector in de sociale economie. De opstart van een lerend netwerk van sociale restaurants, onder coördinatie van Komosie, is alvast belangrijk.

“Sociale restaurants creëren extra banen met een lage drempel.”

Door een combinatie van subsidies en de prioriteit te leggen bij de werknemers in plaats van de winstmarge kunnen sociale economiebedrijven zowel meer als laagdrempeligere banen creëren.

Hierdoor zijn ze een alternatief voor de normale uitsluitingsmechanismen op de arbeidsmarkt. Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt krijgen er een werkplek en een inkomen dat hoger is dan de armoedegrens.

Zoals we zagen, kunnen sociale restaurants werken met een mix van verschillende statuten: kortere Artikel 60-trajecten (in praktijk zeer vaak nieuwkomers), langere sociale tewerkstelling in sociale werkplaatsen, arbeidszorg…

Horeca

Een belangrijk voordeel van sociale restaurants is dat ze diverse en laagdrempelige opleidingstrajecten bieden die aansluiten op de relatief grote horecasector, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de kringwinkels die meer een sector op zich vormen.

“Opleiding sluit aan bij grote horecasector.”

Maar hoewel de kansen op doorstroom dus reëel zijn, komen zelfs sociale restaurants met een sterke focus op tewerkstelling niet in de buurt van een één-op-één doorstroom naar een job in de reguliere economie. Zelfs indien de inzet van werknemers perfect is, blijft men steeds afhankelijk van de welwillendheid van het reguliere circuit om mensen te werk te stellen.

De vraag is dus of men het accent volledig zal leggen op kortstondige activering, gericht op doorstroming. Dat lijkt onrealistisch. Wellicht moet er in het sociaal restaurant van de toekomst ook plaats blijven voor duurzame(re) sociale tewerkstelling.

Ook economie

Sociale economie impliceert ook… economie. Sociale restaurants zullen nog meer moeten verschuiven in de richting van een professionele, op volume en tewerkstelling gerichte aanpak. Dat is niet evident. Het is een werkveld met veel lokale vzw’s met diverse wortels. Recente initiatieven zoals de lerende netwerken die kunnen helpen het veld beter af te stemmen, zijn hoopgevend.

Om economisch te werken, is het ook belangrijk om niet alleen de zwakste doelgroep te bereiken. Klanten die een hoger tarief betalen, dragen niet alleen bij aan de sociale mix, ze maken een sociaal restaurant economisch ook sterker.

Opschaling en samenwerking kunnen helpen om meer op de arbeidsmarkt te wegen en logistieke uitdagingen aan te gaan. Denk aan het gezamenlijk en dus goedkoper aankopen van voedsel. Bovendien is het makkelijker om vanuit zo’n samenwerking met de overheid meer uniforme afspraken te maken rond dienstverlening en prijssetting.

“Meer samenwerking dringt zich op.”

Hoewel de nadruk dan meer op tewerkstelling dan op vrijwilligerswerk komt te liggen, sluiten deze elkaar niet per definitie uit. Zo draait in het Hasseltse sociaal restaurant Klavertje Vier de keuken op Artikel 60-tewerkstelling, maar verloopt de bediening met vrijwilligers.

Het gefragmenteerde veld van sociale restaurants kreeg de laatste jaren terug een meer prominente rol binnen armoedebestrijding. Als onderzoekers vinden we echter dat het potentieel voor sociale tewerkstelling meer benadrukt moet worden.

In de projectoproep voor de 1-euromaaltijden stond sociale tewerkstelling kort vermeld als bijkomend pluspunt, maar het huidig armoedebeleid zet hier niet op in. Op termijn is dit nochtans een vruchtbare piste.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen