Sociaal-cultureel werk

Een beroep met een eigen logica

Vorig jaar verscheen in Nederland ‘De stille krachten van de verzorgingsstaat. Geschiedenis en toekomst van sociaal-culturele professionals.’Spierts, M. (2014), De stille krachten van de verzoringsstaat. Geschiedenis en toekomst van sociaal-culturele professionals, Amsterdam, Van Gennep.Marcel Spierts onderzoekt in dit boek de historische ontwikkeling van het sociaal-cultureel werk. Hij maakt een grondige denkoefening over de logica van het beroep van sociaal-cultureel werker. Spierts ziet heil in de verdere ontwikkeling van het sociaal-cultureel werk langs de perspectieven ‘professionaliteit, vakmanschap en ambachtelijkheid’. Hij noemt dat ‘verbindende professionalisering’. Als lezer stel je de vraag hoe dit verhaal er in Vlaanderen uitziet. Uiteraard doen we Spierts’ werk niet even dunnetjes over. Wel maken we kanttekeningen en reiken we denksporen aan om het sociaal-cultureel werk in Vlaanderen verder te ontwikkelen. Want zoveel is zeker: Marcel Spierts inspireert.

Een open beroep

In Vlaanderen is het beroep van sociaal-cultureel werker anders gegroeid dan in Nederland. Jeugdwerk, sociaal-cultureel volwassenenwerk en opbouwwerk zijn naar traditie kernsectoren waar werkers zichzelf zonder discussie zien als sociaal-cultureel werker. Toch zijn deze sectoren elk anders gepositioneerd. Sociaal-cultureel werk is daardoor telkens in andere overheidslogica’s ingebed. Sociaal-cultureel volwassenenwerk valt onder het domein Cultuur wat maakt dat werkers zich moeten verhouden op kunst, cultuur of vrije tijd als context, terwijl de eigen professionele perceptie veeleer alle maatschappelijke levensdomeinen omvat. Jeugdwerk valt onder de bevoegdheid Jeugd, heeft andere regelgeving en legt sterk de nadruk op het categoriale aspect: kinderen en jongeren zijn de doelgroep. Ook hier bestaat de tendens om het werk vooral als vrijetijdswerk op te vatten. Samenlevingsopbouw valt dan weer onder Welzijn. De focus ligt op maatschappelijke vraagstukken zoals armoede, diversiteit en arbeid. Problemen vormen het uitgangspunt.

“De groep van sociaal-cultureel werkers is moeilijk af te bakenen.”

Daarnaast zien we beroepssituaties die we beschouwen als een vorm van sociaal-cultureel werk, maar die als dusdanig niet worden (h)erkend. Het gaat dan om werkvormen die gegroeid zijn uit een soort van proto-sociaal-cultureel werk. Doorheen de tijd kregen ze een eigen karakter en maatschappelijke positie. Voorbeelden zijn bibliotheekwerk, basiseducatie, verenigingen waar armen het woord nemen, NGO’s, sociaal-artistieke praktijken. Verder zijn er door de overheid aangestuurde praktijken die duidelijk kenmerken van sociaal-cultureel werk vertonen: cultuurcentra, opbouwwerk-achtige methodieken geïntegreerd in de werking van OCMW’s, sociaal-culturele praktijken in het kader van lokale dienstencentra… De groep van sociaal-cultureel werkers is alles opgeteld moeilijk af te bakenen, moeilijk te identificeren.

Boekcover
Boekcover ‘De Stille krachten van de verzorgingsstaat’.

Vaag en kwetsbaar

Om zich te kunnen positioneren in de samenleving en het beroepenveld heeft een beroep, volgens Spierts, nood aan een eigen ‘body of knowledge’. Dat zijn regels voor de toegang tot het beroep, een duidelijke opleiding en een eigen beroepsideologie. Als je dit toepast, dan voel je meteen dat het beroep van sociaal-cultureel werker in Vlaanderen een vaag en kwetsbaar statuut heeft.

“Een beroepsvereniging lijkt een weinig haalbare kaart.”

Een gedeelde ‘body of knowledge’ is wel aanwezig, hoewel we vaststellen dat het gamma aan methoden en technieken wel zeer breed en vooral werksoortgebonden is. Het sociaal-cultureel werk krijgt ook relatief weinig back-up van gedegen onderzoek. Het zijn vooral steunpunten als Socius en De Ambrassade, en in zekere mate de hogeschoolopleidingen, die op dit moment de inspanningen leveren om die ‘body of knowledge’ zichtbaar te maken. De toegang tot het beroep staat van oudsher wijd open: het diploma is bij aanwerving meestal ondergeschikt aan ervaring en affiniteit met bewegingen of maatschappelijke ambities. Dat maakt dat veel werkers zich minder sterk identificeren met het beroep ‘sociaal-cultureel werker’ dan met de organisatie of het thema waarrond ze werken. Een beroepsvereniging lijkt dan ook een weinig haalbare kaart.

Opleidingen voor sociaal-cultureel werker zijn er wel, maar ze zitten als afstudeerrichting ingebed in de bredere opleidingen sociaal werk op bachelorniveau. In de curriculumontwikkelingen van de laatste tien jaar is er de duidelijke tendens om het gewicht van de afstudeerrichtingen te verminderen. Opleidingen neigen er naar om sociaal werkers op te leiden als generalisten. Sociaal werkers zijn in de eerste plaats agogisch geschoolde mensen die vanuit een algemeen denk- en handelingskader in staat moeten zijn om zich binnen uiteenlopende sociaalwerkcontexten in te werken in de vereiste competenties. De specifieke stielkennis en beroepsidentiteit van sociaal-cultureel werkers vormen dus steeds minder de grondstof van de opleiding.

Op het niveau van masteropleiding is de situatie nog meer diffuus. Onderzoek en onderwijs richten zich daar echt op een abstractere benadering van sociaal werk, waarvan sociaal-culturele praktijken een interessante verbijzondering zijn, maar ook niet meer dan dat. Als afstudeerrichting of bijzondere beroepsidentiteit komt sociaal-cultureel werk daar weinig in beeld.

Maatschappelijke positie versterken

“De publieke discussie over de eigenheid van het beroep moet vorm krijgen.”

Het globale beeld van het beroep is duidelijk erg versnipperd. Toch lijkt het zinvol om de maatschappelijke positie van het sociaal-cultureel werk te versterken. Om de interne kwaliteit van het beroep en het beroepsmatig handelen te verbeteren, is die maatschappelijke legitimiteit en bijhorende positie een noodzakelijke voorwaarde. Spierts geeft immers aan dat er een algemene tendens heerst tot ‘verplichtende professionalisering’.Spierts, M. (2014), De stille krachten van de verzoringsstaat. Geschiedenis en toekomst van sociaal-culturele professionals, Amsterdam, Van Gennep, 299.Normen voor goed werk en de bijhorende verplichting om zich als professional bij te scholen worden bepaald door mensen extern aan het beroep: bestuurders, managers, leidinggevenden, organisatieontwikkelaars en kwaliteitsmanagers. Het professionele handelen wordt bepaald door heteronome krachten die de autonomie van beroepsgroepen ‘temmen’. Beroepsgroepen die zich van binnenuit krachtig weten te positioneren en legitimeren, kunnen zich daar sterker tegen wapenen.

Dat kan beginnen met de eenheid in de verscheidenheid en versnippering scherper in beeld te brengen. De publieke discussie over de kern, eigenheid en specifieke toegevoegde waarde van het beroep, moet vorm krijgen. Opleidingen kunnen dan legitiem sociaal-cultureel werktrajecten profileren, het werkveld kan dan legitiem een bepaalde vorm van professionaliteit opeisen. De kern moet dus beter zichtbaar worden. En dat begint bij de ‘missiegedrevenheid’ van het beroep.

“Wat opvalt in gesprekken met werkers is hun gehechtheid aan een gedeelde missie.”

Wat opvalt in gesprekken met werkers is hun gehechtheid aan een min of meer gedeelde missie. Het is een gehechtheid die de grenzen van de vele vooropleidingen overstijgt. Het gaat over emancipatie en empowerment, over een kanteling of zelfs transitie naar een meer duurzame, solidaire en democratische samenleving. Over de realisatie hiervan die het individuele overstijgt en die bij voorkeur plaatsvindt in groepen, buurten – in maatschappelijk innoverende praktijken op lokale, regionale, Vlaamse of zelfs mondiale schaal. Over de overtuiging dat sociaal-culturele praktijken bijdragen aan maatschappelijke verandering. Er bestaat dus een gedeelde beroepsideologische basis. Rond deze elementen kan een specifiek agogisch of veranderkundig beroep stevig vorm krijgen. Een beroep dat fundamenteel verschillend is van andere veranderkundige beroepen in zorg, consultancy of dienstverlening.

Vijf beroepen

Een ander spoor om het sociaal-culturele beroep scherper in beeld te brengen, is een grondige studie van het werkveld. Waar werken sociaal-cultureel werkers? Welke beroepsrollen nemen ze op? Hoe spreekt men over het werk dat ze moeten uitvoeren? Bert PietersPieters, B. (2015), Beroepenstructuur jeugdwerk en sociaal-cultureel volwassenenwerk, Brussel, Socius en Ambrassade.ontwikkelde in opdracht van Socius en De Ambrassade een interessante voorzet. Op basis van een analyse van vacatures en functieprofielen uit het jeugdwerk en het sociaal-cultureel werk met volwassenen onderscheidt hij vijf beroepen.

De ‘gemeenschapswerker’ vormt en versterkt groepen die op vrijwillige basis samen komen en ondersteunt zo de vorming van gemeenschappen. De ‘programmator en bemiddelaar cultuur en educatie’ ontwerpt, organiseert en stimuleert deelname aan een toegankelijk, publieksgericht aanbod van sociaal-culturele activiteiten, processen en projecten. De ‘begeleider sociaal-culturele activiteiten’ begeleidt een toegankelijk, publieksgericht aanbod van sociaal-culturele activiteiten. De ‘campagnewerker’ zet campagnes op om mensen, organisaties, bedrijven of overheden aan te zetten tot verandering in hun gedrag en beleid. De ‘belangenbehartiger’ verdedigt een maatschappelijk thema of de belangen van een doelgroep bij beleidsmakers.

Deze differentiatie heeft als voordeel dat werkers sneller de gemeenschappelijkheid of de gedeelde grond zien met vakgenoten. Gedeelde identiteiten kunnen de kern vormen van beroepsverenigingen of wederkerige leerprocessen omdat uitwisseling echt kan leiden tot een reëel beleefde versterking van het eigen handelen en de eigen beroepsidentiteit. Initiatief hiervoor kan komen van De Ambrassade, Socius of Samenlevingsopbouw Vlaanderen. Samen met onderzoekers kunnen zij de ruimte scheppen voor deze verdere professionalisering. Dat vraagt misschien wel een doorgedreven perspectiefwissel: niet een sector of een netwerk van sociaal-culturele organisaties staat in het centrum van hun werk, wel de werker met zijn praktijken. Dit kan het begin zijn van een antwoord op bovengenoemde ‘verplichtende professionalisering’.

Organisatorisch vakmanschap

Spierts verstaat onder vakmanschap de bekwaamheid om de dingen vakkundig en nauwkeurig aan te pakken, met gevoel voor de complexiteit en de juiste verhoudingen. Vakmanschap heeft alles te maken met de gewogen en subtiele balans tussen wetenschappelijke en methodische kennis en de wijsheid die schuilt in ervaring en in de situaties zelf. Voor sociale beroepen maakt hij nog het onderscheid tussen agogisch vakmanschap, het strategisch en organisatorisch vakmanschap en de reflexiviteit.

“Sociaal-cultureel werkers hebben geleerd om de eigen organisaties professioneel te ontwikkelen.”

De voorbije vijftien jaar kreeg vooral het strategisch en organisatorisch vakmanschap veel aandacht. Sociaal-cultureel werkers hebben geleerd om de eigen organisaties professioneel te ontwikkelen, vertrekkend vanuit degelijke omgevingsanalyses, het helder formuleren van missie en strategische doelen en het denken in termen van goed uitgekiende operationaliseringen in meetbare doelen en verstandige strategieën. Het opvolgen van bereikte resultaten heeft organisaties en werkers op een hoger plan kunnen tillen. Organisaties kunnen zich sterker verantwoorden voor het gebruik van publieke middelen. Er kwam ook een betere planning en monitoring van het werk via planningsinstrumenten, toolboxen, meetinstrumenten om impact te bepalen.

Agogisch vakmanschap

Het agogisch vakmanschap en de reflexiviteit zijn niet in dezelfde mate mee ontwikkeld. Er zijn praktijkbanken en overvloedig veel ‘best practices’ maar het valt op dat veel werkers het vocabularium en de grammatica ontberen om doorheen die praktijken de kennis die er in opgeslagen is te systematiseren. Wel slagen veel werkers er in om in hun eigen job reflexief te handelen. Ze gaan binnen hun praktijk de dialoog met de situatie heel nauwkeurig en sensitief aan. Ze weten hun handelen voortdurend aan te sturen en bij te stellen op basis van die dialoog. Maar de reflectie over hun praktijk achteraf blijft vaak steken in het verhalende, het anekdotische. Kennis en kunde blijven ‘stil’ en ‘onbewust’, zoals in ‘tacit knowledge’.

“De werker en zijn handelen zijn geen passief studieobject.”

Wat het sociaal-cultureel werk nodig heeft om dit agogisch vakmanschap te versterken, zijn plekken waar die kennis ontgonnen wordt. Waar vertrekkende vanuit verhalen en praktijken, die inzichten naar boven gehaald worden. Inzichten moeten gesystematiseerd geraken in structuren, methoden, patronen en heuristieken. Een versterkte relatie met de wetenschappelijke wereld kan dit veranderen. Maar dan moet het wel gaan over een welbegrepen partnerschap. De werker en zijn handelen zijn geen passief studieobject. Onderzoekers en werkers zijn evenwaardige partners. De grondige systematiek van wetenschappers en de stille, opgeslagen kennis van werkers vormen gelijkwaardige bronnen voor het co-creëren van inzicht.

Erkenning van het ambacht

Een erg interessante toevoeging aan de discussie over professionaliteit levert Spierts met het begrip ambachtelijkheid. Daarmee erkent hij wat werkers vaag aanvoelen: goed sociaal-cultureel werk heeft te maken met het persoonlijke, het lichamelijke, de intuïtie. Met een weten dat niet te verwoorden is, maar dat schuilt in metaforen, in goede gokken, in het kleine gebaar. Daarmee geeft Spierts aan dat sociaal-cultureel werkers zich bewegen in een ruimte en interacties die altijd een vorm van ‘geheim’ blijven bevatten. Het onzegbare, het onstuurbare, het geraakt en geroerd zijn door wat niet in woorden is neer te leggen. We kunnen doen alsof de wereld voorspelbaar of maakbaar is, maar we weten dat in elke interactie de onzekerheid schuilt, de verrassing, het onvermoede. Daarom is wat sociaal-cultureel werkers doen altijd gekleurd door experimenten.

“Activiteiten vertrekken altijd van de hypothese van de veelbelovendheid.”

Activiteiten, processen, campagnes vertrekken altijd van de ‘hypothese van de veelbelovendheid’. Sociaal-cultureel werkers handelen in de overtuiging dat dit handelen iets gewenst teweegbrengt. Maar er is geen garantie over de slaagkansen. Wie zijn ambacht beheerst, slaagt er in om in die onzekere omgeving en onvoorspelbare ontwikkelingen sneller dan anderen patronen te lezen, scherper mogelijke wegen af te bakenen, beter en alerter bij te sturen. Dat is de echte kwaliteit van het ambacht. Een kwaliteit die ook echt erkenning verdient in het kader van verdere professionalisering.

In zijn oratie riep de Nederlandse socioloog Harry Kunneman een mooi beeld op dat hierbij naadloos aansluit. Werkers kunnen zich bewegen op de hoge, harde gronden. Daar kunnen ze veilig de methodische regels en wetenschappelijke inzichten toepassen, in een goed controleerbare en voorspelbare omgeving. Daar kunnen ze scherpe doelen vooropzetten, rechte wegen aanleggen en meetbare resultaten voorleggen. Maar daar gebeuren eigenlijk niet de interessantste dingen voor de ontwikkeling van de samenleving. Het echte werk speelt zich af in de moerassigheid van de lage gronden, in de onderbuik van de leefwereld. Daar treffen werkers complexiteit aan, stremmingen en onzekerheden, weerstand en onduidelijkheid. Kronkelige paden die soms op niets uitlopen. Het is daar dat de ambachtelijkheid ten volle tot zijn recht komt. Het zoekend en tastend omgaan met de onzekerheid, het intuïtieve weten dat in het handelen verscholen zit, het experimenteren als strategie om de werkelijkheid te ontdekken. Werkers doen dat vanuit een grondhouding waarvan de ‘liefde voor het complexe’ de voedende bodem is.

Logica van het activeren

Volgens Spierts heeft het beroep van sociaal-cultureel werker een stevige, consistente kern en een eigen logica: de logica van het activeren. Deze logica omvat vijf elementen: aansluiten en afstemmen, empowerment, partnership, arrangeren en ensceneren, en verbinden. Daarmee formuleert hij een herkenbare en bruikbare synthese. Een kapstok om verdere professionalisering aan op te hangen. Toch is deze formulering in onze Vlaamse context niet zomaar over te nemen.

“Activeren kwam in Nederland in de jaren tachtig op de voorgrond.”

‘Activeren’ kwam in Nederland in de jaren tachtig van vorige eeuw op de voorgrond, op initiatief van het sociaal(-cultureel) werk. Het was een antwoord op de aan die periode voorafgaande kritiek, scherp geformuleerd door Hans Achterhuis.Achterhuis, H. (1979), De markt van welzijn en geluk, Ambo, Baarn.Die kritiek kwam neer op de gedachte dat sociaal werk mensen afhankelijk maakt, klein houdt – ja zelfs onderdrukt. Werkers houden een heel systeem van praktijken, organisaties en voorzieningen in stand waarbinnen de burger verschijnt als behoevend of passief.

Neoliberale logica

Activering als antwoord vertrekt van de premisse dat sociaal werk net ensceneringen en arrangementen moet uitwerken die burgers actief maken, bekwaam om zelf hun ontwikkeling in handen te nemen en hun democratische rol te spelen in de samenleving. Vanaf de jaren negentig wordt het begrip ‘activering’ ook overgenomen in het officiële, voornamelijk neoliberale beleidsdiscours. De betekenis verschuift naar participatie aan de arbeidsmarkt. Het begrip wordt dus van zijn brede burgerschapsdimensie ontdaan en gereduceerd tot een meer instrumentele benadering ten dienste van economische ontwikkelingen. Spierts geeft dit spanningsveld duidelijk aan en maakt een onderscheid tussen de ‘logica van het activeren’ en de ‘logica van de activerende verzorgingsstaat’. Samengevat ziet dit er zo uit:Spierts, M. (2014), De stille krachten van de verzoringsstaat. Geschiedenis en toekomst van sociaal-culturele professionals, Amsterdam, Van Gennep, 294.

PROEFACTIVERING MAX782PX 150ppi

Volgens Spierts is de logica van de activerende verzorgingsstaat dominant in het publieke discours. Toch pleit hij om de term als kern van de sociaal-culturele logica te behouden. Deze vorm van ‘koppig reclaimen’ verdient alle respect, alleen kleeft hieraan het bezwaar dat in elke publieke discussie de dubbelzinnigheid weer wordt opgeroepen. Het fundamentele spanningsveld tussen de twee logica’s blijft dan in de plooien van de taal verborgen.

“Maatschappelijk activeren is één van de functies van sociaal-cultureel werk.”

Er is nog een tweede reden waarom ‘activeren’ in Vlaanderen niet de meeste geschikte is om als dragende logica te fungeren. Sinds het onderzoek van Herman Baert en Bart Ketelslegers over de sociaal-culturele methodiek,Baert, H. en Ketelslegers, B. (2002), Sociaal-culturele methodiek: concepten en methodiekontwikkeling, Leuven, Centrum voor Sociale en Beroepspedagogiek KULeuven.is ‘maatschappelijk activeren’ één van de functies van sociaal-cultureel werk, naast de educatieve, culturele en gemeenschapsvormende functie. Maatschappelijke activering verwijst naar het organiseren, stimuleren en begeleiden van maatschappelijk engagement en sociale actie. Op die manier is het ook opgenomen in decretale en administratieve regels. Maatschappelijk activeren is bij ons dus geen overkoepelend of schragend begrip maar een functie. Het komt dan vreemd over om die functie ineens te bombarderen tot kern van het sociaal-cultureel werk.

Emanciperen

Als centrale aanduiding voor de sociaal-culturele professionele logica zijn in Vlaanderen andere begrippen meer aangewezen. Mijn voorkeur gaat om historische redenen uit naar ‘emanciperen’. Sinds mensenheugenis is sociaal-cultureel werk bij ons geassocieerd met emancipatiebewegingen: Vlamingen, arbeiders, vrouwen, holebi’s, mensen die in armoede leven… Altijd stond de wieg van hun emancipatieproces in het sociaal-culturele huis. Vandaag staat ‘emanciperen’ onder druk en wordt het vaak gelijk gesteld aan of vervangen door het wat modieuzere ‘empowerment’. Toch lijkt emanciperen op een vanzelfsprekende manier rijker. Emanciperen functioneert op een individueel niveau (Ik wil als vrouw, arbeider… emanciperen) en leidt dan tot veranderingen in de eigen leefwereld. Maar tegelijk functioneert emanciperen ook altijd op een collectief niveau (vrouwenemancipatie, de emancipatie van de arbeider) en leidt dan tot veranderingen op het publieke (mentaliteit en discours) en structurele niveau (wet- en regelgeving). Het sociaal-culturele beroep definiëren vanuit de ‘logica van het emanciperen’ is voedend voor de levenskracht.

“De logica van emanciperen, participeren en maatschappelijk innoveren.”

De logica van het participeren is een mogelijk alternatief. Mensen kansen geven en stimuleren om deel te nemen én deel te hebben aan alle aspecten van de samenleving vormt een interessant ijkpunt, op voorwaarde dat we blijvend aandacht hebben voor de structurele drempels. Misschien zijn er ook argumenten om te spreken van een logica van het maatschappelijk innoveren. Daarmee verschijnt het beroepshandelen van sociaal-cultureel werkers in de eerste plaats als bijdragend aan maatschappelijke experimenten. Experimenten die bestaande systemen en spelregels uitdagen en vorm geven aan mogelijke alternatieven. Zo wordt recht gedaan aan de laboratoriumfunctie die eigen is aan het sociaal-cultureel werk.

Maar is het niet zinvoller om te denken in termen van een drie-eenheid: de logica van ‘emanciperen, participeren en maatschappelijk innoveren’. Dat zou een ijzersterk trio kunnen zijn, dat de kern van het beroep krachtig vat.

Behartigen

Vraag is dan of dezelfde vijf elementen van Spierts de kern kunnen uitmaken van die Vlaamse herformulering? Op het eerste gezicht wel. Misschien maakt de formulering ‘arrangeren en ensceneren’ niet meteen deel uit van ons vertrouwde vocabularium maar het is een interessant begrippenpaar dat klassieke agogische logica’s ruim overstijgt. Sociaal-culturele werkers moeten contexten creëren die als ‘scène’ functioneren voor deelnemers. Een scène waarin ze zelf richting geven aan hun handelen, waarin ze zelf hun eigen projecten kunnen waarmaken. Dit getuigt van een open agogische benadering die innoverende praktijken mogelijk maakt.

“Beleidsbeïnvloeding als kernopdracht komt dan duidelijk in beeld.”

Verder lijkt het zinvol om ‘behartigen’ als zesde element er nog aan toe te voegen. Bij ons zijn lokale, veelal vrijwillige praktijken, ingeschreven in verenigingen en bewegingen die zich ontplooien op schaal van heel Vlaanderen. Die sociaal-culturele organisaties en bewegingen willen expliciet wegen op de maatschappelijke agenda. Ze maken van private vraagstukken en thema’s publieke kwesties. Ze proberen maatschappelijke veranderingen en innovaties te realiseren. In dat proces nemen sociaal-cultureel werkers vaak een behartigende positie in. Ze behartigen de kwesties van hun leden of achterban. Ze behartigen een thema of maatschappelijke ambitie. Ook in de beroepenstructuur van PietersPieters, B. (2015), Beroepenstructuur jeugdwerk en sociaal-cultureel volwassenenwerk, Brussel, Socius en Ambrassade. wordt daar expliciet naar verwezen. Zo is er de ‘campagnewerker’ of ‘belangenbehartiger’. Beleidsbeïnvloeding als kernopdracht van het sociaal-cultureel werk komt dan duidelijk in beeld.

Een vonk in het hooi?

De oefening die Marcel Spierts maakte voor Nederland is ontegensprekelijk bijzonder interessant. Hij laat zien dat de sociaal-cultureel werker binnen de ruime groep van sociale beroepen een eigen plaats verdient. Hij laat ook zien dat er nog veel werk is op het vlak van verdere professionalisering, zowel extern (sociologische professionaliteit) als intern (vakkundigheid en ambachtelijkheid). Maar de belangrijkste verdienste is dat er een frame is ontwikkeld waarmee de professionalisering van het beroep op het publieke forum kan komen.

“De oefening die Marcel Spierts maakte voor Nederland is bijzonder interessant.”

Een gelijkaardige oefening is in Vlaanderen de laatste decennia niet meer gemaakt. Er zijn ook weinig plekken waar dit werk voldoende sectoroverschrijdend kan gebeuren. Is dit geen taak voor steunpunten, universiteiten en hogescholen? Op die manier kan de externe verantwoording van het beroep naar werkveld, overheid en onderwijs krachtiger onderbouwd worden. Tegelijk kan dit de nodige verdieping van de professionalisering voeden. Vanuit het frame van vakkundigheid, ambachtelijkheid en de logica van het activeren, kunnen professionaliseringstrajecten systematischer uitgebouwd worden.

Spierts zet in op een vernieuwde relatie tussen werkers en wetenschappers om evenwaardig aan kennisontwikkeling te doen. Hij roept op om de professionele gemeenschap te versterken door de organisatie van ‘werkplaatsen’ en ‘communities of practice’. Ruimtes waarin werkers in gezamenlijke reflectie hun vocabularium en gevoel voor grammatica ontwikkelen, zo kunnen ze hun eigen praktijken en logica’s scherper in beeld brengen. Dat lijkt me een uitdagende agenda. Laat ons hopen dat Spierts’ werk ook in Vlaanderen een vonk in het hooi slaat.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen