Informele zorg zit in een neerwaartse trend

Concurrentie tussen arbeid, vrijwilligerswerk en mantelzorg neemt toe

Zolang mogelijk zelfstandig thuis wonen, wie kiest daar niet voor? Ook mensen die omwille van handicap of ouderdom kwetsbaar zijn, willen maximale onafhankelijkheid. De inzet van informele zorg is dan onontbeerlijk. Maar blijft ze ook beschikbaar?

Informele zorg

Vergelijkend onderzoek

In deze bijdrage kijken we naar ontwikkelingen in de informele zorg.Vanderleyden, L. en Moons, D. (2015), Informele zorg in Vlaanderen in dalende lijn?!, SVR-St@ts 2015/9, Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering.Welke deel van de Vlaamse bevolking zorgt anno 2014 voor een ziek, gehandicapt of ouder persoon? Om evoluties op het spoor te komen, vergelijken we deze cijfers met de situatie in 2011.

Wat is het profiel van de zorgverlener? Wie is de zorgontvanger? En wat valt er te zeggen over de modaliteiten van de zorg zoals de duur, frequentie, intensiteit en zorgbelasting?

Belang van informele zorg

Het Vlaams beleid inzake welzijn voorziet heel wat maatregelen, diensten en voorzieningen om zorgbehoevenden de kans te geven zolang mogelijk in de vertrouwde omgeving te blijven.

“Het sociaal weefsel rond de zorgbehoevende is cruciaal.”

Ook het sociaal weefsel rond de zorgbehoevende is cruciaal. De beleidsoptie voor vermaatschappelijking van zorg of een zorg middenin de samenleving, impliceert dat een grote rol is weggelegd voor informele zorg en vrijwilligerswerk.

“De belangrijkste kritische succesfactor bij langer thuis is de aanwezigheid van mantelzorg: een inwonende partner, een dochter of zoon die regelmatig langs komt, buren die boodschappen meebrengen en een oogje in het zeil houden.”Steyaert, J. en Knaeps, J. (2016), ‘Mantelzorg: over wat is en zou kunnen zijn. Unieke kansen voor gezinszorg’, Sociaal.Net, 24 maart 2016.

Onderzoekstraditie

Onderzoek naar informele zorgpatronen in Vlaanderen is niet nieuw. In de loop van de jaren 2000 liep er bij het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie het Vlaamse onderzoek naar mantelzorg. Ongeveer in dezelfde periode was er het leefsituatieonderzoek bij Vlaamse ouderen van 55-plus waarin de informele zorg eveneens aan bod kwam.

Nadien bood de survey ‘Sociaal-Culturele verschillen in Vlaanderen’ (SCV) van de Studiedienst van de Vlaamse Regering de opportuniteit om zicht te krijgen op de informele zorg in Vlaanderen door middel van een representatieve steekproef bij 18-jarigen en ouder. De enquête van 2008 gaf al enig zicht op de prevalentie. Later, in 2011, werd het thema informele zorg verder uitgediept.Vanderleyden, L. en Moons, D. (2012), ‘Zorg en ondersteuning tussen en binnen generaties: wie zorgt voor wie?’, in Vanderleyden, L. en Callens, M. (red.), Generaties en solidariteit in woord en daad, SVR-Studie 2012/1, Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering, 27-50.

“Het aandeel Vlamingen dat informele zorg opneemt, daalt.”

In 2014 werd die module hernomen waardoor de informele zorg in een vergelijkend perspectief kan worden geplaatst. Het is van groot belang de ontwikkelingen in de informele zorg van nabij te volgen. Zo kan beleid gericht ontwikkeld en bijgestuurd worden.

De cijfers

In 2014 zegt iets meer dan een kwart van de Vlamingen van 18 jaar en ouder in het afgelopen jaar informele zorg te hebben verleend aan een ziek, gehandicapt of ouder familielid, vriend, kennis of buur.De vraag was als volgt: ”Helpt u momenteel of heeft u tijdens de afgelopen twaalf maanden zieke, gehandicapte of oudere familieleden, kennissen of buren geholpen of verzorgd? Het gaat om de informele inzet, niet de zorg die wordt geboden in het kader van een beroep of in het kader van het georganiseerde vrijwilligerswerk.”

Het gaat om meer vrouwen dan mannen, maar het verschil is klein. Het aandeel informele zorgverleners stijgt met de leeftijd: van 22,9% bij de 18-34-jarigen over 20,4% bij de 35-44-jarigen naar 33,8% bij de 45-54-jarigen. De hoogste score wordt gehaald in de leeftijdsklasse 55-64 jaar met 36,7%. Nadien daalt dit tot 15,9% bij de 75-plussers.

Onmiskenbare daling

Figuur 1. Aandeel Vlamingen (18 jaar en ouder) dat in de afgelopen twaalf maanden zorgde voor een ziek, gehandicapt of ouder persoon, naar leeftijd, 2011 en 2014 (in %). Bron: SCV-survey 2011 en 2014.

In vergelijking met 2011 daalde het aandeel Vlamingen dat informele zorg opneemt. Deze daling doet zich voor binnen alle leeftijdsklassen en zowel bij mannen als vrouwen.Het toetsen van deze cijfers aan de resultaten van eerdere peilingen is een delicate oefening, onder andere omwille van het gebrek aan eenduidige begrippen en gestandaardiseerde vraagstellingen.

Tabel 1. Aandeel Vlamingen (18 jaar en ouder) dat in de afgelopen twaalf maanden al dan niet zorgde voor een ziek, gehandicapt of ouder persoon, naar geslacht, 2011 en 2014 (in %). Bron: SCV-survey 2011 en 2014.

De informele zorgverstrekker gaf ook aan of de zorg nog aanwezig was op het moment van de bevraging dan wel gestopt was in de afgelopen twaalf maanden. Is er in beide scenario’s sprake van een daling?

Binnen de groep die de zorg continueerde, is de afname beperkt. De afname doet zich vooral voor in de categorie ‘zorg gestopt’. Daar zien we een stevige terugval (van 14,6% naar 6,6%), vooral bij vrouwen (van 17% naar 6,2%).

Waarom gestopt?

Onze bevraging bevat geen informatie over de reden van de stopzetting. Ander onderzoek wijst naar een verandering in de hulpbehoefte als belangrijkste oorzaak.de Klerk, M. (2015), ‘Omvang van de informele hulp’, in de Klerk, M. e.a. (red.), Informele hulp: wie doet er wat?, Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau, 44-64.

De hulp stopt omdat de hulpbehoevende geen of minder hulp nodig heeft, beroepskrachten meer zijn gaan helpen of de hulpbehoevende overleden is.

Stabiel profiel

We zien dat het profiel van de informele zorgverlener weinig varieert doorheen de tijd. In 2014 is de verzorger in 52% van de gevallen een vrouw tegenover 57% in 2011. In 2014 behoort de informele zorgverlener vaker tot de middenleeftijd dan in 2011. Betreffende het samenwonen met partner, het genot van een goede gezondheid en comfortabel leven en het beroepsactief zijn, is er geen verschil tussen 2014 en 2011.

“De informele zorgverlener staat er niet alleen voor.”

De informele zorgverlener staat er niet alleen voor. In bijna zeven op de tien situaties is er nog een andere informele zorgverlener. Daarnaast treden ook vrijwilligers op en zijn er diensten en voorzieningen zoals gezinszorg en thuisverpleging. Nagenoeg de helft van de zorgontvangers wordt naast de informele zorgverlener bijgestaan door één van beide of beide diensten. Vergelijkingen tussen 2011 en 2014 leveren geen grote verschillen op.

Profiel van de zorgontvanger

In beide onderzoekjaren zijn ongeveer twee op de drie zorgontvangers vrouwen, met een gemiddelde leeftijd van 70 jaar. Het aandeel dat alleen woont, is iets gedaald in vergelijking met 2011.

De persoon die wordt verzorgd, is in de meeste gevallen (46,5%) een ouder of schoonouder: het gaat dan om solidariteit tussen generaties. In 2011 lag dat cijfer wat lager (43,5%). In bijna één op de tien gevallen zorgen partners onderling voor elkaar.

“De zorgbehoevende is meestal een ouder of schoonouder.”

De zorgbehoefte heeft in zes op de tien situaties te maken met algemene beperkingen door ouderdom, wat overigens ook het geval was in 2011. In 40,2% van de gevallen is de oorzaak van de hulpbehoefte een lichamelijke handicap, voor 28,7% is dat een chronische of terminale ziekte, voor 22,8% een acute ziekte of ongeval en voor 22% gaat het om dementie of geestelijke achteruitgang.

De zorgbehoevende heeft het moeilijk om dagelijkse activiteiten te verrichten: het aandeel met een zware beperking bedraagt bijna 40%. In 2011 lag dat cijfer iets lager. Je kan verwachten dat dit uitmondt in een zwaardere zorgbelasting voor de informele zorgverlener.

Objectieve zorgbelasting

De parameters die wijzen op een zwaardere zorg, zijn inderdaad toegenomen. Het aandeel van de zorgverleners dat veel ondersteuning geeft, is lichtjes gestegen.Het betreft de groep die helpt bij minstens vijf van de volgende activiteiten: huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging, medische en paramedische hulp, vervoer en begeleiding, emotionele steun, toezicht houden en oppassen.

Wat de frequentie en de intensiteit van de zorg betreft, zijn de verschillen groter. In 2011 werd er dagelijkse zorg geboden door een kwart van de zorgverleners, in 2014 ligt dat cijfer in de buurt van 30%. Ook het aandeel mensen die één of meermaals per week zorg bieden, neemt toe: van 40,4% naar 47,4%.

Nagenoeg 30% van de verzorgden ontvangt meer dan acht uur per week hulp, in 2011 was dat minder dan een kwart. De groep die minder intensieve hulp nodig heeft (minder dan vier uur hulp per week), is gedaald.

De totale duur van de hulpverlening stijgt: in 2014 bedraagt die gemiddeld 67,9 maanden of 5,6 jaar. In 2011 was de gemiddelde duur van de zorg 60,3 maanden of 5 jaar.

Subjectieve zorgbelasting

Aan de hand van een schaal van 0 (helemaal geen belasting) tot 10 (zwaar belast) kon de respondent aangeven in welke mate hij zich belast voelt.

Figuur 2. Aandeel Vlamingen (18 jaar en ouder) naar zorgbelasting, 2011 en 2014 (in %). Bron: SCV-survey 2011 en 2014.

De groep informele zorgverleners die de zorg niet als belastend ervaart, wordt kleiner: van 35,9% in 2011 naar 28,0% in 2014. De groep die zich erg belast voelt, steeg van 17,7% naar 23,2%.

Waarom zorg stoppen?

De zorgbelasting neemt toe. Is dat de reden dat zorgverleners hun hulp stopzetten?

“De zorgbelasting neemt toe.”

Op vlak van zorgbelasting is er geen verschil tussen wie de zorg stopzet dan wel continueert. Of zoals we al zeiden: het stopzetten van de zorg heeft vaak te maken met een veranderde hulpbehoefte, niet met de ervaren zorgbelasting. De stopzetting heeft meestal te maken met een geringere hulpbehoefte, een grotere professionele tussenkomst of met het overlijden van de zorgbehoevende.

Ondersteuning door professionele zorg

De zorgbelasting varieert niet naar geslacht, leeftijd of opleiding van de informele zorgverlener maar wel naar frequentie en intensiteit van de zorg. Wie frequent en met een hoge intensiteit zorgen biedt, voelt zich zwaarder belast.

Men kan verwachten dat de ondersteuning van gezinszorg en thuisverpleging de zorgbelasting temperen. Onze gegevens bevestigen die hypothese niet. Ook verschillende buitenlandse studies tonen aan dat een positieve impact van professionele hulp niet evident is. Want die hulp wordt vaak pas ingeroepen als de zorg al zwaar is en men zich al erg belast voelt.de Boer, A., Timmermans, J. en Schellingerhout, R. (2005), ‘Gebruik van ondersteuning door mantelzorgers’, in de Boer, A. (red.), Kijk op informele zorg, Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau.

Vooral mentale belasting

Tabel 2. Oordeel van de informele zorgverleners over een aantal uitspraken betreffende de zorgbelasting, de tijdsbesteding en het zinvol karakter van de zorg, 2014 (in %, N=423). Bron: SCV-survey 2014.

De mogelijke belasting door de zorg werd verder uitgediept aan de hand van een aantal uitspraken. Is de informele zorg fysiek of mentaal belastend? Is er door de zorg onvoldoende tijd voor het gezin of voor de persoon zelf? Wordt de zorg als zinvol ervaren en haalt men er voldoening uit?

70% van de informele zorgverleners gaat (helemaal) niet akkoord met de stelling dat de geboden zorg fysiek belastend is. Voor de ervaren mentale belasting ligt dat anders: een derde is (helemaal) akkoord dat de verleende zorg mentaal zwaar is.

 “De ervaren belasting is eerder mentaal dan fysiek.”

Wat de tijdsbesteding betreft: een grote meerderheid informele zorgverleners verwerpt de stelling dat er onvoldoende tijd overblijft voor het gezin en voor de persoon zelf. We zien wel dat onvoldoende tijd hebben voor zichzelf als meer problematisch wordt ervaren door de 45-64-jarigen.

Zorg verlenen schenkt voldoening. Bijna alle informele zorgverleners ervaren de zorg als zinvol. Op de vraag of men opnieuw zorg zou opnemen, antwoordt 96% positief.

Hotel mama

Er is een duidelijke trend: in 2011 waren er meer informele zorgverleners dan in 2014. Dat zou te maken kunnen hebben met enkele demografische en economische ontwikkelingen.

Informele zorg is geconcentreerd in de leeftijdsgroep 55-64 jaar, een leeftijd waarin mannen en vrouwen ook andere rollen opnemen. Demografische gegevens wijzen op het uitstel van de komst van een eerste kind. Daardoor hebben 55-plussers vaker dan vroeger nog tieners of twintigers in huis die ook zorg vragen.

Eens die kinderen jongvolwassen zijn, blijven ze ook langer thuis wonen. Dat heeft te maken met het langer studeren van jongeren en het financiële voordeel van het langer en comfortabel thuis wonen.

Sociaal dilemma

Op de ‘drukke’ leeftijd van 55 tot 64 jaar zijn er vaak ook al kleinkinderen die opgevangen moeten worden. Want de tweeverdienende ouders zijn niet thuis. En ook de (hoog)bejaarde ouders kloppen aan de deur voor zorg en ondersteuning.

“Er is concurrentie tussen arbeid, vrijwilligerswerk en mantelzorg.”

Aan al die vragen tegemoetkomen is niet evident. Want om de vergrijzing betaalbaar te houden, moet deze groep van 55 tot 64-jarigen ook maximaal beroepsactief blijven.

Dit is een belangrijk sociaal dilemma dat een van de grootste nieuwe sociale risico’s is voor onze samenleving: de concurrentie tussen arbeid, vrijwilligerswerk en mantelzorg.Broese van Groenou, M. (2012), Informele zorg 3.0. Schuivende panelen en een krakend fundament, Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar informele zorg, Faculteit der Sociale Wetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam, 28 juni 2012.

Beperkte rolconflicten

In welke mate leidt het opnemen van meerdere rollen tot conflicten? Je wil bijvoorbeeld de zorgbehoevende begeleiden bij een doktersbezoek, maar dat lukt niet want je moet werken. Je kan je vervolgens op je werkplek niet concentreren omdat je met je gedachten bij de hulpbehoevende persoon zit.

Zo’n conflicten blijven beperkt. In de helft van de gevallen is er geen conflict tussen de jobvereisten en de informele zorg. Eén op de drie respondenten ervaart dat de eisen van de job de informele zorg soms hinderen. Voor één op de zes is dat vaak of altijd het geval.

Het omgekeerde, namelijk de mate waarin zorgtaken hinderlijk zijn voor de eisen van de job, doet zich bij twee op drie respondenten nooit voor. Een kwart ervaart dat soms en iets minder dan 10% vaak of altijd.

“Werkgevers moeten aandacht besteden aan informele zorgverleners.”

Toch moet de werkvloer aandacht besteden aan de situatie van informele zorgverleners. Een mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid betekent een win-win situatie voor werkgever én werknemer.

De bespreekbaarheid, het begrip en de ruimte voor maatwerk dragen bij aan een goede combinatie van arbeid en gezin. De mantelzorger gaat met meer energie, zin en plezier naar het werk. Voor de werkgever is een tevreden en gemotiveerde werknemer van groot belang.Het project ‘mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid’ uitgewerkt door de hogeschool West-Vlaanderen reikt een aantal tools aan waarmee bedrijven aan de slag kunnen.

Veranderde tijden

Zorgend aanwezig zijn, was in het verleden een evidentie. Vandaag is er een toenemende trend tot zelfontplooiing en verrijking. Mensen bewandelen andere wegen waaruit ze voldoening putten.

Het is niet zo dat we de zorg voor een naaste niet belangrijk vinden, maar we willen op vele sociale domeinen actief zijn. Dus ook op het werk, de sportclub en in het vrijwilligerswerk. Zorgen ja, maar dan niet als enige levenstaak.

“De dalende trend doet ons nadenken.”

Door het groot aantal echtscheidingen ontstaan er meer nieuw samengestelde gezinnen. Daardoor wordt de zorg er niet eenvoudiger op. Waar er eerst zorg was voor twee ouderparen, kunnen dat er vier worden wanneer nieuwe partners in beeld komen. Het blijft nog de vraag in hoeverre dit impact zal hebben op de zorgomvang.

In vergelijking met 2011 zien we een afname van de informele zorg in Vlaanderen. Die neerwaartse trend kan overheidsbeleid aanporren om nog sterker in te zetten op vermaatschappelijking van zorg. Maar deze trend nodigt ook uit tot reflectie. Zijn de verwachtingen ten aanzien van informele zorg wel realistisch?

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen