Hulpverlenen doe je met je hele lichaam

Tijd voor een positieve benadering

Hulpverlening is lichamelijk. Als we spreken gebruiken we onze handen, tijdens een begeleiding geven we al eens schouderklopjes. Maar door situaties van misbruik worden hulpverleners voorzichtiger over lichamelijkheid, seksualiteitsbeleving en relaties bij cliënten. Het Vlaams Welzijnsverbond reageert tegen deze verkrampte benadering van lichamelijkheid.

Lichamelijk handelen
©123rf

Misbruik

Koepelorganisatie Vlaams Welzijnsverbond heeft een kleine traditie om ethisch denken bij welzijnsvoorzieningen te stimuleren. Dat gebeurt onder meer via ethische adviezen. Zopas werd het advies over “Lichamelijk handelen in zorg- en ondersteuningsrelaties” voorgesteld. Dat wil vooral het positieve benadrukken en reageert tegen een verkrampte benadering van lichamelijkheid.

Ethiek is een reflectie op de realiteit. Ethiek heeft niets te maken met dictaten van bovenaf. Van gelijk welke instantie. Ethiek vertrekt van onderuit. Vaak vanuit het aanvoelen van basiswerkers dat er iets wringt.

“Ethiek is reflectie op de realiteit.”

Vanuit dit aanvoelen en de confrontatie met misbruiksituaties in voorzieningen werd al in 2004 een ethisch advies geformuleerd over ‘Omgaan met (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag’. Het benadrukt het belang om professionele grenzen te bewaken.

Dit advies kwam zeker op zijn tijd. De zaak-Dutroux had in 1996 onze samenleving dooreengeschud. We mochten niet meer dezelfde fouten maken. Zeker niet in de hulpverlening waar we een vertrouwensband hebben met kinderen, jongeren en andere kwetsbare mensen. Het advies kreeg toen de nodige weerklank en werd druk besproken.

Immuun

Men zegt wel eens dat de geschiedenis zich herhaalt. Niemand blijkt immuun voor seksueel misbruik. Het misbruik door bisschop Vangheluwe in 2010 plaatste de katholieke kerk in het oog van de storm. Enkele jaren later bracht het grensoverschrijdend gedrag van psychiater Walter Vandereycken misbruik in therapeutische relaties onder de aandacht.

Tussendoor waren er nog zaken van misbruik of grensoverschrijdend gedrag die niet zoveel pers haalden. In sportclubs, onderwijs of jeugdbeweging en helaas ook in hulpverleningsvoorzieningen. Het is belangrijk om hiervoor aandacht te blijven vragen. De hulpverlening moet zich engageren om werk te maken van een preventiebeleid.

Realiteit

We kunnen er niet onderuit: ook vandaag is er nog grensoverschrijdend gedrag. De aandacht hiervoor mag niet leiden tot krampachtigheid. Situaties van seksueel misbruik in de hulpverlening kunnen immers leiden tot handelingsverlegenheid bij andere hulpverleners.

Begeleiders in de kinderopvang vragen zich af of ze nog een kind op schoot mogen nemen om te troosten. Men draagt opvoeders op om verzorgende taken steeds in duo op te nemen. Men onderzoekt of er geen bijkomende regels moeten komen rond snoezelen… Is het nog mogelijk om ongedwongen hulp te verlenen?

“Hulpverlening is lichamelijk.”

Geconfronteerd met deze realiteit beslisten we om een advies te maken dat het positieve van lichamelijkheid in de kijker zet. We drukken ons als mens immers lichamelijk uit. Bij het spreken gebruiken we onze handen, tijdens het begeleiden geven we al eens troostend schouderklopje. Hulpverlening is lichamelijk.

Verkenning

In een eerste stap werd in 2011 het werkveld verkend via een online-bevraging. Vanuit verschillende settings werden 121 reacties verzameld. De bevraging werd vooral ingevuld door directies en middenkader. Slechts 18% gaf aan hulpverlener of begeleider te zijn.

De resultaten zijn zeker niet statistisch representatief, maar geven wel een goed beeld van wat leeft in het werkveld. De enquête peilde via een aantal stellingen naar de relatie tussen lichamelijk handelen en de pedagogische opdracht, de eventuele verandering in de manier van omgaan met lichamelijkheid, feminisering en diversiteit.

Pedagogische kracht

Over de stelling “Lichamelijkheid en affectiviteit zijn een pedagogische kracht in de hulpverlening en moeten dus gekoesterd worden” bestaat een grote consensus. 90% gaat hiermee akkoord. Iemand stelde: “Het is bijzonder jammer dat we stilaan het vermogen verliezen om ons respectvol uit te drukken met lichaamstaal. Deze is nooit te vervangen door spreektaal en zeer betekenisvol.”

Zeker als het over emoties gaat, wat in hulpverlening toch vaak het geval is, schiet spreektaal te kort. In elke vorm van omgaan met mekaar speelt lichamelijkheid een rol. Niet-lichamelijk omgaan bestaat niet. Het gaat dan niet alleen over aanraking, maar bijvoorbeeld ook over de eerste indruk die men van iemand heeft. Hoe kijken we naar iemand anders? Hoe zien wij de cliënt? Hoe kijkt de cliënt naar mij?

“Niet-lichamelijk omgaan bestaat niet.”

Je onderscheidt je met je lichaam van anderen. Je lichaam drukt je identiteit uit. Dat dit ook geldt voor mensen met een beperking, komt bijvoorbeeld heel mooi tot uiting in de dansprojecten van Platform K uit Gent. Of in projecten in de jeugdhulp die vanuit fysieke inspanning op zoek gaan naar krachten van jongeren.

Jonge kinderen hebben nood aan intimiteit. Een tekort aan normale intimiteit kan zelfs beschouwd worden als een zware vorm van verwaarlozing.Vlaams Welzijnsverbond, Verslag vergadering Ethische Commissie 27 september 2012, Brussel, Vlaams Welzijnsverbond, interne nota.

Aandacht voor grenzen

Ook de tweede stelling oogst heel wat herkenning: “Onze hulpverlening is niet alleen verbaal, maar ook lichamelijk en relationeel. We merken een verandering in de manier van omgaan met de cliënten na het opduiken van misbruiksituaties in onze sectoren.” Situaties van misbruik hebben wel degelijk invloed gehad op de omgang met cliënten.

Het valt op hoe vaak het woord voorzichtig voorkomt in de antwoorden. Mensen zijn voorzichtiger geworden als het gaat over lichamelijkheid, seksualiteitsbeleving en relaties.

“Mensen zijn voorzichtiger geworden.”

Dat er meer aandacht is voor grenzen en grensoverschrijding is een goede zaak. Tegelijk vindt men leren omgaan met lichamelijkheid en seksualiteit een pedagogische opdracht voor voorzieningen. We moeten cliënten leren omgaan met de vaak dubbelzinnige kijk van de samenleving op lichamelijkheid: “Als voorziening mogen we kritisch zijn tegenover het geseksualiseerde maatschappelijk lichaamsbeeld.”

Aanraking vermijden?

“Lichamelijke bejegening wordt in onze sectoren steeds problematischer. Om seksuele misbruikrelaties te voorkomen, trachten we in onze voorziening zoveel mogelijk om lichamelijke aanraking te vermijden.” Over deze stelling lopen de meningen uiteen. Slechts één op drie herkent deze uitspraak, 84% gaat er niet mee akkoord.

Aanraking vermijden, kan in bepaalde situaties zinvol zijn. Maar het kan nooit de basis zijn voor professioneel handelen. Aanraken en aangeraakt worden is belangrijk voor het psychisch welbevinden van mensen. Zeker voor baby’s en jonge kinderen, maar eigenlijk voor iedereen. Heb je al ooit de vraag gesteld of er in je voorziening mensen zijn die nooit aangeraakt worden?

“Een procedure rond grensoverschrijdend gedrag is noodzakelijk.”

Men vindt aanraking essentieel in de hulpverlening, maar toch waarschuwt een respondent: “We mogen niet naar een knuffelcultuur overhellen. We moeten aanraking een eigen plaats geven. Daarbij moet de grens van de cliënt en die van de begeleider gerespecteerd worden.”

Deelnemers aan de bevraging onderstrepen het belang van een gedeelde visie op omgangsvormen. Hierbij houdt men rekening met de rol die men als hulpverlener mag opnemen van de cliënt of de ouders. Ook maatschappelijke evoluties spelen een rol. Denken we maar aan visies op burgerschap en participatierechten. Een procedure rond omgaan met seksueel grensoverschrijdend gedrag vindt men noodzakelijk.

Rolmodellen

De welzijnssector is een vrouwelijke sector. 80% van de medewerkers is vrouw.Geerts, F. e.a. (2017), ‘Maak werk van meer diversiteit. Medewerkers in welzijn doorgelicht’, Sociaal.Net, 9 februari 2017.Die zijn vooral actief in de directe zorg en hulpverlening. Mannen nemen eerder kaderfuncties op. De stelling “Door de feminisering van onze sectoren missen we kansen voor de hulpverlening. Onze cliënten hebben zowel nood aan vrouwelijke als aan mannelijke rolmodellen” wordt door 92% van de respondenten onderschreven.

“Diversiteit is belangrijk.”

Men trekt dit echter onmiddellijk open. Niet alleen mannen en vrouwen moeten aanwezig zijn, ook allochtone rolmodellen zijn belangrijk, naast een mix van jonge en oudere begeleiders. Diversiteit is belangrijk.

Daarnaast zijn er ook verschillen in persoonlijke stijl, opleiding of werkervaring. Zoals niet alle begeleiders spontaan gepast reageren op agressie, zo is de ene al lichamelijker in de omgang dan de andere. Soms kan een mannelijke kijk nuttig zijn, bijvoorbeeld om het perspectief van de vaders binnen te brengen: “Mannen gaan anders om met cliënten: speelser, meer relativerend, ze voetballen en rollebollen met hen.”

Een voorziening zou een spiegel moeten zijn van de samenleving. Dit is voor iedereen belangrijk, maar zeker voor cliënten die weinig of geen andere contacten hebben dan met sociale professionals.

Afstand en nabijheid

“In de hulpverlening merken we voortdurend een spanning tussen afstand en nabijheid. We kunnen beter wat meer professionele afstand houden dan ons te ver te engageren naar onze cliënten toe. Dit laatste is niet goed voor hen, maar ook niet voor ons.” 69% is akkoord met deze uitspraak. Hulpverleners lijken de nadruk te leggen op professionele afstand.

“Hulpverleners benadrukken de professionele afstand.”

Dit wordt evenwel genuanceerd in de vrije commentaren. Iemand stelde: “Afstand bewaren wordt afstandelijkheid, terwijl we toch menselijkheid nastreven.” Omgaan met de spanning tussen afstand en nabijheid is een kerncompetentie voor hulpverleners.

Het perspectief van de cliënt is hierbij doorslaggevend. Hoe interpreteert hij dit? En op welke manier houden wij hiermee rekening? Vaak wordt dit in de antwoorden vertaald als respect voor de privacy van de cliënt. Men pleit ervoor dit op te nemen in het handelingsplan en zo te streven naar individualisering.

De meeste cliënten hebben een eigen kamer en begeleiders kloppen voor ze binnenkomen, maar tegelijk kan je de vraag stellen door hoeveel verschillende handen een bewoner gewassen wordt…

Zorg-ethisch kader

Vanuit een zorg-ethisch kader gaan we op zoek naar de waarden en overtuigingen die het hulpverlenend handelen sturen. Het is belangrijk om deze waarden te expliciteren. Dat doet men best in dialoog met de stakeholders. Zorgethiek zet vooral in op het relationeel karakter van de hulpverlening.

“Zorgethiek zet in op het relationele.”

In het advies worden de verschillende perspectieven op lichamelijkheid wat kunstmatig uit mekaar gehaald. Elk perspectief wordt slechts kort ‘aangeraakt’ en zou veel verder kunnen uitgewerkt worden. Bedoeling is dat dit in de voorzieningen zelf gebeurt, op teamvergaderingen, op overlegmomenten, in ethische commissies of werkgroepen.

We geven hier enkele voorbeelden. Hoe kijken we naar kwetsbaarheid versus maakbaarheid? Hoe staan we tegenover eindigheid en sterfelijkheid? Hoe denken we over de perfecte lichamen uit de reclame versus de lichamen met een beperking? Hoe gaan we om met rituele handelingen: als af te leren of als bron van structuur?

Professioneel handelen

Als professional mogen we ons laten raken door de ander. We hebben het hier zowel over het letterlijk aanraken, maar ook over het ‘geraakt worden’ door de kwetsbaarheid van het jonge kind, de opvoedingssituatie van de jongere of de persoon met een beperking. De Frans-joodse filosoof Levinas sprak in dit verband van het appel dat de ander op mij doet.

“We mogen ons laten raken door de ander.”

Professioneel handelen heeft ook te maken met kennis en vaardigheden, met methodisch handelen, met een duidelijke visie van de voorziening. In bijna elk ethisch advies onderstreepten we het belang van een cultuur van overleg en bespreekbaarheid. Medewerkers moeten met hun zorgen en vragen bij collega’s en leidinggevenden terecht kunnen.

Waarden

Professioneel handelen betekent ook nadenken over de waarden van waaruit men werkt. Wij stipten alvast het belang van integriteit aan. Dat gaat over authentiek zijn en respect tonen. Misschien past hierbij het oude woord ‘schroomvol’ wel.

Verantwoordelijkheid is nog zo’n term. De hulpverlener die geraakt wordt, neemt zijn verantwoordelijkheid op ten overstaan van de cliënt, maar plaatst deze ook voor zijn eigen verantwoordelijkheid.Burggraeve, R. (2009), ‘Achteromzien én vooruitzien. Ethische visie op meerzijdige verantwoordelijkheid’, Tijdschrift voor Welzijnswerk, 302, 42.Met een moderne term zou je kunnen spreken van ‘in zijn kracht zetten’.

Tenslotte is er nog solidariteit. Ook dit is wederkerig. We weten dat we niet zonder de ander kunnen, en de ander heeft ook ons nodig. Zeker wie hulp moet vragen. Daarbij komen we op voor de rechten van de ander. Zeker voor de zwaksten. Maar wie zijn dat dan en hoe kunnen we dit concreet doen?

Lichamelijk handelen

In het derde deel van het advies bieden we een typologie van professionele, lichamelijke handelingen in de hulpverlening. We spreken van een typologie omdat we lichamelijk handelen als het ware uiteenrafelen. We onderscheiden accidentele aanrakingen, sussen, speels aanraken, omgaan met agressie en alles wat er tussen ligt.

“We rafelen lichamelijk handelen uiteen.”

Telkens vragen we ons af of dit lichamelijk handelen ethisch verantwoord is. Dat is zo als de hulpverlener het best geplaatst is om deze handeling te stellen, maar ook als de cliënt dit handelen als passend ervaart. Aan beide voorwaarden moet voldaan zijn. Zo kunnen we besluiten dat we bepaalde handelingen beter overlaten aan een verpleegkundige of een vrouwelijke begeleider.

Verder vragen we aandacht voor respectvol handelen, omgaan met betrokkenheid, gepast structureren en begrenzen. Bijkomend vragen we ons af of het maatschappelijk aanvaard is.

Beleidsmatig handelen

Het laatste deel van het advies richt zich op het beleid van organisaties en voorzieningen. Het thema lichamelijkheid speelt niet alleen op de werkvloer. Leidinggevenden hebben de verantwoordelijkheid om een omgeving te creëren waarin lichamelijk handelen op een verantwoorde manier kan gebeuren.

Leiderschap betekent dat men zorgt dat er bakens zijn waarbinnen medewerkers kunnen werken. En dat ze kunnen rekenen op ondersteuning wanneer dit nodig is.

“Leidinggevenden hebben een verantwoordelijkheid.”

Hiertoe biedt het advies een tienpuntenprogramma aan. Dat vraagt allereerst aandacht voor het betrekken van de omgeving van de cliënt. Of het nu gaat om kinderopvang, jeugdhulp of ondersteuning van een persoon met een handicap, de cliënt is nooit een eiland. Ook rond lichamelijke omgangsvormen is de dialoog met ouders belangrijk.

Visie en strategie

In de samenleving leven veel visies, normen en modellen over seksualiteit en relaties. Daarom is het belangrijk dat een voorziening hierover nadenkt. Wat is de eigen visie? Hoe verhoudt die zich tegenover de samenleving?

Het uitwerken van een visie is geen taak van het management alleen. Iedereen is betrokken. Het is belangrijk te streven naar gedragenheid en hierover geregeld te communiceren. Niet alleen naar nieuwe medewerkers, maar naar alle betrokkenen.

“Teamoverleg en intervisie zijn belangrijk.”

Strategie is een ander aandachtspunt. Een doordacht beleidsplan versterkt wat goed loopt en zorgt voor de nodige middelen om het waar te maken. Denk bijvoorbeeld aan tijd voor intervisie en bijscholing. We pleiten voor een open gesprekscultuur en om bewust na te denken over hoe men kan werken als een lerende organisatie.

Structuur en infrastructuur

Op een ethische manier lichamelijk handelen in zorg- en ondersteuningsrelaties is niet alleen zaak van leidinggevenden of een ethische commissie. Iedereen moet erover waken dat de verschillende afspraken en structuren optimaal werken.

Zo kunnen in het ondersteuningsplan van cliënten die slachtoffer waren van seksueel misbruik duidelijke afspraken staan over lichamelijk handelen door hulpverleners. Het gebruik van een meldingstraject rond seksueel grensoverschrijdend gedrag kan helpen.

We onderstrepen het belang van teamoverleg en intervisie, niet alleen bij problemen. Er moet bewust ruimte komen om ervaringen met collega’s te delen. Lichamelijk handelen mag geen routine worden. Hulpverlenen doe je niet op automatische piloot.

“Hulpverlenen doe je niet op automatische piloot.”

Iemand stelde het zo: “Spontaan handelen is niet goed genoeg voor hulpverleners. Hun professionaliteit zit er net in dat ze bewust handelen. Bewust van de criteria die ze hanteren, van de taal die ze gebruiken.”

Vorming kan hierbij helpen, bijvoorbeeld rond omgaan met afstand en nabijheid, hoe men best relationele en seksuele vorming geeft aan jongeren en mensen met een verstandelijke beperking, vorming rond communicatie met ouders en omgeving.

Ook infrastructuur is belangrijk. Hoe groot zijn de leefgroepen? Hoe zijn ze samengesteld? Hebben jongeren een eigen kamer?

Uitnodiging tot reflectie

Visies op lichamelijkheid veranderen voortdurend. Niet in het minst door internet en sociale media. Dat is zo in de samenleving. Dat is zo in voorzieningen. We kunnen deze thema’s niet bannen uit het leven, want ze horen erbij.

De ontwikkeling van lichamelijkheid en seksualiteit is essentieel in een gezonde ontwikkeling. Zonder lichamelijkheid kan je je niet hechten. Daarom is het belangrijk om het gesprek aan te gaan in de eigen voorziening. Doe dit vanuit een positieve kijk op lichamelijkheid. Zonder de mogelijkheid van seksueel misbruik en grensoverschrijdend gedrag te ontkennen.

Wanneer we ons laten leiden door angst, gaan we proberen alles in procedures te vatten. Die geven niet alleen een vals gevoel van veiligheid, ze moeten ook gecontroleerd worden. En wie de regels overtreedt, moet een sanctie krijgen. Zo dreigen we in een repressieve sfeer terecht te komen.

Dit advies biedt stof om over na te denken. Er is ook materiaal om mee te werken. Zo kan je de stellingen, de verschillende perspectieven op lichamelijkheid of de tien beleidsaanbevelingen bespreken op een teamoverleg, in de bestuursorganen of met cliënten en ouders. Dat gesprek aangaan, is een teken van professionaliteit.

Thema's

armoede, diversiteit, ethiek, gebruiker, geestelijke gezondheid, gezin, gezondheid, handicap, jong, justitie, management, methodiek, onderzoek, opleiding, organisatie van zorg, ouderen, overheid, preventie, sociale professional, vermaatschappelijking, werken, wonen