Armoede na inkanteling van OCMW in gemeente

Succes komt niet vanzelf

De inkanteling van het OCMW in de gemeente, noem het gerust een fusie, komt niet uit de lucht vallen. Vlaanderen wil al enkele jaren af van ‘overbodige’ bestuursniveaus. Tegelijk krijgen de lokale besturen meer vrijheid en verantwoordelijkheid. Leidt dat tot minder armoede?

OCMW
© 123rf

Dichter bij elkaar

Het lokale bestuursniveau wordt belangrijker. Gaat het over welzijn en armoedebestrijding, dan blijft een tweeledige structuur voor velen een doorn in het oog. Want tot op vandaag functioneren gemeentebestuur en OCMW als twee gescheiden entiteiten. Logisch dus dat beleidsmakers op de proppen komen met de idee van een fusie.

 “Het lokale niveau wordt belangrijker.”

De voorbije jaren kwamen gemeente en OCMW al dichter bij elkaar. Zo werd de OCMW-voorzitter toegevoegd aan het college van burgemeester en schepenen, werd de limiet op het aantal gemeenteraadsleden dat in de OCMW-raad mag zetelen opgeheven en wil het ‘sociaal huis’ diensten beter laten samenwerken.

Pro en contra

Zowat alle politieke partijen steunden deze evolutie, hoewel binnenkamers ook tegenstemmen te horen waren.

De voorstanders spraken over de versterking van het lokale niveau en efficiëntiewinsten. Een fusie zou leiden tot een beter toegankelijke dienstverlening. Tegenstanders stelden zich de vraag of het OCMW niet ten prooi zou vallen aan de wetten van de dorpspolitiek. Electorale en politieke spanningen ondermijnen dan kwaliteitsvolle beslissingen over mensen.

Voor beide standpunten zijn goede argumenten te vinden. Zo werd op Sociaal.Net al besproken of deze inkanteling de doodsteek dan wel nieuw zuurstof is van maatschappelijk werk.

Niet iedereen akkoord

De huidige Vlaamse regering hakte bij haar aantreden de knoop door. Ze besloot om werk te maken van de inkanteling van het OCMW in de gemeente.

“De Vlaamse regering hakte de knoop door.”

Ook de federale regering engageerde zich om dit mogelijk te maken. Want hoewel de meeste bevoegdheden over de werking en organisatie van het OCMW de verantwoordelijkheid zijn van de regio’s, werd het bestaan van het OCMW bepaald in federale regels. Om het OCMW af te schaffen als rechtspersoon moest dus wel federale wetgeving gewijzigd worden.

Dat sleepte langer aan dan de meerderheidspartijen hadden gewild. Bovendien ging de Raad van State finaal niet akkoord met de voorstellen. Aangezien enkel Vlaanderen een verplichte fusie wou doorvoeren, leverde dit wettelijk heel wat bezwaren op. De oplossing, voorgesteld door de bevoegde minister Borsus, liet de gemeenten toe de taken van het OCMW over te nemen, tenzij de bevoegde (regionale) overheid dit niet toeliet.

Theorie en praktijk

De dubbele structuur blijft enkel op papier bestaan. In de praktijk wordt er komaf gemaakt met een aparte OCMW-secretaris of OCMW-raad. De gemeenteraad en het college nemen deze taken op. Deze veranderingen kan Vlaanderen wel zelf doorvoeren.

“De dubbele structuur blijft enkel op papier bestaan.”

Maar de problemen met de federale wetgeving maken het er niet eenvoudiger op. Hoewel de inkanteling beschouwd kan worden als beslist beleid, is dus nog niet zeker of dit gerealiseerd wordt tegen de vooropgestelde datum van 1 januari 2019.

Betere armoedebestrijding na inkanteling?

Welzijnszorg nam de kansen en gevaren van deze inkanteling onder de loep. Teksten werden onderzocht en sleutelactoren bevraagd: verkozen mandatarissen, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), academici, OCMW-medewerkers en mensen die in armoede leven.

De bevraging besteedt vooral aandacht aan de kwaliteit van het armoedebestrijdingsbeleid in de gemeenten. Hoe kunnen we dat beleid na de inkanteling versterken? Wat zijn de randvoorwaarden om van die inkanteling een succesverhaal te maken?

Niet alle gemeenten liggen daar wakker van. Sommige lokale besturen zijn volop bezig met de inkanteling terwijl andere de kat uit de boom kijken. Maar in beleidstermen staat de streefdatum van 1 januari 2019 vlak voor de deur. Dringend tijd dus om de discussie over de inkanteling te focussen op de gevolgen voor mensen in een kwetsbare leefsituatie.

Kerntaak beter vervullen

De belangrijkste opdracht van het OCMW is ervoor te zorgen dat elke burger kansen krijgt om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Die kerntaak moet bij inkanteling de leidraad blijven. Meer nog, zowel op Vlaams als lokaal niveau moet tijdens het veranderingsproces de vraag gesteld worden hoe men die opdracht nog beter kan vervullen.

“Hoe die kernopdracht nog beter vervullen?”

Daarbij moet gekeken worden naar het kwantitatieve aspect. Kunnen we meer mensen bereiken die nood hebben aan hulp- en dienstverlening? Maar ook het kwalitatieve aspect is belangrijk. Kunnen we aan deze mensen betere en meer kwaliteitsvolle hulp bieden?

Als inkanteling op deze vlakken geen vooruitgang biedt, dan moeten andere pistes overwogen worden. Om dat in te schatten, is de ervaring van mensen die in armoede leven cruciaal. Dat is niet evident want vaak belandt een bestuur in een logica van de middenklasse. Ze stemt haar dienstverlening af op de grootste gemene deler.

Respect voor privacy

Om haar kerntaak te vervullen, biedt het OCMW hulpverlening aan. Dat zal na inkanteling zo blijven.

“Goede hulpverlening respecteert privacy.”

Maar hoe zullen na deze fusie individuele dossiers behandeld worden? Een goede individuele hulpverlening respecteert de privacy van mensen. Het huidig sociaal comité dat individuele dossiers bespreekt, heeft daar aandacht voor. Maar na inkanteling zal een nieuwe constructie ontstaan. Het is koffiedik kijken hoe hoog die privacy in haar vaandel zal dragen.

Verdere uitbouw groepswerkingen

Heel wat OCMW’s hebben ook groepsgerichte werkingen of ondersteunen groepswerkingen van Welzijnsschakels, verenigingen waar armen het woord nemen, centra algemeen welzijnswerk of samenlevingsopbouw.

Inkanteling van het OCMW in de gemeente mag niet leiden tot een afbouw van die werkingen. Voor de gemeenten die zo’n werking nog niet kennen, kan de inkanteling een opportuniteit zijn om ermee te starten. Want groepswerkingen zijn vaak een goede aanvulling op de individuele hulpverlening. Mensen kunnen er ideeën uitwisselen en elkaar versterken. Dat kan gaan over woonproblemen, opvoedingsvragen, gezondheidskwesties…

Groepswerk geeft mensen de kans om los van hun individueel dossier vragen te stellen, vaak ook in een meer informele setting dan bij een afspraak met de sociaal werker.

Participatie garanderen

Een goed lokaal beleid staat open voor de participatie van zijn inwoners. Het is het beleidsniveau waar de afstand met de burger het kleinst is. Participatie is hier een haalbare kaart.

“Mensen in armoede moeten participeren.”

Ook mensen in armoede moeten aan het beleid participeren. Sommige OCMW’s zijn op dat vlak goed bezig. Dat vereist gerichte inspanningen. Papieren of passieve adviesraden volstaan niet. Structurele participatie van mensen in armoede moet hoog op de lokale prioriteitenlijst staan.

Open dialoog maakt sterker

Participatie betekent niet alleen overleg, maar ook openheid voor kritische en onafhankelijke stemmen. Zo’n constructieve dialoog verbetert de OCMW-werking. Worden kritische geluiden daarentegen niet gewaardeerd, dan heeft dat averechtse effecten voor de OCMW-praktijk.

“Participatie is meer dan alleen overleg.”

Mensen in armoede moeten participeren in een veilige omgeving. Dat gaat niet alleen om de fysieke omgeving, maar ook om mentale vrijheid en veiligheid. Wanneer mensen in armoede bijvoorbeeld knelpunten signaleren in de concrete hulpverlening van het OCMW, dan mag dit voor hen geen negatieve gevolgen hebben. Dat vraagt van beide partijen inspanningen en openheid.

Budgettaire garanties

De inkanteling moet gepaard gaan met budgettaire garanties voor het sociaal beleid in de gemeente. Daarom moeten alle eigen opbrengsten van het OCMW veiliggesteld worden.

Het zou goed zijn als gemeenten voor de inkanteling een budgettaire oefening maken waarbij ze vaststellen wat de uitgaven zijn voor het sociaal beleid en hoe die in de toekomst evolueren. Besparingen die door efficiëntiewinsten gerealiseerd worden, moet men opnieuw investeren in meer en beter sociaal beleid.

Charter biedt houvast

OCMW-werkers hebben ook een controlerende bevoegdheid, bijvoorbeeld bij de naleving van het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI). Soms botst dat met hun hulpverlenende opdracht. Een charter kan hen houvast geven om met die gespannen relatie om te gaan.

De Vlaamse regering lijkt zich bewust van de nood aan een specifiek statuut voor de sociaal werker. Dat is ook mogelijk volgens de regelgeving. Een charter zou ook dat op papier kunnen verzekeren. Zo zijn de sociaal werkers zeker van een regelgevend kader zodat zij hun opdracht optimaal kunnen uitvoeren.

Onafhankelijk

De cliënt en het verbeteren van zijn situatie moet centraal staan in de hulpverlening. Uiteraard is een transparante regeling op vlak van privacy en beroepsgeheim belangrijk.

“Dit is een kans om onafhankelijkheid scherp te stellen.”

De aangeboden hulp mag niet afhankelijk zijn van het beschikbare budget. Iemand die in december een hulpvraag stelt, wanneer de voorziene budgetten voor aanvullende steun misschien al opgebruikt zijn, moet dezelfde steun krijgen als iemand die in januari een hulpvraag stelt.

Deze aandachtspunten zijn niet nieuw. In sommige gemeenten stellen zich op deze terreinen nu al problemen. Toch valt te vrezen dat bij inkanteling de onafhankelijkheid van de sociaal werker verder onder druk komt te staan. Daarom is dit proces een goede gelegenheid om die onafhankelijkheid scherp te stellen en formeel aan te pakken.

Aanvullende steun

Het OCMW kent naast een leefloon ook aanvullende steun toe. In de praktijk is dat vaak een noodzakelijke aanvulling op het veel te lage leefloon. Die steun verschilt van OCMW tot OCMW. Ook binnen één OCMW zijn er niet altijd duidelijke afspraken of regels.

“Aanvullende steun verschilt van OCMW tot OCMW.”

Die verschillen zijn al langer een probleem omdat ze niet altijd te verklaren zijn op basis van het dossier van de cliënt. Veeleer hebben ze te maken met de financiële mogelijkheden en budgettaire keuzes van OCMW’s.

Welzijnszorg pleit al langer om de aanvullende steun te objectiveren, bijvoorbeeld door het Centrum voor Budgetadvies en –onderzoek (CEBUD) ontwikkelde tool ‘REMI’ te gebruiken. Die tool laat toe, op basis van referentiebudgetten, te bepalen hoeveel aanvullende steun nodig is voor welbepaalde gezinstypes.

Het systematisch gebruik van de tool zorgt niet alleen voor een beter passende en meer objectieve toekenning van de aanvullende steun. Het versterkt ook de positie van de sociaal werker wanneer sociale hulp te veel afhangt van de gemeentebegroting.

Drempels vermijden

Iedereen ervaart soms drempels om hulp te vragen. Waarom stellen we een bezoek aan de tandarts uit? Waarom blijven we lang zitten met muizenissen in ons hoofd? Waarom duurt het vaak lang vooraleer iemand met schulden hulp zoekt? Iedereen ervaart drempels.

“De hulpverlening creëert drempels.”

Maar ook de hulpverlening creëert drempels, door bereikbaarheid en openingsuren, het onthaal en de houding van de hulpverleners, het al dan niet perspectief kunnen bieden op beterschap, taalgebruik en informatie…

Sommige drempels zijn makkelijk op te sporen, maar misschien moeilijker te verhelpen. Denk maar aan wachtlijsten voor zorg of hulp. Andere zijn amper zichtbaar vanuit een middenklasse- of hulpverlenersbril. Die kom je enkel op het spoor door mensen in armoede te bevragen.

We pleitten eerder al voor participatie van mensen in armoede bij de inkantelingsoperatie. Eén van de onderdelen daarvan moet expliciet gaan over de bestaande en eventuele toekomstige drempels tot hulp- en dienstverlening.

De veronderstelling dat de inkanteling automatisch drempelverlagend werkt, is vals. Het serieus nemen van opmerkingen vanuit de doelgroep is de enige manier om drempels af te bouwen.

Samenwerkingen promoten

Vlaanderen telt 308 gemeenten, sterk verschillend in grootte. Al die gemeenten hebben een OCMW. De schaal waarop die lokale besturen werken, kan zeer klein zijn.

Wat betreft de OCMW-werking is er ook een groot verschil tussen gemeenten met een relatief rijke bevolking en gemeenten met veel armoede. Sommige OCMW’s kunnen het aantal mensen dat jaarlijks een leefloon krijgt op één hand tellen.

“Er is een verschil tussen rijke en arme gemeenten.”

Verplichte gemeentelijke fusies lijken nog niet direct aan de orde. Gelukkig bestaan er samenwerkingsverbanden tussen OCMW’s. Zo’n samenwerking werpt vruchten af rond vorming van personeel of uitwisseling van kennis.

Dankzij samenwerking kan er gespecialiseerd worden. Een OCMW heeft veel taken. Een sociaal werker moet van veel regels, rechten en plichten op de hoogte zijn. Meer gespecialiseerde kennis komt niet vanzelf, een klein OCMW met beperkte personeelsploeg kan zich onmogelijk overal op toeleggen.

Schaalvergroting

Inkanteling vergroot de schaal op lokaal niveau. Dat wordt gezien als een versterking van de bestuurskracht. Nochtans zijn er ook diensten waar de kennis exclusief bij het OCMW of het gemeentebestuur ligt. Voor deze diensten blijft uitwisseling, kennisoverdracht en samenwerking met andere OCMW’s van groot belang.

“Inkanteling mag samenwerking niet opdoeken.”

De inkanteling mag niet leiden tot het opdoeken van bestaande vruchtbare samenwerkingen. Dat is een argument om in te zetten op fusies tussen OCMW’s tot grotere entiteiten van sociaal beleid, eerder dan op een inkanteling van het OCMW in de gemeente.De Rynck, F. (2016), ‘Het OCMW in de netwerken voor sociaal beleid: een bestuurskundige analyse’, in: De Wilde, M. e.a., 4O jaar OCMW en bijstand, Leuven, Acco.

Een schepen voor armoedebestrijding

Vanaf volgende lokale legislatuur zal de structuur en werking van de lokale besturen er anders uitzien. Het gemeentebestuur moet meer aandacht besteden aan armoedebeleid. Daarom pleiten we voor een schepen voor armoedebestrijding.

Zo kan er binnen het bestuur iemand expliciet aangesproken worden voor deze beleidsverantwoordelijkheid. Hiermee erkent de gemeente de strijd tegen armoede als een belangrijk lokaal beleidsdomein. Binnen deze bevoegdheid kan men ook werken aan een goede integratie van het OCMW in de gemeente of een lokale armoedetoets.

Succes komt niet vanzelf

Of de inkanteling van OCMW’s in de gemeenten echt realiteit wordt is nog niet zeker. Toch is een verdere integratie onafwendbaar. Daarvan getuigen de vele lokale besturen waar het proces volop bezig is. Het evaluatiepunt moet liggen bij een betere hulp- en dienstverlening voor mensen in armoede. Succes is mogelijk, maar komt niet vanzelf.

“Verdere integratie is onafwendbaar.”

De inkanteling houdt verschillende risico’s in, maar biedt ook kansen. Stel dat er efficiëntiewinst geboekt wordt en het lokaal bestuur deze inzet om meer en beter sociaal beleid te ontwikkelen, dan is dat een stap vooruit.

Wanneer de bij het OCMW aanwezige kennis over het werken met kwetsbare doelgroepen vlotter binnengeloodst kan worden bij alle gemeentelijke diensten, dan is dat een stap vooruit. Het lokaal sociaal beleid kan dus ook sterker uit de inkantelingsoperatie komen.

De kansen liggen voor het grijpen, maar realiseren zich niet vanzelf. Daarvoor moet er in elke gemeente en bij de Vlaamse overheid goed nagedacht worden over de noodzakelijke randvoorwaarden en de te volgen participatieprocessen.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen