Migranten zijn vaker transmigranten

Nieuwe uitdaging voor sociale professionals

Transmigranten zijn mensen met een meervoudig migratietraject. Sommigen verbleven op verschillende plaatsen voordat ze naar België kwamen. Anderen hebben plannen om verder te migreren. Tijdelijkheid en mobiliteit kenmerken het verblijf van transmigranten. Dat maakt van hen een bijzondere groep voor de hulpverlening.

© Bas Bogers
© Bas Bogers

Transmigratie

In een superdiverse samenleving neemt migratie nieuwe vormen aan.Geldof, D. (2015), Superdiversiteit. Hoe migratie onze samenleving verandert, Leuven, Acco (5de geactualiseerde druk).Voor velen is migratie niet langer een enkelvoudige beweging van een land van herkomst naar een land van aankomst. Migranten zijn vaker transmigranten. Hun migratietrajecten omvatten meer plaatsen dan enkel een land van herkomst en één van aankomst.

Transmigranten migreren van land A naar land B, vervolgens naar land C en land D, keren dan eventueel terug naar B, om van daaruit misschien weer naar een nieuwe bestemming te trekken. Hun huidig verblijf in België kan een eindstation zijn, maar is dat vaak ook niet.

Impact

Transmigratie heeft een impact op sociaal werk. Transmigranten kampen met specifieke welzijnsnoden die niet helemaal samenvallen met deze van ‘klassieke’ migranten.

“Transmigratie heeft een impact.”

Is het sociaal werk voldoende aangepast aan deze doelgroep? Zijn sociale professionals zich bewust van de transnationale leefwerelden van deze nieuwkomers? Welke nieuwe werkvormen ontstaan wanneer hulpverleners afstappen van een lokale gerichtheid en letterlijk en figuurlijk grensverleggende werkpraktijken ontwikkelen?

In het kader van een kwalitatief onderzoek naar Marokkaanse, Ghanese en Braziliaanse transmigranten in Brussel en Antwerpen bevroegen we zowel transmigranten als hulpverleners. In het boek ‘Transmigratie. Hulp verlenen in een wereld van superdiversiteit’ verkennen we de leefwereld en de welzijnsnoden van transmigranten. Tegelijk analyseren we hoe hulpverlening vandaag met die transmigratie omgaat.Schrooten, M., Withaeckx, S., Geldof, D. en Lavent, M. (2015), Transmigratie. Hulp verlenen in een wereld van superdiversiteit, Leuven, Acco.

Geen evidente groep

Transmigratie gaat over vormen van meervoudige migratie binnen en over landsgrenzen, in tegenstelling tot enkelvoudige migratie waarbij mensen migreren van het land van oorsprong naar een ander land.

Om uiteenlopende redenen migreren transmigranten meerdere keren, blijven ze dikwijls in beweging en zijn ze ook in hun huidige verblijfplaats niet zeker van een stabiel verblijf.

Transmigranten blijven verbonden met verschillende locaties in de wereld door het sociaal netwerk dat ze in hun vorige verblijfplaatsen opbouwden. Deze combinatie van meervoudige contexten vormt een integraal deel van hun leven.

Heterogeen

Transmigranten zijn een zeer heterogene groep. Voor sommigen is transmigratie een zelfgekozen en voordelige levensstijl, denk maar aan de expats die voor internationale instellingen en ondernemingen werken, voor anderen is het een noodzaak.

“Transmigranten zijn een zeer heterogene groep.”

Veel transmigranten vertonen een grote maatschappelijke kwetsbaarheid en vormen daarom een belangrijke en groeiende doelgroep voor het sociaal werk. Hun mobiliteit, tijdelijkheid en blijvende transnationale contacten maken dat ze bijzondere achtergronden, ervaringen en behoeften met zich meedragen. Dit stelt de hulpverlening voor nieuwe uitdagingen.

Nieuwe uitdagingen

Naast de gekende problemen waar migranten mee te maken krijgen, zoals armoede, sociale achterstelling of racisme, zijn aan transmigratie een aantal specifieke problemen verbonden.

Door hun meervoudige migraties moeten transmigranten niet één, maar meerdere keren afscheid nemen van familie en vrienden. Complexe juridische statuten kunnen hun toegang tot werk en hulpverlening beperken. Veel transmigranten zijn ook kwetsbaar voor uitbuiting op de arbeidsmarkt.

Door hun meervoudige migratie-ervaringen kijken transmigranten vaak op een heel andere manier naar hulpverlening. Ze dragen hulpverleningservaringen mee uit vorige verblijfplaatsen. Zoals één van de hulpverleners die deelnam aan het onderzoek het verwoordt: “Zij hebben soms het hulpverleningsmodel van andere landen in hun hoofd”.

Sommigen associëren sociale diensten sterk met de overheid of hebben enkel ervaring met repressieve vormen van hulpverlening. Het maakt ze wantrouwig. Gevoelens van schaamte of onbekendheid met hulpverlening zorgen ervoor dat mensen vaak proberen om zelf hun problemen op te lossen of liever hun eigen transnationaal netwerk aanspreken.

“Families breiden plots uit.”

Ook de permanente mobiliteit van transmigranten stelt hulpverleners voor moeilijkheden. Families breiden plots uit met nieuw aangekomen familieleden, cliënten ‘verdwijnen’ ineens naar het buitenland, maar komen enige tijd later terug aankloppen voor hulp.

TransmigratieMicro, meso, macro

Transmigratie heeft gevolgen op de drie niveaus waarop hulpverlening zich afspeelt.

In de interactie tussen hulpverlener en cliënt, op microniveau, vereist transmigratie dat hulpverleners inzicht verwerven in de complexere en grensoverschrijdende leefwereld van cliënten. Sociale professionals moeten creatief op zoek gaan naar hulpmiddelen op soms onverwachte locaties om hun interventies te doen slagen.

Op mesoniveau kan men met andere sociale organisaties, over grenzen heen, vormen van samenwerking ontwikkelen. In deze samenwerking kunnen nieuwe actoren zoals informele organisaties van (trans)migranten of organisaties uit andere landen, een rol krijgen.

Ten slotte zet transmigratie aan tot het herdenken van de hulpverlening op macroniveau. We moeten structuren, regels en kaders aanpassen om creatief en grensoverschrijdend werken mogelijk te maken.

Geldtransfers

Wat betekent dit voor de praktijk? In de individuele hulpverleningsrelatie beseffen sociaal werkers dat transnationale netwerken een belangrijke rol spelen in het leven van hun cliënten. Transmigranten geven soms heel andere invullingen aan het gezin, solidariteit en sociale relaties dan de lokaal gerichte hulpverlening voor ogen heeft.

“Veel transmigranten vinden het evident om geld te sturen naar familie.”

Een voorbeeld is de praktijk van geldtransfers. Voor veel transmigranten is het een evidentie om geld te sturen naar achtergebleven familie. Maar de financiële of materiële steun die de hulpverlening voorziet, is erop berekend om de ontvanger hier toe te laten om rond te komen. We houden geen rekening met de verantwoordelijkheid die de ontvanger heeft tegenover familieleden.

Hulpverleners kunnen begrip hebben voor deze situatie, maar blijven tegelijk gebonden aan een wettelijk kader dat gericht is op lokale en individuele ondersteuning.

Een hulpverlener van een OCMW getuigt: “Op het moment dat de maatschappelijk werker weet dat een stuk van die financiële hulp terug naar het thuisland gaat, en die klant vraagt dan extra, dat de maatschappelijk werkers soms denken of zeggen van, sorry, maar dan moet je het geld hier houden. Je zit altijd in een dubbele positie.”

Geven en krijgen

Maar transmigranten geven niet alleen. Soms ontvangen ze ook steun van hun transnationale netwerken. Solidariteit binnen deze netwerken werkt immers vaak in twee richtingen.

Ook dit schept problemen in de hulpverleningsrelatie. Nu eens blijken behoeftige cliënten plots geld te hebben, als hun ‘financieringssysteem’ in het buitenland bijspringt. Dan weer ‘verdwijnt’ geld dat bedoeld is voor de individuele cliënt naar dit grensoverschrijdende solidariteitsnetwerk.

Hoewel deze bronnen van steun een zekere kracht vormen voor de transmigrant, kunnen ze ook nadelige effecten hebben. Uitkeringen worden immers geweigerd als blijkt dat men andere bronnen van inkomsten heeft. Dit kan zowel transmigranten als hulpverleners er toe aanzetten om de rol van dit netwerk te verzwijgen.

Lokaal werken

Hoe gaan hulpverleners om met de uitdagingen die transmigranten hen stellen? Heel wat hulpverleners ontwikkelen vernieuwende praktijken. Voor een aantal van deze strategieën moet men het lokale niveau niet overschrijden.

“Werk met brugfiguren of ervaringsdeskundigen.”

Het opbouwen van een vertrouwensband is evident bij individuele begeleiding, maar vereist soms extra inspanning wanneer het gaat om hulpverlening met transmigranten. Werken met brugfiguren of ervaringsdeskundigen die zelf onderdeel zijn van de gemeenschap of dezelfde taal spreken, kan hierbij helpen.

Hulpverleners merken dat, eens zij zelf deel worden van het netwerk van mensen, dit de drempel voor andere transmigranten aanzienlijk verlaagt. Meer transmigranten bereiken kan door samen te werken met diensten waar deze doelgroep dikwijls terecht komt.

Zelforganisaties

Samenwerking met zelforganisaties wordt belangrijker. Transmigranten die de stap naar de formele hulpverlening niet willen of kunnen zetten, kloppen vaak eerst aan bij informele organisaties binnen hun gemeenschap.

Omdat deze zelforganisaties niet altijd uitgerust zijn om welzijnsvragen te beantwoorden, kan samenwerking met de formele hulpverlening een uitkomst bieden.

“Transmigranten kloppen vaak eerst aan bij informele organisaties.”

Maar er zijn ook zelforganisaties die de rol van ‘welzijnsorganisatie’ uitdrukkelijk opnemen. Sommige transmigranten kunnen immers, omwille van hun precair verblijfsstatuut, wantrouwen ten aanzien van officiële diensten of hun complexe situatie, gewoonweg niet terecht in het formele circuit.

Dit is bijvoorbeeld het geval voor het Antwerpse Al Ikram: “Wij gaan niet werken zoals de andere organisaties door mensen door te sturen. Wij gaan elk dossier individueel, apart aanpakken. Wij proberen voor iedereen een oplossing te zoeken.”

Transnationale netwerken

Als mensen met een migratieachtergrond in voor hen belangrijke transnationale netwerken leven, moet de hulpverlening dan niet transnationaal worden? Anders gezegd: op welke manier kan transnationaliteit deel uitmaken van de hulpverleningspraktijk?

Omdat het transnationaal netwerk dikwijls een belangrijke plaats inneemt, voelen sommige transmigranten de behoefte om dit te delen met hulpverleners. Zo stelt de Ghanese Adofo: “Sociaal werker betekent: iemand die je helpt op alle gebieden van je leven. En familie thuis is ook een deel van ons leven, dus we hebben ze echt nodig bij zulke zaken.”

“Hulpverleners bevragen het transnationaal netwerk.”

Hulpverleners geven aan dat ze regelmatig bevragen hoe deze netwerken in elkaar zitten en welke rol ze spelen. Dit is niet alleen een vorm van erkenning, het helpt de hulpverlener om zich een beter beeld te vormen van de leefsituatie van zijn cliënt.

Een quote van een hulpverlener uit het welzijnswerk: “Als sociaal werker vind ik het belangrijk om te weten: wie is die cliënt die voor mij zit? Als individu, maar ook zijn netwerk errond. Wie is hij in dat geheel? Gewoon, ja, uit interesse om met die klant voort te kunnen werken. Om te weten wat er allemaal speelt.”

Inzicht in het netwerk heeft ook meer praktische functies. Bij begeleide terugkeer is de steun van een netwerk ter plaatse onontbeerlijk. Een hulpverlener die werkt aan begeleide terugkeer is zeer duidelijk: “Je kan niet spreken over terugkeer zonder dat aan te raken, dat is onmogelijk voor ons. Dat is altijd de eerste en de laatste vraag: Wie komt er u ophalen aan de luchthaven? Wie kan er voor jou zorgen? Wie kan er jou ondersteunen?”

Contacten in het buitenland bieden hulpverleners ook nuttige informatie wanneer cliënten overlijden of men ze uit het oog verliest.

Sociale media

Controversiëler is het in kaart brengen van het netwerk met het oog op controle. Vertelt de cliënt de waarheid over zijn inkomsten en achtergrond?

Sommigen zetten hiervoor sociale media in. Facebook biedt bijvoorbeeld een gemakkelijke kijk in het leven van cliënten. Sociale media kunnen een ‘sociaal onderzoek’ onderbouwen.

“Facebook biedt een gemakkelijke kijk in het leven van cliënten.”

Maar deze manier van werken roept ethische vragen op. Sommige sociale professionals kiezen ervoor om sociale media helemaal niet te gebruiken of gebruiken het enkel als een communicatiemiddel om contacten te onderhouden mits toestemming van de betrokkene.

Het betrekken van het transnationale netwerk in hulpverleningsrelaties heeft voordelen voor beide partijen, maar roept ook vragen op. Wie vraagt naar netwerken “doet ergens een deur open”, aldus een psychosociale hulpverlener in het onderzoek. Niet alle transmigranten zijn hier aan toe en sommigen zeggen er liever helemaal niets over. Hulpverleners moeten hiermee voorzichtig om gaan. Het is belangrijk om rekening te houden met wat de cliënt wil.

Doorbreken van grenzen

Omgaan met transmigranten in de hulpverlening kan betekenen dat organisaties over grenzen heen gaan werken of dat transnationaliteit een integraal deel van de werking wordt.

Verschillende welzijnsorganisaties werken samen met partners die hen helpen met de grensoverschrijdende problematieken van hun cliënten. Deze organisaties kunnen zich in andere landen bevinden.

Dit is het meest uitgesproken voor organisaties die rond begeleide terugkeer werken. Zo heeft Caritas International een uitgebreid netwerk van partners in de landen waarmee ze terugkeerprogramma’s organiseren.

Anderen werken samen met zusterorganisaties die helpen bij bepaalde vragen. Zo kan men bij de drie Belgische opvangcentra voor slachtoffers van mensenhandel contact opnemen met buitenlandse partnerorganisaties. Een ander voorbeeld. Child Focus is lid van het Europees ‘116000-netwerk’ voor verdwenen en vermiste kinderen.

Transnationaal samenwerken kan ook occasioneel voor afgebakende en éénmalige projecten, zoals Ella vzw deed bij een project rond huwelijksmigratie.

Organisaties kunnen daarnaast lid zijn van internationale koepelorganisaties. Contacten en bijeenkomsten met gelijkaardige hulpverleningsorganisaties in verschillende landen inspireren en bieden concrete uitkomsten voor cliënten met grensoverschrijdende problematieken.

Transnationaal samenwerken kan verder met actoren zoals politiediensten en magistraten, dokters, therapeuten en met religieuze autoriteiten.

Basishouding

In een context waarin steeds meer hulpvragers transnationale netwerken hebben of een grotere mobiliteit kennen als transmigrant, ervaren hulpverleners de nood om eigen grenzen te doorbreken.

“Oog hebben voor transmigratie wordt stilaan een basishouding.”

Oog hebben voor transmigratie en samenwerken over grenzen heen, nu nog meer uitzondering dan regel, wordt in een aantal organisaties stilaan een basishouding.

Citaat van een integratiemedewerker: “Ik denk dat we nu allemaal in ons werk dagelijks geconfronteerd worden met mensen die een migratieproces hebben. Dan is dat, vind ik, bijna uw basishouding. Je moet op z’n minst mee zijn met wat er op Europees of mondiaal niveau gaande is, wat andere landen doen, wat je zelf doet, wat een andere stad doet.”

Transnationale speler

Sommige organisaties gaan nog een stap verder en worden nieuwe transnationale spelers. Een uitgesproken voorbeeld hiervan is de Stichting Barka, een van oorsprong Poolse organisatie, met expertise in de re-integratie van daklozen, werklozen en ex-gedetineerden.

In 2007 werd Barka in het Verenigd Koninkrijk gevraagd om te helpen bij de opvang en terugkeer van Poolse daklozen. Later volgden steden in Denemarken, Ierland, Duitsland, Nederland en België (Antwerpen).

“Stichting Barka heeft deelwerkingen in heel Europa.”

Stichting Barka heeft nu deelwerkingen in heel Europa. Ze helpen daklozen van uiteenlopende origines bij het uitwerken van een toekomstperspectief. Barka hanteert uitdrukkelijk de visie dat migratie geen eenrichtingsverkeer is.

Een hulpverlener van Barka getuigt: “Migratie is geen actie, het is een proces, dat kan je niet stoppen. Want iemand die al eens ergens naartoe is gegaan, zal geneigd zijn om zijn geluk weer te beproeven, wellicht op een andere manier, bereidt die zich iets beter voor of zo. Maar dat is niet te stoppen.”

Transnationaal kader voor sociaal werk?

Hulpverleners voelen de impact van transmigratie in hun dagelijkse werkpraktijk. Ze zoeken actief naar nieuwe of aangepaste vormen van begeleiding en samenwerking. Alleen botsen ze nog al te vaak op een beleidskader en regelgeving die zich minder snel aan de veranderende context aanpassen.

Nationale of regionale overheden vertrekken nog vaak van een ouderwetse visie op migratie. Inburgeringscursussen zijn nog sterk gericht op stabiele nieuwkomers die men wil oriënteren naar permanent verblijf.

“Overheden hebben een ouderwetse visie op migratie.”

Subsidiereglementen laten organisaties niet toe om activiteiten over grenzen heen te ontwikkelen of dwingen hulpverleners te werken in termen van voorafbepaalde trajecten – hetzij integratie, hetzij terugkeer.

Opnieuw een hulpverlener die werkt rond begeleide terugkeer: “De overheid heeft een bepaald traject voor ogen. Je hebt de mensen die het recht hebben om hier te zijn. Heb je dat recht niet, dan moet je terug. Dan is dat het traject. Dus eigenlijk wordt er niet vanuit de persoon gedacht.”

De overheid houdt geen rekening met de mogelijkheid dat mensen naar een ander land dan hun land van herkomst willen teruggaan. Voor transmigranten is het echter niet vanzelfsprekend dat ‘terugkeer’ een terugkeer naar hun land van herkomst betekent, gezien hun mobiele verleden.

De ontwikkeling van transnationale praktijken in een lokaal gerichte context is dus niet altijd evident. Hoe kan een omgeving groeien waarin transnationaal sociaal werk in de praktijk verder ontwikkelt? Ons onderzoek biedt geen pasklare oplossingen, wel een aantal aanbevelingen.

Aanbevelingen

In individuele hulpverleningsrelaties is het belangrijk om aangepaste methodieken te gebruiken om de achtergronden en netwerken van transmigranten bespreekbaar te maken.

Bestaande tools bieden hier al een basis: denken we maar aan een ecogram om netwerken in kaart te brengen of aan de methodiek van toekomstoriëntering om met transmigranten stil te staan bij de vraag of ze verder willen migreren of zich uiteindelijk settelen, hier of elders.Arredondo, M., Mampaey, S. en Van Opstal, H. (2015), Toekomstoriëntering met precaire verblijvers, een werkboek voor groepswerk en individuele begeleiding, Antwerpen, Antwerps integratiecentrum de8.

Op meso- en macro-niveau is transnationaal werken maar mogelijk als hulpverleners de nodige erkenning, steun en middelen krijgen. Individuele hulpverleners kunnen pas samenwerkingsverbanden uitbouwen, deelnemen aan internationale congressen of werken met vernieuwende methodieken als de hele organisatie dit aanmoedigt en mogelijk maakt.

Tegelijk is er nood aan een beleid dat oog heeft voor de gewijzigde aard van migratieprocessen. Een beleid dat ruimte schept voor sociaal werkpraktijken die de realiteit en perspectieven van transmigranten centraal stellen.

“Transmigratie is één facet van superdiversiteit.”

Transmigratie is één facet van de veranderende aard van migratie in een context van superdiversiteit. Het heeft een reële impact op sociaal werk, hulpverlening en sociale professionals.

Het is dan ook cruciaal dat het beleid inzicht krijgt in de impact van superdiversiteit, transnationaliteit en transmigratie. Pas dan zal transnationaal werken uitgroeien tot een integraal en uiteindelijk vanzelfsprekend onderdeel van de hulpverlening.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen